Foto: De Mayflower in de haven van Plymouth, 1620. Schilderij van William Formby Halsall.
Beste Vrienden, U heeft vast wel eens gezien dat een schip gedoopt werd. Een fles champagne zwiert vanaf de kade en slaat stuk tegen het schip. Deze traditie stamt uit oude culturen. De Egyptenaren, Grieken en Romeinen riepen hun zeegoden aan om de bemanning van het schip te beschermen. Hoewel de Reformatie er een eind aan wilde maken, bleek de traditie hardnekkig. De scheepsdoop was bijvoorbeeld de eerste officiële handeling die kroonprinses Amalia verrichtte. Het verlangen om bescherming spreekt daarbij nog steeds uit de gebruikelijke doopformule: “ik doop u en wens u en uw bemanning een behouden vaart.” Het zal u misschien verassen, maar Groen en Aalders hebben beide ook een schip gedoopt. Om misverstanden te voorkomen, haast ik mij om er meteen bij te zeggen dat ik geen trekschuiten of cruiseschepen bedoel. Van een doop van zulke schepen is mij in ieder geval niets bekend. Wat ik wel weet, is dat zij betrokken waren bij de doop van geestelijke vaartuigen, namelijk scholen. Het beeld van het schip lijkt me passend voor de betrokkenheid van Groen en Aalders bij het onderwijs. Het is een herkenbaar Bijbels beeld, dat vaak met een geestelijke worsteling te maken heeft. De profeten, de discipelen en de apostelen waren allen in barensnood. We zien Jona en de zeelui in hun wellicht door de goden gedoopte schip. De discipelen waren op het meer herhaaldelijk in zwaar weer. En de apostel Paulus leed uiteindelijk zelfs schipbreuk. Bovendien zien we in het gereformeerde doopformulier ook Noach en zijn ark opduiken, een formulier dat duidelijk oog heeft voor het onderwijs. Zoals ik al liet merken, wil ik mijn korte voordracht niet beperken tot Groen en het onderwijs. Het leek me goed om bij deze gelegenheid stil te staan bij Groen en Aalders en het onderwijs, om tot slot nog een bruggetje te slaan naar de actualiteit. Waar mogelijk wil ik daarbij ook het boek van vandaag betrekken, Theocratie of ideologie.
De gelijkenis tussen Groen en Aalders is op het gebied van het onderwijs treffend. Ik noem drie dingen:
- de vlag waaronder het onderwijs vaart;
- de bemanning van het schip;
- de koers.
De vlag
Als het gaat om de scheepsdoop van Groen denk ik aan zijn openingsrede van de eerste algemene vergadering van de Vereniging van Christelijk-Nationaal Schoolonderwijs in 1861. Het gaat hier om de zogeheten hoofdvereniging waarvan Groen jarenlang erevoorzitter was, maar bij deze vereniging waren veel lokale hulpverenigingen CNS aangesloten die ter plaatse scholen stichtten. Ik heb in Steenderen in de Achterhoek bijvoorbeeld het boekje in handen gehad waarin inwoners een steunbetuiging konden optekenen, met voorin een ondersteuningsverklaring van de secretaris van de hoofdvereniging CNS, de heer Feringa, verzonden via Van Gend en Loos, wie het nog kent. Op allerlei plaatsen in het land zijn de CNS-scholen nog te vinden, van Wouterswoude tot Tholen en allerlei plaatsen ertussenin, zoals Ede en Gouda. Het land werd met een christelijk-nationale regen overdekt, die geestelijk verkwikte en tot zegen strekt. De CNS-school in Wouterswoude vierde in 2024 het 150-jarig jubileum en doet dat nog steeds in de geest van Groen. Over de grote daden van God in onze historie gesproken. Een nieuwe regenbui kwam op in de tijd van Aalders. Ditmaal waren het scholen voor voortgezet onderwijs. Geestverwanten uit verschillende kerken sloegen de handen ineen om reformatorische scholen te stichten. De Gomarus in Gorinchem vierde in 2024 bijvoorbeeld het 50-jarig jubileum. De eerste reformatorische middelbare school was echter de Guido de Bres in Rotterdam-Zuid, opgericht in 1970. De school maakte een stormachtige groei door en zocht een nieuw pand. Op 3 april 1978 mocht dr. Aalders ter gelegenheid van de opening van de nieuwe school een rede houden op de ouderavond. Dat was eigenlijk zijn scheepsdoop.
Het leidde voor mij persoonlijk overigens tot een mooie reflectie op de geschiedenis. Toen Aalders zijn lezing hield, was ik nog niet geboren. Maar toen ik vorige week mijn vader ernaar vroeg, die vanaf de begintijd op de Guido werkte, kon hij zich de avond en zelfs de datum nog levendig herinneren. En nu kan ik via Digibron alsnog naast mijn vader aanschuiven bij de ouderavond en me laven aan tekst en beeld. Het was trouwens ook precies de tijd waarin het boek Theocratie of ideologie verscheen. In beide situaties was de vlag waaronder het onderwijs voer niet onverschillig. In zijn tijd was Groen diep gegriefd door de uitholling van het woord christelijk in de Onderwijswet van 1857, waarbij de wet en de praktijk volgens Groen zelfs een anti-christelijke strekking hadden. Daartegenover plaatste hij de aanduiding christelijknationaal. Hij bedoelde dat in de zin zoals we die in Theocratie of ideologie kunnen lezen: naast het Woord van God moest in de school de historie van onze natie zoals die gestempeld is door de openbaring worden onderwezen. Groen verweet de conservatieven van zijn tijd dat door hun houding zowel het christelijke als het nationale van de volksschool verloren was gegaan. Iets vergelijkbaars was in de tijd van Aalders aan de orde. Naast verschillende reformatorische scholen werd in de jaren ’70 ook het blad De reformatorische school opgericht, dat nog steeds voortbestaat als DRS-magazine. Het is een trekje dat het Reveil en de reformatorische zuilen gemeen lijken te hebben: de enorme geestdrift waarmee organisaties, scholen en tijdschriften uit de grond werden gestampt. In het eerste nummer van DRS, uit 1973, benoemde de redactie dat de etiketten ‘christelijk’, ‘gereformeerd’ en ‘evangelisch’ leeg waren geworden. Het levende Woord van God werd afgevlakt en vervluchtigde met en in de grillen van de tijd. Daarom koos men het woord ‘reformatorisch’, dat de verbinding met de gereformeerde belijdenis in overeenstemming met de Heilige Schrift moest uitdrukken, hoewel vrij snel vooral ook de sociologische betekenis dominant werd. In de tijd van Groen en Aalders was men in en rond de scholen verlegen om herleving, een Réveil. Het ging hen om de zaken van de woorden en daarom zocht men andere woorden voor deze zaken.
De bemanning
Het is raadzaam ook een blik te werpen op de bemanning die voor deze onderwijsschepen werd gemonsterd. In zijn openingsrede voor de Vereniging CNS benoemde Groen uitdrukkelijk de spanningen die er geweest waren onder de antirevolutionairen, namelijk tussen de christelijk-historischen zoals Groen en de ethisch-irenischen zoals ds. J.H. Gunning. De publieke botsing tussen geestverwanten zoals Groen, Heldring en minister Van der Brugghen rond de Onderwijswet van 1857 was hard en schrijnend. Toch bleef Groen enkele jaren later in het belang van de nationale zaak inzetten op samenwerking, die uiteindelijk soms toch mislukte. Iets vergelijkbaars zien we in de tijd van Aalders. Ook toen waren de verschillen tussen kerkelijke richtingen behoorlijk, maar men wilde elkaar toch vinden in de school rond het Woord en in verbondenheid met de belijdenis en de historie, belichaamd door Guido de Bres. Aalders zelf is hiervan wellicht het mooiste symbool. Hij had bepaald niet de achtergrond en kenmerken van een reformatorisch mens in sociologische zin, maar hij genoot toenemende achting in de achterban vanwege zijn inzet om de tijd vanuit het Woord te doorgronden en om geestelijk richting te geven vanuit de belijdenis en de geest van het Réveil. Als vergadering van Vrienden zijn jullie een prachtige uitdrukking van het eendrachtige verlangen naar herleving. De spanningen zijn in de reformatorische hoek van vandaag niet minder geworden. Zelfs de vertaling van het Woord blijkt een splijtzwam geworden. Naarmate de hoofden heter worden, houden we onze harten steeds meer vast.
De koers
Over de koers van het onderwijsschip hebben Groen en Aalders ons niet in het ongewisse gelaten. Het waren immers ongekende veelschrijvers. Naast de vele bekendere geschriften schreef Groen bijvoorbeeld ook allerlei bijdragen en mededelingen voor de Vereniging CNS. En voor Aalders geldt iets vergelijkbaars. In 1980 schreef de redactie van DRS: “Het is zo langzamerhand traditie geworden minstens eenmaal per jaar een bijdrage van Dr. W. Aalders te plaatsen. […] We zijn blij met de principiële, fundamentele maar tevens eenvoudig geschreven bijdrage van onze hooggeleerde medewerker.” Voordat het boek Theocratie of ideologie verscheen, was dit onderwerp in 1976 reeds als lezing in DRS geplaatst. Bij Groen en Aalders zijn de belijdenisformulieren een rode draad in hun denken. Groen was in een intensieve Formulierenstrijd verwikkeld. Als een gemiddelde jongere dat vandaag hoort, denkt hij misschien aan de Toeslagenaffaire, maar u weet dat ik het over de belijdenisformulieren heb. Allereerst speelde de strijd hierover binnen de kerk, maar het werkte ook door binnen het onderwijs. En Aalders hield zijn openingsrede voor de Guido de Bres onder de titel: ‘Hebben de Drie Formulieren van Enigheid onderwijskundige betekenis?’ Voor Groen en Aalders waren de Formulieren een onmisbaar kompas om door het gewoel van de tijd te laveren. Ze beseften namelijk dat de openbaring van God op deze manier richtinggevend weerslag kreeg in het concrete leven van de Kerk op stormachtige momenten. Hoewel ik aan de inhoud van het geloof hier nog even voorbij ga, wil ik wel alvast het volgende kwijt: vanzelfsprekend waren de Formulieren voor hen dus niet allereerst een juridisch document ter ondertekening, maar uitdrukking van het levende geloof dat God op deze manier zijn Kerk op koers houdt door de geschiedenis heen. Daarmee zijn het dus monumenten van historie, die ons bevrijden van de waan van de dag, van de massa en van het individu. Volgens Aalders noopte de ideologische druk van de linkse onderwijsminister Jos van Kemenade in de jaren ’70 tot diepgaande, principiële bezinning op grond van Schrift en belijdenis. Overigens werd in die tijd zelfs door de VVD nog behoorlijk weerwerk geboden tegen de rode injectiespuit waarmee de overheid wilde beïnvloeden, dat was een bondgenoot. Dat lijkt vandaag een beetje minder het geval. Hoe dan ook, zonder bezinning moest, zo zei Aalders, “eerlang het ranke scheepje van de christelijke school in de stormen en branding van deze tijd kapseizen en zinken.”
Beste Vrienden,
Wie geen zeebenen heeft, voelt misschien zo zachtjes aan de behoefte om na het stampen van de schepen en de woelige baren aan land te gaan. Laten we dat dus nog even doen. En met Aalders komen we dan na alle onrust meteen terecht in een heerlijke, rustige gaarde, een hof. Ik hoop dat ik u niet al te zeer verwar met dit nieuwe beeld, maar ik voel me gesteund door Groen om dit toch te doen. Hij stapelde immers op ongekende wijze allerlei beeldspraak op elkaar om zijn punt te maken. Het beeld van de gaarde ontleen ik aan de bijdrage die Aalders in 1980 schreef in DRS. Opvallend genoeg werd juist die bijdrage bij het jubileum van DRS-magazine in 2023 weer op de website geplaatst. Aalders behandelde de betekenis van het vijfde gebod over het gezag in een anti-autoritaire, anarchistische tijd. Volgens Aalders zagen de opstellers van het doopformulier ‘de noodsituatie van het christen-kind in de afvallige, godloze en boze wereld, waarin zij als wrakhout in de grauwe massa van de geestloze ongelovigen dreigen onder te gaan.’ Tegen die achtergrond stelde hij dat opvoeders een gaardenierstaak hebben richting het kind. Gezag, normen en regels bieden een gezegende gaarde voor het kind. In huis en school.
Ik ben er zojuist aan voorbijgegaan, maar wat gebeurt er precies in die gaarde van de school? De boodschap van Groen was constant en overzichtelijk: hij wilde het Woord van God in de school en het vertellen van de nationale historie. Wat daar dan precies met het geloof en het kind gebeurt, krijgt naar mijn indruk niet zoveel woorden. Dat is bij Aalders anders. Op de wat spottende vraag uit algemeen christelijke kring of je uit de belijdenis ook weet hoe je christelijke biologie moet geven, ging hij bloedserieus in door eerst uit te leggen wat kennis is. Kennis is niet iets rationeels, maar heeft iets mystieks. Het is het bekennen uit de Statenvertaling, het is gemeenschap en verbond. Aalders geeft aan dat voor de christen de diepte en de binnenkant belangrijker zijn dan de oppervlakte en de buitenkant. Daarom, zegt Aalders, “ziet de christelijke opvoeding en het christelijk onderwijs het als hun taak om het kind af te brengen van zijn ingeboren ongeestelijke instelling en het te leren de werkelijkheid te benaderen met een rein en eenvoudig oog.” Om biologie, geschiedenis, kosmologie, literatuur en aardrijkskunde te onderwijzen is dichterlijke taal volgens Aalders onmisbaar. Het is overigens opvallend dat Aalders zijn belijdende antwoord tegen het front van de cultuur baseert op de Heidelberger Catechismus. Voor het beantwoorden van de waarheidsvraag verwijst Aalders naar het antwoord dat wij onze ellende kennen uit de wet van God. De wet van God is de grond van al ons kennen, niet het innerlijk van de mens. Vervolgens beroept hij zich op de samenvatting van de wet door de Catechismus, die verwijst naar Christus, waarin het hart vooropgaat. Het hart is het centrum van de mens dat om vervulling roept. Met deze inzet overstijgt Aalders misschien zijn eigen tegenstelling waarmee hij Theocratie of ideologie opent. Groen zou volgens hem de wachter zijn die meer naar buiten gericht was om zich publiek te verantwoorden, passend bij de geest van de Nederlandse geloofsbelijdenis. Kohlbrugge was meer kerkelijk naar binnen gericht, om de gemeente het persoonlijk geloof te onderwijzen, geworteld in het innige karakter van de Catechismus. Aalders laat zelf zien hoe dicht beide toch tegen elkaar kunnen liggen.
Ik heb me na lezing van Aalders nog afgevraagd waarom die gaarde van huis en school voor Groen zo belangrijk was. Dat de nationale historie onderwezen moet worden, kun je bij hem op bijna elke pagina lezen, maar wat staat daarmee nu precies op het spel? Het moet iets te maken hebben met de diepe indruk dat de boze geesten in Europa vrij spel gekregen leken te hebben. Misschien leefde daarbij ook het besef dat de historie van de Kerk weliswaar van Gods kant een onverwoestbare stalen ketting is, maar van menselijke kant een fragiele bloemenslinger. En de boze is er voortdurend op uit schakels te breken, volgens Groen nog het meest als engel van het licht. We zien om ons heen hoe vaak aangrijpend snel, in enkele generatie soms, het geloof en de kerk verdwijnen en het besef van Gods daden uit beeld raakt. Dat onderstreept de verantwoordelijkheid van gaardeniers om kinderen te leren hun hoop op God te stellen en zijn daden niet te vergeten. Als ze God leren vrezen hoeven ze de machten van ongeloof en Revolutie niet meer te vrezen. Als het gaat om pogingen om de ketting te doorbreken door de gaarde te belagen en leeg te roven, denk ik aan drie voorbeelden uit de politiek, de samenleving en het gezinsleven, het een wat opzichtiger dan het ander. Ik kan me nog levendig herinneren dat minister Arie Slob van onderwijs in 2021 de burgerschapswet verdedigde. De minister legde net als al zijn voorgangers uit dat scholen hun overtuiging over homoseksualiteit mogen uitdragen en in een identiteitsverklaring mogen vastleggen. Een hevige mediastorm stak op. Het bleek plotsklaps over met de acceptatie van orthodoxe praktijken. Een dag later werd Slob gedwongen te zeggen dat identiteitsverklaringen die homoseksualiteit afwijzen een brug te ver zijn. De muur rond de gaarde werd van buitenaf verlaagd.
Het tweede voorbeeld laat zien dat de gaarde ook ongemerkt uitgehold wordt. Roxane van Iperen schreef dit jaar een onrustbarend essay over de macht van grote technologiebedrijven. Hun leiders zijn de Nietzcheaanse mensen zoals Aalders die schetst. Die bedrijven zijn inmiddels machtiger dan de overheid, hebben de massa steeds meer in hun macht en verzwakken het morele oordeelsvermogen. Ik citeer kort een conclusie: “De digital natives, zoals mijn kinderen, geboren in deze infrastructuur, zien zichzelf als vrijer dan ooit. Ze beheren hun eigen tijd, kiezen hun eigen nieuws, creeren hun eigen identiteit – denken ze. Maar in werkelijkheid zitten ze net zo vast als de mijnwerkers van weleer. Er zijn alleen geen knokploegen nodig om mensen in het gareel te houden, het scherm volstaat. De landlords van voorheen zijn vervangen door onzichtbare cloud lords.” Binnen onze christelijke scholen worstelen de gaardeniers met deze nieuwe Revolutie.
Het derde voorbeeld richt zich op het gezin. Zou het zo kunnen zijn dat de focus al te sterk op de school ligt en dat we huis en haard te veel verzaken? Als de gaardeniers weinig aanwezig zijn of geen boodschap hebben aan elkaar wordt de bodem van de gaarde schraal. Opvallend is daarbij dat geestelijke bloei juist ook met de kleine dingen van de gemeenschap te maken heeft. De Vlaamse psychiater Peter Adriaenssens zei het volgende: “Het aantal tieners dat zijn eten meeneemt en ergens voor een scherm gaat eten is veel te groot. Het is het meest simpele wat ouders kunnen doen, hè: ervoor zorgen dat je samen aan tafel zit, maar het gebeurt steeds minder. Aan tafel is de plek waar je praat: Hoe was je dag, hoe was die voor papa en mama, wat is er gaande in de wereld?” Zouden we het onderhouden van de huisgaarde niet met veel urgentie meer op waarde moeten schatten? We kunnen een voorbeeld nemen aan Groen, die met zijn vrouw en personeel de dag begon rond de tafel en rond het Woord.
Beste Vrienden,
Na wat ik gezegd heb over Aalders en dichterlijke taal kan ik natuurlijk weinig anders dan mijn bijdrage besluiten met twee stukjes poëzie die passen bij de beelden die ik mijn voordracht heb gebruikt. Met Groen en Aalders belijden we dat leven op een gevloekte aarde. Maar op diezelfde aarde, waar we midden in het leven door de dood zijn omgeven en waar het geloof en de kerk vaak lijken te sterven, bevindt zich ook de hof van het nieuwe leven. We weten de locatie niet meer precies, maar dat deert juist niet. De Opgestane kan zomaar dichterbij zijn dan we denken, hoewel we Hem door onze treurnis en tranen vaak niet meteen opmerken. Ida Gerhardt schrijft in haar gedicht Christus als hovenier:
“En nòg laat ik mijn tranen gaan als in de gaarde ik Hem zie staan, en – wat terzijde – in stille schrik die éne, zij die dacht als ik: Het was de hovenier.”
Ik zou, tot slot, niet weten hoe ik Hollandser kan vertolken hoe God ons gewone leven door de geschiedenis heen drijft dan met woorden van Martinus Nijhof over De moeder de vrouw:
“Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren. Zij was alleen aan dek, zij stond bij ‘t roer, en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren. O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer. Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.”