Foto: Plenaire zaal Eerste kamer, Rijksvastgoedbedrijf / Corné Bastiaansen (CC0, via Wikimedia Commons)
Als u dit leest, zal waarschijnlijk in de Eerste Kamer de wet op de conversie zijn aangenomen. De wet verbiedt pastores of kerkelijke gemeenten stelselmatig en indringend te werken aan conversie (verandering van seksuele oriëntatie) van homofiele personen. In eerste instantie bevatte de wet de beide woorden ‘stelselmatig’ en ‘indringend’ niet. De Raad van State had bezwaar gemaakt tegen de eerste versie van de wet, onder meer omdat daarin de vrijheid op geestelijk/pastoraal gebied in het gedrang kwam. [1] Aan dit bezwaar is door het invoegen van beide woorden, volgens de regering, tegemoetgekomen.
Wat van deze wet te denken?
Laat me daarop mogen antwoorden als iemand die inmiddels meer dan veertig jaar pastoraal werk verricht. Het is tijdens mijn predikantschap niet voorgekomen dat iemand me vroeg om te bidden om een verandering van seksuele gevoelens. Natuurlijk heb ik wel zo nu en dan gesproken met christenen die homoseksuele gevoelens hadden, ook in pastorale zin. Maar stel dat iemand (bijv. een jongeman) mij had gevraagd om te bidden om van zijn seksuele gevoelens af te komen, omdat hij in gewetensnood verkeerde – hoe zou ik geantwoord hebben? Ik vermoed in de volgende trant:
- Ik stel het erg op prijs dat je er bent, dat je me weet te vinden en zo eerlijk met me praat.
- Jij bent niet de enige die last heeft van gewetensproblemen die samenhangen met het seksuele. Dat is een algemeen probleem. Maak het wat dat betreft niet te bijzonder. Vaak moet ik denken aan Maarten Luther, die ooit zei: dat bepaalde gedachten bij je opkomen, daar kun je weinig aan doen; dat ze postvatten bij je en dat je erop doorgaat en er consequenties aan verbindt, daar kun je wél wat aan doen. Of, zoals hij het zei: ‘Dat er vogels om je hoofd fladderen, daar kun je niets aan veranderen, maar je kunt er wel voor zorgen dat ze niet op je hoofd gaan nestelen.’
- Je vraagt me te bidden om verandering. Dat wil ik wel doen, maar let wel, Christus zei ooit met betrekking tot het seksuele: ‘Er zijn er die vanaf de moederschoot gesneden zijn (…) en er zijn er die zichzelf hebben gesneden voor het Koninkrijk der hemelen.’ [2] Hij bedoelde: er zijn mensen die vanaf hun geboorte niet zo gebouwd zijn dat ze voor een huwelijk zijn bestemd. Het kan zijn dat je vanwege je constitutie niet geschikt bent voor een huwelijk, zoals Israël en alle volken dat tot voor kort exclusief kenden – een huwelijk tussen man en vrouw. Jezus bedoelde met hen die ‘zichzelf gesneden hebben’ degenen die zich, om het Koninkrijk van God in te gaan, onthouden van seksuele omgang. Die zijn er geweest, zowel mensen met een heteroseksuele instelling als met een homoseksuele instelling. Dit gold ook mensen die getrouwd waren en die zich geheel van seksueel verkeer onthielden, omdat hun man of vrouw (bijvoorbeeld door ziekte) daar niet toe in staat was. Het is heel knap als je dat kunt. Christus zal je erom zegenen. Daar kun je van opaan.
- Wij leven in een cultuur waarin het seksuele zoveel nadruk krijgt — alsof het het enige is dat telt. Ooit leefde men wat dat betreft anders.
- In de Bijbel lees je van sommigen die christen werden en voor die tijd als homoseksueel omgang hadden met mensen van hetzelfde geslacht. Ze stopten daarmee. Paulus zegt dat in 1 Korintiërs 6 vers 11: ‘en zo waren sommigen van u.’ [3] Wellicht vond er bij hen daadwerkelijk ook wat seksuele oriëntatie betreft een verandering plaats. Hoe dan ook: de Here Christus is machtig en Hij heeft ook invloed op wat er in ons omgaat.
- Dan wil ik je nog dit zeggen: hoe het ook met je gaat en wat er ook in je leven voorvalt, je bent altijd welkom voor een gesprek. Ook als we het niet met elkaar eens zouden zijn, voel je vrij en weet dat de pastorie voor je openstaat
Een open pastoraal gesprek wordt onmogelijk
In deze trant zou ik mijn gespreksgenoot te woord staan. Nu echter, als deze wet er doorheen is gekomen, zou ik op mijn hoede zijn. Ik zou tijdens het gesprek voortdurend denken: ‘Pas op, let op je tellen. Wat gaat hij met je woorden doen? Zal hij wat ik zeg goed opnemen? Zal hij mijn woorden ooit gaan aandikken of verdraaien en me voor het gerecht dagen? Voor ik het weet, oefen ik (in zijn beleving) druk uit en maak ik misbruik van een ongelijkwaardige machtsverhouding.’
Zulke overwegingen hebben ongetwijfeld een chilling effect op het gesprek, ook op een gesprek dat de wetgever niet verbiedt. Want: de grenzen die de wet aangeeft (‘stelselmatig’ en ‘indringend’) zijn juridisch vaag. Om die reden zou ik constant op mijn hoede zijn en heel goed peilen wie ik tegenover me heb. En iemand die ik niet kende (ik heb meerdere keren onverwacht mensen over de drempel gehad die ik volstrekt niet kende) zou ik niet snel vertrouwen. Het doet me denken aan een inmiddels overleden vriend van me uit de toenmalige DDR. Hij moest in de omgang met mensen voortdurend op zijn qui-vive zijn. Iemand kon hem zomaar in de val laten lopen en bij de Stasi aangeven. En vooral: wát te denken als de denkbeeldige jongeman na een maand opnieuw om een gesprek (en een gebed!) zou vragen?! Zou dat onder het woord ‘stelselmatig’ vallen?
De conclusie kan niet anders zijn dan dat een open gesprek bijna niet mogelijk is. Nu zullen belangengroepen dit belemmerende effect van de wetgeving juist toejuichen: een predikant met wie ze het niet eens zijn wordt voorzichtig en ‘zet mensen niet langer onder druk’! Daar staat wèl iets tegenover. Want wat doet de wetgeving met de jongeman die me om raad vraagt? Ook hij zal van de wetgeving afweten. Hoe zou hij zijn pastor kunnen overtuigen van zijn goede en oprechte intenties? Het zou hem tegelijk juist ook kunnen belemmeren om zijn vragen vrijmoedig bij me neer te leggen, al was het maar om zijn predikant niet in moeilijkheden te brengen. Daarbij zou hij weten dat hetgeen hij vraagt (een gebed) juridisch gezien riskant is. Een en ander maakt duidelijk dat de overheid zich met de wetgeving op het terrein van zijn geweten begeeft en de persoon in kwestie zwaar onrecht aandoet. Hij kan moeilijk zichzelf meer zijn en niet in alle openheid met een predikant spreken.
De overheid overschrijdt haar bevoegdheid
De overheid bemoeit zich dus met pastoraat. De vraag is of ze daarmee haar bevoegdheid niet op een ernstige manier overschrijdt. Dát de overheid zich op dit terrein begeeft, is in sommige gevallen begrijpelijk. Maar het moet dan gaan over heel ingrijpende kwesties. Ik herinner me hoe een hoogleraar pastorale theologie ons als studenten vertelde van een predikant uit Rotterdam die in de jaren zeventig wist wie de moordenaar was van een meisje. De misdadiger had het hem beleden. Hij gaf zichzelf echter niet aan, hoewel de dominee daarop had aandrongen. Moest de predikant hem om die reden aan gaan geven? Hij deed het niet en leefde na de biecht met een geweldige last: de familie van het meisje, die wat haar dood betreft in het duister tastte; het gerecht dat de misdadiger zocht; het geschokte rechtsgevoel in Nederland (een brute moord kwam toen uiterst zelden voor); de kans op herhaling – het ging allemaal door hem heen. Maar ook: was hij strafbaar of niet? De hoogleraar onderstreepte ermee hoe zwaar het ambtsgeheim weegt. Het voorbeeld laat uitkomen hoe geladen een onderwerp moet zijn, wil de wetgever zich met pastoraat bemoeien. Uiterste voorzichtigheid is hier op zijn plaats. [4]
Maar men zal aanvoeren: ‘Er is in kerken en religieuze groeperingen soms sprake van een grote groepsdruk; het is aantoonbaar dat sommige voorgangers onverantwoord omgaan met iemand die lijdt onder zijn homoseksuele gevoelens’. Dat kan waar zijn – echter, als de overheid zich geroepen voelt om álle uitwassen uit te bannen (als dat al op haar terrein ligt), is de willekeur die met de conversiewet naar voren komt, nog schrijnender. Want waarom doet ze geen onderzoek naar het uithuwelijken van vrouwen in bepaalde kringen in de moslimcultuur? Weliswaar is er in 2015 een wet aangenomen tegen onvrijwillige huwelijken, maar die heeft nog niet tot één veroordeling geleid. De vraag is gerechtvaardigd of die wet niet meer bedoeld was als signaal dan als handhavingsinstrument. Het laat zich aanzien dat de zaken bij de conversiewet anders liggen. De wetgeving heeft te maken met een kwestie die zowel in de politiek als in de samenleving sterk leeft en ideologisch gekleurd is, wat wel blijkt uit het feit dat de overheid van plan is een publiciteitscampagne op te zetten om bekendheid te geven aan deze wet.
Een ideologisch gemotiveerde selectiviteit
Het blijkt ook uit het volgende. Als de overheid echt begaan is met het welzijn van de mensen, waarom dan niet veel meer aandacht gegeven aan het enorme leed dat veroorzaakt wordt door drugs en alcohol – niet alleen bij degenen die deze gebruiken, maar ook bij de slachtoffers die ze door roekeloos rijgedrag maken? Waarom worden er, als men toch in de persoonlijke levenssfeer treedt, geen campagnes gevoerd tegen het kijken naar porno – dat geesten verziekt en een enorm negatieve invloed heeft op de omgang van mannen met vrouwen en meisjes? Waarom wordt de noodklok niet geluid waar het de mentale gezondheid van ons land betreft, waar in toenemende mate sprake is van geweld? En als het gaat om moderne jongeren: waarom geen campagne tegen echtscheidingen, waar kinderen zwaar onder te lijden hebben? Waarom wordt over deze dingen in de Tweede Kamer zelden gesproken?
Het antwoord kan niet anders zijn dan dat voor de meeste politieke partijen de autonomie van de persoon heilig is – heiliger dan welke orde ook die met de schepping (de realiteit) gegeven is. Men treedt niet in de persoonlijke levenssfeer. Des te opvallender dat in het bovengenoemde geval dit wél gebeurt: een open pastoraal gesprek van hart tot hart komt onder grote druk te staan! Zo wordt de autonomie van de persoon in kwestie in het gedrang gebracht door een heteronome opvatting en door mensen die zeggen op te komen voor autonomie!
Conclusie: geweten en wet
Kortom, de wetgever overschrijdt zijn grenzen door zich te bemoeien met het geweten van mensen die zich willen richten naar de Bijbel, en door te treden op het gebied van het pastoraat. Bovendien laat hij zich, tot in de wetgeving toe, leiden door de geest van de tijd en door een ideologisch getinte wereldopvatting. De verstandige christen zal, gelet op de wetgeving, zich wel zo weten te gedragen dat hij niet zomaar voor het gerecht komt. Maar hij voelt wel aan dat het moment steeds dichterbij komt dat hij tegenover de eigen overheid kan komen te staan en genoodzaakt kan worden zich dáárop te beroepen dat men God meer gehoorzaam moet zijn dan de mensen. [5] Dat een dergelijk beginsel bestaat is iets wat ideologisch gedreven mensen, partijen en instanties maar moeilijk kunnen verkroppen. Rousseau – de man van de democratie zoals onder andere D66 die verstaat – bracht ooit onder woorden dat een transcendente God en de maatstaf van de ‘algemene wil’ (lees: de meerderheid, die volgens hem altijd gelijk heeft) zich ten principale niet verdragen. [6] Dit beginsel wordt ook in de samenleving minder en minder begrepen. Des te belangrijker is het er vrijmoedig (en verstandig) voor uit en op te komen.
De christen die dat doet weet zich gesterkt door het feit dat hij in het spoor gaat van zoveel broeders en zusters uit de vroege kerk. Hij gaat ook in het spoor van Luther, Calvijn, Pascal, Hamann, Kierkegaard, Burke en Groen van Prinsterer, die rekenschap wisten af te leggen van hun geloof en juist zo de Kerk van Christus èn de wereld hebben gediend. Want juist zo waren zij wat Jezus noemt ‘het zout der aarde’.
Bronvermelding
- De Raad van State had ernstige bezwaren en kende het wetsvoorstel dictum C toe. Dat betekent dat de Raad adviseerde het voorstel niet in te dienen tenzij het ingrijpend wordt gewijzigd. Dictum C houdt in dat er fundamentele bezwaren zijn, bijvoorbeeld op het gebied van rechtmatigheid, uitvoerbaarheid, of interne inconsistentie. Het verweer van de indieners tegen de bezwaren lijkt mij uiterst zwak. Zie daarvoor: Raad van State https://www.raadvanstate.nl/adviezen/@133311/w16-22-0200-ii/
- Mattheus 19: 12.
- 1 Korintiërs 6:11. De volledige zin luidt: ‘En sommigen van u zijn dat geweest, maar u bent gereinigd, u bent geheiligd, u bent rechtvaardig verklaard in de naam van de Heer Jezus Christus en door de Geest van onze God.'
- Voor een afgewogen behandeling van het zgn. verschoningsrecht dat met het ambt is gegeven, zie Jacques Schenderling, Beroepsethiek voor Pastores, Budel 2008, hfdst.6
- Vgl. Handelingen 5:29: ‘Men moet God meer gehoorzamen dan mensen.’
- Zie J.-J. Rousseau, Du contrat social (1762), met name boek IV, hoofdstuk 8 (‘De la religion civile’), waar Rousseau betoogt dat het christendom, met zijn loyaliteit aan een hogere instantie dan de staat, onverenigbaar is met de eisen van de ‘volonté générale’.