Vorige week vond ik in mijn papieren enkele aantekeningen  die ik maakte tijdens een gesprek dat ik in december 2000  had met Martin Hengel. Het gesprek vond plaats bij hem  thuis in Tübingen. Tijdens het gesprek kwamen ondermeer  de boeken van dr. Aalders ter sprake. Ik geef het gesprek zo  letterlijk mogelijk in een vertaling uit het Duits weer, in de  hoop dat de lezer (vooral de theologisch geïnteresseerden,  predikanten en studenten) er iets aan hebben. Wat cursief  staat zijn mijn woorden. Wat niet cursief is afgedrukt is van  Martin Hengel.

Kort geleden is er een nieuw boek van me verschenen bij  SCM Press, The four Gospels and the One Gospel. Op het  ogenblik werk ik aan een boek over Paulus en Jacobus en  wanneer God het wil, want ik moet rekening houden met  mijn leeftijd, hoop ik nog een boek te schrijven over de  christologie.  In de afgelopen jaren heb ik veel gepubliceerd, ondermeer  het boek over het Johannes-Evangelie: Die johanneische  Frage.

Vroege contacten tussen het Jodendom en  het Griekse denken

De ontmoeting tussen Joden en hellenisten was er één zoals  er nooit een tweede meer geweest is, zowel positief als negatief,  in aantrekking en afstoting. Het is bepalend geweest  voor de identiteit van het Jodendom. De ontmoeting vond  heel indringend plaats, zoals nooit eerder het geval was. Zij  heeft ook vrucht gehad, want dankzij deze ontmoeting is het  christendom een wereldreligie geworden.  Al vóór Alexander de Grote was er in allerlei vorm reeds  contact tussen de Grieken en de Joden, dankzij de Feniciërs.  Zij hebben altijd waardering gehad voor de Joden. En ook  de Perzen hebben de Joden een warm hart toegedragen,  omdat ze in één God geloofden. Zij stonden niet vijandig  tegenover de Joden. Al aan het begin van de Diaspora  waren er contacten.

De Septuaginta en de apocalyptische Christus

Ik haalde het boek van dr. Aalders aan: ‘De Septuaginta, brug tussen Jodendom en christendom’. Maar dat is het. Ja, daar ligt de brug, dat heb ik ook gezegd! Kent u mijn geschrift over de Septuagint? Ik wees op het nieuwste boek van dr. Aalders, ‘De apocalyptische Christus’, waarin Aalders laat zien dat het heil van God al op deze wereld in Christus doorgebroken is. Maar dat is wonderlijk. Ook dat is mijn stelling. Ja werkelijk, dat is mijn stelling: het oerchristendom is het hoogtepunt van de Joodse apocalyptiek, omdat het gekomen is! En omdat het eschatologische heil nu is! Men moet zeggen dat in wat gekomen en aanwezig is, het einde van de apocalyptiek ligt. Aan de ene kant is het de apocalyptiek tot een hoogetpunt gekomen, aan de andere kant is zij tot rust gekomen. Dat kan men zien bij Johannes.

Het gesprek kwam op de vaak veronderstelde tegenstelling tussen het Jodendom en de Griekse cultuur. Als een Jood de werken van Xenophanes over wie God is, las, bijvoorbeeld dat God ‘één’ is (‘heis Theos’ – er is slechts één God) heeft hij ongetwijfeld uitgeroepen: ‘Maar deze is ditmaal vlees van mijn vlees en been van mijn gebeente’, zoals Adam uitriep toen hij Eva zag. En de vonken zijn eraf gesprongen! Een dergelijke Joodse man zou zeggen: ‘Dat is zoals Mozes zegt: ‘Shema Israel, adonai elohim adonai èchad’’ (‘Hoor Israël, de Here uw God, de Here is één’). Hij moest wel zeggen: ‘Plato heeft Mozes gekend.’ Deze ontmoeting van culturen is de belangrijkste geweest in de antieke wereld. Ze heeft het avondland (Europa) gestempeld. Wie Xenophanes leest, wordt gedwongen aan het Jodendom te denken, aan de God van Israël. Ja de vonken zijn eraf gesprongen. En dat gebeurt nog steeds, tot op de dag van vandaag. En, ach, wij maken een periode mee, waarin het donker wordt, maar dat zal voorbij gaan. Man kan niet aan de feiten voorbij gaan. Hier ligt de hoeksteen van onze cultuur. Dit heeft het avondland gestempeld.

Het gesprek kwam op bijbelkritiek in de studie theologie en de angst daarvoor. Daar kan ik over meepraten: de vrees voor de bijbelkritiek. Enkele weken geleden nog maar heb ik gesproken met enige fundamentalistisch ingestelde christenen. Toen heb ik tegen hen gezegd: dat is niet goed van jullie. Men hoeft geen angst te hebben voor de bijbelkritiek. ‘In de liefde is geen vrees’, zoals de Bijbel zegt. Bijbelcritici zijn vaak heel erg a-historisch. Bultmann was een grote geleerde, maar hij was een slechte historicus! Men hoeft er geen angst voor te hebben. Men moet de werken van hen lezen en hen met de eigen wapens verslaan!

Het gesprek ging vervolgens over het gebruik van de Griekse taal in Palestina De bronnen daarover zijn heel erg versplinterd. Wat men ongeveer kan weten is het volgende: Josephus heeft in Jeruzalem de Griekse taal geleerd. Kent u het boek van Eupolemus? Hij schreef Grieks in de tijd van de Maccabeeën! Het onderwijs van de Hasmoneeën was in het Grieks. De zonen van Herodes moeten het Grieks toch gekend hebben! Er moet een Griekse school geweest zijn in Jeruzalem. Er was in Jeruzalem een hellenistische stroming, maar dat is na 70 na Christus allemaal de kop in gedrukt. Van de grafopschriften heb ik de cijfers genoemd in mijn boek Jerusalem als jüdische und hellenistische Stadt (blz. 146): ongeveer 39 % van de grafopschriften (ossuaria) hebben ofwel een Griekse inscriptie ofwel een inscriptie in twee talen: het Aramees en het Grieks. Er zijn zoveel Griekse inscripties op deze grafstenen, waarop men kan lezen dat men de opstanding verwachtte. Het is hetzelfde als met het Engels vandaag de dag. De Griekse taal was eenvoudigweg de lingua franca, ook in Israël. Het gesprek kwam op Pinksteren en de hellenisten in de eerste christelijke gemeente in Jeruzalem. Het Pinksterfeest moet men zo zien: het was het stadium waarop de uitverkorenen die gelegenheid hadden om aan heel Israël de opstanding te verkondigen. De hellenisten waren al zeer vroeg voor het Evangelie ingewonnen. Er waren veel Griekssprekende Joden, Joden uit de Diaspora, die twee talen spraken. Na het Pinksterfeest hadden zij een eigen gemeente, de hellenistische gemeente in Jeruzalem, eenvoudigweg omdat zij het Aramees niet begrepen. Om die reden hadden zij behoefte aan een eigen eredienst. Al in het Evangelie leest men van mensen die Jezus volgden, die alleen Grieks spraken. Ze hadden sympathie voor zijn boodschap, voor zover ze die kenden. Men leest dat zij een ontmoeting zochten met Jezus en dat zij, om die tot stand te brengen, contact zochten met Filippus en de broer van Petrus, Andreas, de twee discipelen die Griekse namen hadden. Met dit milieu is Paulus bekend geweest.

Deze Grieks sprekende Joden zijn meer dan de anderen voorbereid geweest op wat kwam. Maar er was één probleem: het waren meestal stadsmensen. De Aramees sprekende volgelingen waren bewoners van het land, boeren, landlieden. De eersten hadden een betere vorming genoten. Zij kenden de wereld en hadden contacten in de Diaspora. Filippus was zo iemand. Hij ging naar Antiochië.

De taak van de predikanten nu. Ja, het is onze taak er zorg voor te dragen dat we de christenen afhelpen van de angst om deze dingen te onderzoeken. Dat kon wel eens uw roeping zijn. En daarbij ook dit, om velen met deze dingen bekend te maken. Het maakt me dankbaar van dr. Aalders te horen. Groet hem van mij, het spijt me dat ik hem niet ken. Het is belangrijk dat er zulke mensen zijn, die zich breed oriënteren. De theologen van vandaag zijn jammer genoeg vaak alleen maar specialisten, ze zijn slechts thuis op één terrein. Dat is een groot gebrek in onze kerken.

x

x

Noot 1
Martin Hengel leefde van 1926 tot 2009. Hij was een van de belangrijkste nieuwtestamentici van de 20e eeuw. Door zijn boek Judentum und Hellenismus (1969) kwam de studie van het Nieuwe Testament in een nieuw vaarwater. Hij bestreed Bultman door aan te tonen dat deze in zijn uitleg van het Nieuwe Testament onhistorisch te werk ging. Martin Hengel had en heeft wereldwijd invloed, ondermeer dank zij zijn vele leerlingen.

1803-1875

dr. H. F. Kohlbrugge

"Predikant Elberfeld"