De afbeelding hierboven is een foto van de Fluwelen Burgwal in Den Haag, de plaats waar Kohlbrugge een paar keer gepreekt zou hebben.


In de correspondentie van Kohlbrugge en zijn echtgenote komt in het jaar 1856 met enige regelmaat de residentiestad Den Haag ter sprake, met name in de brieven van mevrouw Kohlbrugge. Zo schreef zij 13 februari 1856 aan haar Utrechtse vrienden, de familie Kol:

Vele dingen in de gemeente geven droefheid. Ach, als er nog eens uitkomst kwam en onze weg naar Holland terugging. De Clercq spreekt weer van een kans in Den Haag, bij de Duitsche Gereformeerde gemeente. Dat was al wat er te wenschen was en ook nog niet geheel onaannemelijk. [1]

Enkele dagen eerder, op 9 februari, liet zij aan de familie Boissevain in Amsterdam weten: Het idee van naar Den Haag te gaan verlaat mij geen ogenblik. Op 20 februari voegde zij daaraan toe: Op Den Haag is nog mijn hoop. [2] Ook Kohlbrugge zelf liet blijken dat er sprake was van persoonlijke spanningen. In een brief aan zijn vriend Westendorp schreef hij: Veel en allerlei drukt neder. [3] Deze uitspraken suggereren dat er binnen de gemeente in Elberfeld spanningen of moeilijkheden speelden die de Kohlbrugges ertoe brachten een terugkeer naar Nederland te overwegen. Hoewel uit de beschikbare correspondentie in het voorjaar van 1856 nog niet precies blijkt wat er aan de hand was, wordt de situatie in de loop van dat jaar geleidelijk duidelijker. In een eerdere brief aan een vriendin had mevrouw Kohlbrugge al haar gevoelens van isolement gedeeld, evenals haar zorgen over hun negentienjarige dochter Anna. Zij schreef:

Hier is alles op ’t oude, stil en dikwijls niet opwekkelijk. Wij zien weinig menschen, ten minste ik die nooit uitkom en weinig sympathies heb. Voor de lieve Ant kan het mij dikwijls zorg en smart veroorzaken dat zij hare jeugd zoo eenzelvig door moet brengen. [4] 

Deze passages wekken in elk geval de indruk dat de familie Kohlbrugge een terugkeer naar Nederland serieus overwoog. Daarbij leek zich mogelijk een concrete gelegenheid voor te doen, nu Steven de Clercq spreekt van ‘een kans in Den Haag bij de Duitsche Gereformeerde gemeente’.

Graaf Von Bylandt

De achtergrond van deze brief van De Clercq vraagt om enige toelichting. Reeds vanaf de zeventiende eeuw kende de hervormde gemeente in Den Haag vrijwel onafgebroken een predikant die Duitse kerkdiensten verzorgde voor Duitstalige inwoners van de hofstad. [5] De eerste predikant was Philippus Ludovicus Velbach, die van 1628 tot 1632 deze functie bekleedde. De laatste was Matthias Jorissen, die tussen 17 maart 1782 en 26 maart 1818 verbonden was aan de gemeente. Bij zijn emeritaat op 78-jarige leeftijd werd de Duitse predikantsplaats bij koninklijk besluit opgeheven, per 1 april 1818. Dat betekende dat wie voortaan een Duitse dienst wilde bijwonen, was aangewezen op de Lutherse kerk, gelegen aan de Lutherse Burgwal. Toen daar op enig moment geen Duitstalige diensten meer werden gehouden, kwam het zelfs voor dat sommigen overgingen naar de Rooms-Katholieke kerk. Voor de Duitssprekende christenen braken daarmee moeilijke tijden aan: men slaagde er niet in te integreren in het Nederlandse kerkelijke leven.

De opheffing van deze predikantsplaats betekende, zo schreven dr. E.F.H.M. graaf Von Bylandt [6] samen met enkele commissieleden aan de Haagse kerkenraad, een wezenlijk gemis ‘voor de te dezer stede woonachtige of tijdelijk verblijf houdende Duitschers’. Zij richtten aan het college het verzoek om ‘eenige geordende hoogduitsche predikanten van dit land tot waarneming van eenige predikbeurten in de verschillende kerken dezer stad uit te noodigen, omdat het gestelde doel zoowel de Gereformeerde als Luthersche en Evangelische Duitschers betreft, tot opwekking en bevordering van het kerkelijke leven onder dezelve en het tegengaan van de uitbreiding der roomsche kerk ten koste van de protestantsche, zijnde er verschillende treurige voorbeelden van godsdienstverandering voorgekomen.’ [7] Het verzoek werd echter afgewezen. Na andere teleurstellende ervaringen besloot men uiteindelijk tot het stichten van een afzonderlijke gemeente. In 1856 werd de Deutsche Evangelische Gemeinde in de residentie opgericht. Men kwam bijeen in de zaal van de loge aan de Fluwelen Burgwal. In 1861, na een inzamelingsactie, kreeg de gemeente een eigen kerkgebouw aan het Bleijenburg 5. Haar eerste predikant was J.T.R. Kögel [8] , die op de eerste adventszondag in 1857 aan deze gemeente werd verbonden. [9]

Beroep

Steven de Clercq had gesproken met Gregorius van Oordt [10], de zwager van graaf Von Bylandt, en vernam van hem dat er pogingen werden ondernomen om opnieuw een Duitse predikant te beroepen in de hofstad. Naar aanleiding daarvan besloot De Clercq een brief te schrijven aan Von Bylandt, waarin hij de naam van Kohlbrugge ter sprake bracht. Hij schreef:

Bij een mijner bezoeken bij Uwen zwager van Oordt vernam ik dat er te ’s Hage eenigszins sprake is van het beroepen of aanstellen van een Hoogduitsche predikant, Leeraar, die even als vroeger Ds. Jorissen, voor de vele aldaar gevestigde Duitschers geregeld zou optreden, als ook dat bij eenigen het denkbeeld was opgekomen of men Ds. Kohlbrügge te Elberfeld daartoe ook zoude uitnoodigen. Van Oordt vertelde mij hoe hij dat denkbeeld geheel had vergooid, ziende op de eervolle en onafhankelijke betrekking waarin Ds. K. thans geplaatst is en het ZEd. weinig zou moeten toelagchen die stelling te verruilen tegen eene onzekere positie, waarvan de remuneratie nog aan bedenking zou onderhevig zijn.

Steven vermoedt dat Kohlbrugge waarschijnlijk niet enthousiast op het voorstel zou reageren, maar hem deze vraag voorleggen is zeker een optie: Nu beken ik gaarne dat, van dien kant gezien, de zaak weinig aanlokkelijks voor ZEd. zou kunnen hebben - ondertusschen ik voor mij zie er eene keerzijde aan, en ik kan niet nalaten als mijn (ofschoon ongevraagd) advies, wetende bij ondervinding dat Ds. K. tot dat gelukkige soort van menschen behoort, die nooit zichzelven afvragen: “Wat heb ik er aan”, U te zeggen: Is het ernst met deze zaak, dat het dan Kohlbrügge zelven worde voorgesteld en hoe zijn gevoelen of besluit dan moge zijn, zulk eene roepstem uit het Vaderland kan niet anders dan tot vreugde verstrekken.

De Clercq laat Von Bylandt weten dat hij hier niet met Kohlbrugge over heeft gesproken, maar dat hij bereid is hierin iets te betekenen: Het spreekt wel van zelf dat het verwezenlijken van zulk een denkbeeld mij personeel hoogst verblijdend zou wezen, maar behalve dat zou het zulk eene aangename en gewenschte wijze zijn tot heeling van vroegere wonden, dat het in dat opzigt de sympathie der vrienden van Neerlands Kerk moet opwekken. Ik heb ZEd. van dit gesprek echter niets gemeld en zal dat ook niet doen, tenzij men wenschen mogt door mijne tusschenkomst onder de hand vooraf het terrein te onderzoeken, ten einde alle mogelijke échec voor te komen, waartoe ik te allen tijde gaarne bereid ben. [11]

Een verzoek om te komen preken

Na enige tijd nam Von Bylandt zelf contact op met Kohlbrugge en nodigde hem uit om in Den Haag te komen preken. Volgens Kohlbrugges dagboekaantekeningen gebeurde dit op woensdag 23 juli; bij die datum noteerde hij namelijk: verzoek om in Den Haag te preken, uitgenodigd door Von Bylandt. Kohlbrugge reageerde positief op deze uitnodiging. In een brief van 20 augustus aan Kol schreef hij: Ik denk den 14 september te bepalen tot het preeken in den Haag - den voordenmiddags hoogduitsch, in den achternamiddag in onze taal - dit is een van vele zijden aan den Vorstand zur wiedereinführung eines deutsche Gottesdienst im Haag kenbaar gemaakt verlangen - waaraan ik zeer beleefd verzocht ben te willen voldoen. [12] Ook zijn Duitse vriend Johannes Wichelhaus werd van de uitnodiging op de hoogte gebracht. Hij schreef dat hij een vriendelijke brief had ontvangen van Dr. Von Bylandt en enkele vrienden, met het verzoek om een Duitse preek te houden in Den Haag: De heren en ook de predikant willen daar de Duitse Hervormde Kerk herstellen. Ik antwoordde dat ik nu niet weg kon, maar wel in de tweede helft van september. Ze hadden gehoord dat ik in Vianen had gepreekt. [13] Deze uitnodiging betekende voor Kohlbrugge een tweede kans om in Nederland te preken. Eerder, op 29 juni 1856, had hij voor het eerst op de kansel gestaan in Vianen.

Zomerwolkje

Kohlbrugges vrouw wilde dit heuglijke nieuws graag delen met haar Amsterdamse vriendin Petronella Boissevain. Binnen drie weken schreef ze haar vier brieven. Begin maart klonk ze nog teleurgesteld in een brief aan de familie Kol: Dat zomerwolkje van Den Haag is dus weer verdwenen. [14] Nu ziet ze echter opnieuw mogelijkheden, al houdt ze ook haar twijfels. Op 25 augustus schreef ze dat de brief met het verzoek om in Den Haag te komen preken was aangekomen: De brief uit Den Haag met de tweevoudige uitnodiging tot preken is aangekomen. De Domine zal antwoorden, zoo God wil, 14 september, verder gene bepalingen. Slechts volgen zoo als de weg ligt. In diezelfde brief liet ze weten dat dochter Anna haar vader op de reis zal vergezellen en zelf ook graag op bezoek wil komen: Antje gaat mede, blijft liefst bij Papa tot dat hij gepreekt heeft en wil dan gaarne zoo zij mag bij u komen. [15] Hoewel ze zich voorzichtig hoopvol toont, klinkt ook enige terughoudendheid door.

Een week later, op 2 september, volgde een tweede brief met aanvullende informatie en het reisschema: Naar rijp overleg is er nu belet in Den Haag geschreven bij den Hr. van Bylandt voor den Domine en Antje, want de laatste wil Papa niet verlaten voor dat hij gepredikt heeft (…) de reis van hier gaat donderdag over 8 dagen avonds, reis met de boot op Rotterdam dan direkt met de spoor vrijd. avond op Den Haag. [16] Op 8 september volgde opnieuw een brief met de laatste stand van zaken. Ze schreef: Ik wilde u nog even melden dat er heden ochtend een brief van den Graaf van Bylandt gekomen is, allerhartelijkst. Alles is in order en tot vreugde. Verder licht ze toe dat de ontvangst geregeld is: Aanstaande donderdag avond 11 sept. vertrekken Kohlb. en Antje met de boot, gaan naar Rotterdam door, worden daar vrijd. nadem. opgewacht door den Hr. van Oordt en op den trein des vrijdag avond naar ’s Hage gaat, gebragt. In Den Haag zelve zal Mijnh. van Bylandt hun in ontvangst nemen.

Ook meldt ze dat ze bericht heeft ontvangen van haar schoondochter Mathilde, die laat weten dat de predikant in Vianen opnieuw bereid is zijn kansel af te staan: Tegelijk een brief van Mathilde, alles heel wel. De Domine is bereid K. nogmaals preken te laten, dus zal die denkelijk den 21 (twee zondagen) in Holland overblijven, wat al gebeurd misschien. En ook moet haar dit nog van het hart: Hier is het akelig gesteld. Antje zal het wel vertellen. [17]

De vierde brief schreef ze op de dag van vertrek. In dit laatste schrijven klinkt innerlijke tweestrijd: Ik hoop niet lastig te zullen zijn, maar wilde u gaarne nog een paar woordjes zeggen. Dezen avond half 6 gaan de reizigers henen. De Domine is nog al opgewonden, het lijkent hem zeer te treffen. Antje in strijd en besluiteloosheid. Het idee van Holland, de wensch hier te blijven en toch niet te blijven, bijaldien er eene gunstige wending kwam, strijden om beurt. Tot slot volgen er praktische instructies voor de Boissevains, met oog voor zowel rust als voeding: Zorg gijl. toch dat de Domine zaterdag stilte rust en zondag ochtend om half 8 geroepen wordt, een ei in zijn koffy en een klein glaasje anijs naar de kerk. [18]

Twee preken

Zoals afgesproken vertrokken Kohlbrugge en zijn dochter Anna op 11 september naar Nederland. In zijn dagboekaantekeningen maakte hij die dag slechts een korte notitie: met Anna naar Den Haag. Op zondag 14 september preekte hij twee keer: ’s ochtends in het Duits over Psalm 130 : 4 en ’s middags in het Nederlands over Psalm 89 : 16 - 19. Beide diensten vonden plaatst in de grote logezaal van de vrijmetselaars aan de Fluwelen Burgwal. Over de avonddienst schreef Kohlbrugge later aan zijn vriend Wichelhaus: De dienst was zo druk bezocht dat niemand zijn hoed van het hoofd kon nemen tijdens het zingen en bidden. [19] Onder zijn gehoor zaten verschillende hoogwaardigheidsbekleders, waaronder de minister van oorlog - Hendrik Frederik Christoph baron Forstner van Dambenoy. Na afloop merkte een adjudant op: ‘Dat is een brave eerlijke kerel’.

Troonrede

De volgende dag was het Prinsjesdag – vanaf 1848 vond dit plaats op de 3e maandag in september [20] – en Kohlbrugge werd door de minister van oorlog uitgenodigd om de troonrede bij te wonen: ‘De volgende dag liet de minister van oorlog mij naar de gereserveerde tribune in de Kamer der Staten-Generaal brengen om de troonrede aan te horen.’ Op dinsdag 16 september was Kohlbrugge in Utrecht; een dag later reisde hij door naar Vianen, waar hij te gast was bij zijn zoon en schoondochter. Op zondagavond 21 september stond Kohlbrugge opnieuw op de kansel van de hervormde gemeente in Vianen. Hij preekte over Leviticus 9: Abends gepredigt in der Reform. Kirche in Vianen über Leviticus IX. In zijn brief aan Wichelhaus gaf hij een beknopt verslag van deze dienst: In Vianen predikte ik voor de tweede keer, ’s avonds op de 21ste van deze maand. De predikant kwam persoonlijk om mij uit te nodigen. De kerk was opnieuw sterk bezet. Alle afgescheidenen uit de stad en de omgeving waren aanwezig, zelfs Joden en vele katholieken. Op maandagavond vertrok Kohlbrugge naar Utrecht, en op 23 september keerde hij terug in Elberfeld.

Crisis in Elberfeld

Op 6 november schreef Kohlbrugges vrouw een brief aan vrienden in Amsterdam. Veelzeggend noteerde ze: Ik denk het gaan naar Holland dus nu besloten is. [21] Slechts enkele dagen later, op 11 november, klinkt het nog beslister: Wij gaan hier weg, zoo als wij uit Holland gingen. [22] En op 25 november schreef ze: Gij kunt u geen denkbeeld maken hoe het hier is, veel erger dan ik in de brief schrijf. De gemeente smart mij. [23]

De achtergrond van deze verontrustende woorden is een ernstige crisis die zich in het najaar heeft ontwikkeld binnen de Niederländisch-reformierte Gemeinde. De aanleiding voor dit conflict is het voorgenomen huwelijk van diaken Carl Friedrich (Fritz) von der Heydt met Maria Th.W. Freiïn von Hurter. Maria komt uit een onkerkelijk en werelds milieu, en haar gedrag roept aanstoot op binnen de gemeente. Op 7 november schreef Kohlbrugge hierover aan De Clercq: Welk een blaam op de gemeente hier! Ik zwijg. God zal spreken. Maar hecht ik nog aan eenige arme individuen hier, de band voor het geheel ligt verscheurd, dat is voor een eerlijk mensch te veel. Kohlbrugge is van mening dat Fritz zijn ambt als diaken moet neerleggen, moet afzien van deelname aan het Heilig Avondmaal en dat er geen kerkelijke inzegening van het huwelijk mag plaatsvinden. Deze voorgestelde tuchtmaatregel plaatst de kerkenraad in een moeilijke positie, aangezien Fritz’ vader, Carl von der Heydt, een invloedrijk en zeer gerespecteerd lid van de gemeente is. Hij is ouderling en medeoprichter van de gemeente. Ondertussen wordt er zelfs al gesproken over een mogelijk vertrek naar Den Haag, Kohlbrugges vrouw schrijft aan de Boissevains dat zij actie heeft ondernomen: Ik heb aan Kol verzocht naar een huis in Den Haag te zien en dan eene keukenmeid. En ze voegt hier de woorden aan toe: Roepen wij den Heere onophoudelijk aan dat Hij Zijn woord waar make en ook de harten in Den Haag neige. [24]

Nieuw verzoek uit Den Haag

In 1856 voerde de vrouw van Kohlbrugge een intensieve correspondentie met haar vrienden in Amsterdam. In dat jaar schreef ze maar liefst zesendertig brieven. Vooral in het laatste kwartaal nam de frequentie sterk toe - een duidelijk gevolg van de onrust binnen de gemeente. In november alleen al schreef ze vijf brieven. Op 17 november meldde ze dat haar man opnieuw een uitnodiging had ontvangen van het bestuur van de Duitse gemeente in Den Haag om daar te komen preken, en dat hij positief had gereageerd. Ze schreef: Gisteren ontvingen wij een allervriendelijkste brief van den Vorstand, [25] zoo hartelijke mogelijk, dus het preeken in Den Haag gaat Zondag door. De Domine vertrekt vrijd. morgen om 10 uren met Saartje en Antje. ’s Nachts blijven zij in Utrecht en vertrekken zaterdag met den tweeden trein naar ’s Hage. De lieve Saar gaat met Antje mede. Verder hangen de reisplannen van de omstandigheden af. Men weet hier nog niets. Denk het veel sensatie zal maken. [26]

Op 21 november vertrok Kohlbrugge naar Den Haag, vergezeld door zijn dochter Anna. Twee dagen later, op zondag 23 november, preekte hij daar tweemaal. In zijn dagboekaantekeningen schreef hij beknopt: 21 november: nach Haag mit Anna; bij 23 november: Predigt in Haag, vormittags: Matth. 19:16 - 30, abends: Matth. 6, Wie bidt, die ontvangt.

Twee dagen later schreef hij aan zijn lieve dierbare eenige Urseline, een brief waarin hij verslag deed van die zondag: Ik geloof dat gij het zwaar gehad hebt – ik heb het tusschenbeiden zwaar en dan weer wat rustiger. Des voordenmiddags was de Vorstand hartelijk, zij dankten mij alle – des avonds echter waren er slechts drie – de rest klaagden dat het zoo vol was van de dorpen dat de Hagenaars er niet in konden. Zij schuwen den schijn als of zij iets aparts wilden. Er werden over de duizend muntstukken geteld, dus zijn er ver over de duizend in geweest. De preek maakte indruk. Kohlbrugge vervolgt: Vele boeren en boerinnen en anderen liepen op de preekstoel toe, drukten mij de hand, eenigen baadden in tranen. Ook vanuit de hogere kringen was er belangstelling, vooral voor de avondpreek: Van de grooten zijn er zeer velen des avonds geweest. C’est magnifiek, zeiden zij bij het uitgaan. [27]

Uit diezelfde brief blijkt dat Kohlbrugge maandag een bezoek bracht aan Baron Aeneas Mackay, lid van de Tweede Kamer: Maandagochtend om 10 uur was ik bij Mackay. Hij was buitengewoon voorkomend en hartelijk – alsof hij een broeder was. Mackay vertelde dat hij met de minister van Eredienst had gesproken, en dat deze Kohlbrugge wilde ontvangen.

Op audiëntie bij de minister

Het gesprek met de minister duurde maar kort, maar Kohlbrugge wist in die tijd alles ter sprake te brengen. Hij schreef: De Minister van Eeredienst heeft mij een kwartier uurs geschonken, na hem kort alles verteld te hebben, vroeg ik om zijnen vermogende invloed om het bij de Synode daarheen te brengen dat dezelve mij beroepbaar stelde als hebbende het verlangde bewijs van de Lutherschen - bewijs van lidmaatschap en het radikaal van Predikant.

De minister antwoordde dat de verhouding van zijn ministerie tot de kerk sinds 1848 zo goed als nihil was, en dat hij daarom ook bijna niet meer op de Synode kwam: Ik heb veel goeds over u gehoord, maar u kunt niet van mij verwachten dat ik persoonlijk voor u bemiddel bij de Synode. Kohlbrugge schreef vervolgens: Ik andwoorde dat ik dit niet verlangde, maar dat hij mogt intercedeeren voor het regt. Hij daarop, dat zoo hij voor de zaak intercedeerde de Synode hem zou andwoorden dat dit niet van zijne bemoeing mogt zijn, en ik dus niet van hem kon verlangen dat hij mogelijk een depit kreeg, dat de weg die was om mij aan de Synode te adresseren, die vergaderde in July - ik vroeg of hij meende of de Synodale Commissie, die juist vergaderd was, dit zou kunnen afdoen. Hij daarop dat hij meende dat die gewigtige zaak, die in de geheele Synode behandeld was, niet zou durven op zich nemen.

Aan het einde van deze lange brief laat Kohlbrugge zijn vrouw weten dat hij gebeden had voor zijn bezoek aan de minister: Met het hart en oog op Dien, Urseline, bad ik voor ik tot den Minister ging. Hij vertelde mij nog dat die zaak hem wel bekend was. Tenslotte schrijft hij: Zoo ik niets naders verneem, denk ik morgen op Utrecht te retourneeren.

Terwijl Kohlbrugge zijn gesprekken voerde, gingen zijn dochter Anna en een vriendin alvast op zoek naar een woning: Ant en jufvr. Smit zijn uit om een huis te bezien van f 650 - Zes kamers waarbij 2 suites onder en boven en goede stand. Blijkbaar heeft Kohlbrugge niet naders vernomen, want op 28 november keerde hij via Utrecht en Vianen terug naar Elberfeld.

Zwagers

Binnen de Kohlbrugges schoonfamilie werd eveneens gesproken over zijn belangstelling voor een beroep naar Den Haag. Op de een of andere manier was hen dit ter oren gekomen. Barthold van Verschuer schreef hierover op 2 december aan zijn broer Bernhard: Kohlbrugge is met Aeneas Mackay in correspondentie over een beroep te ’s Hage – eenige denken voor een Duitsche gemeente, andere dat onze broeder op de 11 Dom[inees]plaats vlast. Ik liep hem toevallig tegen het lijf uit de spoor komende, met Antje en een Adjud. [28]

Een aantal dagen later – op 10 december – komt Barthold opnieuw op deze ontmoeting terug en voegt extra informatie toe: 

Wij hebben Kohlbrugge ontmoet aan het station te ’s Hage, van daar met Antje en een Adjudant, naar Elberfeld terugkerende. De zwager was opgewonden gestemd, sprak mij dadelijk van audiëntie gevraagd te hebben bij den Koning en de Koningin, mij verzoekende zijn leedwezen mede te delen deszelfs pligt hem noodzaakt tot vertrekken. Mij door de Koningin niet naar Kohlbrugge gevraagd wordende, had ik geen gelegenheid er over te spreken, daar ik mij niet geroepen acht bij mijne onbekendheid met de strekking van de komst van den zwager er mij per initiatief mede te bemoeijen. – Volgens Aeneas M. schijnt K. op de 11 Dominees plaats te vlassen en schijnt een groote partij smalle gemeente voor Kohlbrugge te zijn. (…)

Verder schrijft Barthold dat de verspreiding van Kohlbrugges preken hem populair maakte bij de kleine burgerij, die zich hierdoor aangesproken voelde:

Het schijnt dat de veele verspreiden van de preken van Kohlbrugge de groote massa van kleine burgers, welke algemeen in ons land en een gedrukte stemming en … … zijn, voor hem gestemd hebben. – De preken te ’s Hage waren zonder inmenging van Politiek doch met sterke neiging voor het Huis van Oranje. Zoud onze broeder opgeschroefd worden? A.M. scheen mij tegen zijne komst, mogelijk uit famille trots. – Hij zoude K. op de hoogte houden, volgens zijn zeggen. – Dr. Bylandt schijnt met Kohlbrugge zeer ingenomen. [29]

Uit het bovenstaande concludeer ik dat Kohlbrugge serieus uitkeek naar een beroep vanuit Den Haag, waarbij de spanningen binnen zijn gemeente onmiskenbaar meespeelden. Overigens was dit ook de laatste keer dat Kohlbrugge in Den Haag gepreekt heeft.

Bronvermelding

  1. Archief Kohlbrugge port. 13 brief 25.
  2. Archief Kohlbrugge port. 12b brief 5 en 6
  3. Archief Kohlbrugge port. 15.B.36 brief 131.
  4. Archief Kohlbrugge port. 13 brief 23, 13 dec. 1855.
  5. Het stichten van een Duitse gemeente in Den Haag kwam voort uit het initiatief van Frederik V (1596-1632), bekend als de ‘Winterkoning’ vanwege zijn korte regering in Bohemen. Na zijn vlucht vestigde hij zich met zijn vrouw Elizabeth Stuart in ballingschap aan de Kneuterdijk 20-24, in het voormalige huis van Johan van Oldenbarnevelt, dat het ‘Hof van Bohemen’ werd genoemd.
  6. Ernst Ferdinand Hubert Marcus graaf van Bylandt, 28 maart 1813 Obercrüchten - 9 mei 1871 ’s Gravenhage.
  7. E.J.W. Posthumus Meyjes, Hervormd ’s-Gravenhage in de negentiende eeuw, ’s-Gravenhage 1935 (Bijlage F, blz. 326-331).
  8. Johannes Theodor Rudolf Kögel (1829-1896). Hij was van 1857- 1863 predikant van de Deutsch-evangelischen Gemeinde te Den Haag.
  9. Op 28 maart 1858 schreef Groen van Prinsterer een brief aan zijn vriend Da Costa en zei het volgende over deze predikant: ‘De prediking van onzen Duitschen leeraar Kögel is uitnemend. In een noot lichtte hij dit nader toe: ‘Rudolf Kögel, discipel van Tholuck; van wiens invloed en ijver de duitsche Evangelische Gemeente en haar kerkgebouw een blijvend getuigenis aflegt. Rijkbegaafd kanselredenaar; in de kracht der waarheid en liefde tot zielsbehoud werkzaam; en wiens zesjarig verblijf te ’s Hage (1857-1863) met mij door velen als een der uitnemendste zegeningen herdacht wordt.’, Brieven van Mr. Isaac da Costa medegedeeld door Mr. Groen van Prinsterer, vijfde aflevering (1856- 1860), Amsterdam 1873
  10. Gregorius van Oordt, 19 sept. 1810 Utrecht - 20 april 1877 Kralingen
  11. Archief Kohlbrugge port. 17 brief 64; 80d. 
  12. Archief Kohlbrugge port. 35 brief 129. 
  13. J.J. Langen, Briefe von Dr. H.F. Kohlbrugge an Johannes Wichelhaus aus den Jahren 1834-1857, Elberfeld 1911, brief 74. 
  14. Archief Kohlbrugge port 13 brief 26, 7 maart. 
  15. Archief Kohlbrugge port. 12b brief 19. 
  16. Archief Kohlbrugge port. 12b brief 20. 
  17. Archief Kohlbrugge port. 12b brief 21. 
  18. Archief Kohlbrugge port. 12b brief 22.
  19. J.J. Langen, Briefe von Dr. H.F. Kohlbrugge an Johannes Wichelhaus aus den Jahren 1834-1857, Elberfeld 1911, brief 75. 
  20. Vanaf 1887 werd Prinsjesdag verplaatst naar de 3e dinsdag van september. 
  21. Archief Kohlbrugge port. 12b brief 30. 
  22. Archief Kohlbrugge port. 12b brief 31. 
  23. Archief Kohlbrugge port. 12b brief 34. 
  24. Archief Kohlbrugge port. 12b brief 32. 
  25. In deze context kan Vorstand worden vertaald met kerkbestuur of kerkenraad. 
  26. Archief Kohlbrugge port. 12b brief 33. 
  27. Archief Kohlbrugge port. 11 brief 91. 
  28. Gelders Archief, NL-AhGldA_0567_945-0517, 0518. 
  29. Gelders Archief, NL-AhGldA_0567_945-0526, 0527