Terug naar Ecclesianet.nl

Verborgen omgang

Drs. J.G. Barnhoorn, eccclesia nr. 21, september 2002

N.a.v. Dr. A. de Reuver, Verborgen Omgang. Sporen van spiritualiteit in Middeleeuwen en Nadere Reformatie

In dit fraai uitgegeven boek 1* laat Dr A. de Reuver (als bijzonder hoogleraar vanwege de Gereformeerde Bond aan de Utrechtse Universiteit verbonden) ons kennismaken met een zevental godgeleerden van naam uit verschillende perioden van de kerkgeschiedenis, en wel met de Middeleeuwse vromen Bernardus van Clairvaux (1090 - 1153) en Thomas à Kempis (1379/'80 - 1471) en met een vijftal vertegenwoordigers van het Protestantse Piëtisme, te weten: Willem Teellinck (1579 - 1629), wel de vader van de Nadere Reformatie genoemd, Theodorus à Brakel (1608 - 1669), Guiljelmus Saldenus (1627 -1694), Wilhelmus à Brakel (1635 - 1711) en Herman Witsius (1636 - 1708).

Teloorgang
Waarom eigenlijk een boek als dit toegevoegd aan de stroom van publicaties, die in de laatste decennia althans aan de Nadere Reformatie zijn gewijd? Men kan toch rustig stellen, dat wie van de werken der "oude schrijvers" kennis wil nemen, tegenwoordig ruimschoots aan zijn trekken kan komen 2*. Het antwoord, door De Reuver op deze vraag gegeven, is tweeledig. In de eerste plaats wil hij ons laten zien, dat de vromen uit de tijd van het zeventiende-eeuwse Piëtisme een sterke verwantschap vertonen met hun Middeleeuwse voorgangers. Mensen als Teellinck - door niemand minder dan Voetius "eenen tweeden Thomas à Kempis (doch ghereformeerden") genoemd - hebben zich, de één meer, de ander minder, in een Bernard van Clairvaux en een Thomas à Kempis herkend. En het is een goede zaak, dat dit nog eens geaccentueerd wordt. Daarnaast echter heeft een andere, meer practische overweging De Reuver tot het schrijven van dit boek gebracht. Hij blijkt met zijn publicatie een therapeutische bedoeling te hebben. Een intentie, die door hemzelf in de inleiding wordt vertolkt, wanneer hij zegt de indruk te hebben, dat "een van de ernstigste symptomen van de huidige crisis in kerk en cultuur is gelegen in de toenemende teloorgang van de verborgen omgang met God, en dat een hernieuwde beoefening daarvan geneeskracht in zich bergt" (pag. 12). Een opmerking, waarmee hij ongetwijfeld in de roos schiet. "Gods verborgen omgang vinden zielen, waar zijn vrees in woont" (Psalm 25 : 7). Hoe vaak wordt dit de dichter ook nú nog nagezegd, nagezòngen. Maar de polsslag van de tijd, waarin wij leven, is zó gejaagd, dat men - en dit geldt niet in de laatste plaats voor de kringen, waarin de "oude schrijvers" althans in naam nog steeds in ere gehouden worden - vandaag de dag niet of nauwelijks meer aan de "verborgen omgang" met de God van het Verbond toekomt, althans zeker niet in díe mate, waarin dit voorheen het geval was. Men kan dan ook niet zeggen, dat De Reuver, wanneer hij het woord "teloorgang" bezigt, zich aan overdrijving schuldig maakt.
Deze teloorgang is als met de handen te tasten. Vandaar, dat de schrijver van de kennismaking met de figuren, door hem voor het voetlicht gebracht, een genezende werking verwacht: een werking, die ons de "verborgenheid des Heeren" dichterbij brengt, waardoor ons leven alleen maar aan diepgang winnen kan.

Nu kan men hiertegen inbrengen, dat de "praxis pietatis" van bij voorbeeld een Theodorus à Brakel wel heel ver van ons afstaat. Wanneer men in De Trappen des Geestelyken Levens leest, hoeveel tijd hij dagelijks, of liever: overdag èn in de nachtelijke uren, voor meditatie en gebed uittrok, dan realiseert men zich, dat deze bij uitstek vrome man in een volkomen andere tijd leefde dan wij. De Reuver spreekt zelfs van een "rigide observantie", die, voor de zeventiende eeuw reeds van uitzonderlijk gehalte, voor onze tijd zonder meer "te hoog gegrepen" is. Maar terecht laat hij hierop volgen: "Wat echter wèl haalbaar is en ... wat navolging verdient, is dat een christenmens zich van dag tot dag op gezette tijden terugtrekt uit het meervoud van het leven, om heen te trekken naar de eenvoud van de intimiteit met God. Dergelijke solitaire uren staan de christelijke solidariteit niet in de weg, maar bevruchten haar" (pag. 191). Een aansporing, die ons uit het hart gegrepen is.

Verrijking
Nu is de verleiding groot, her en der uit dit mooie boek te gaan citeren. Maar waar zal men beginnen, waar eindigen? De keuze uit de geschriften van de hier besproken figuren verraadt een grote mate van zorgvuldigheid, die het bezwaarlijk maakt, bepaalde passages eruit te lichten. En daarom neme men zelf het boek ter hand, niet om het vluchtig door te bladeren, maar om het aandachtig te gaan lezen. Wellicht verdient het aanbeveling, dit in het kader van de voorbereiding voor de zondag te doen. Verontschuldigt u zich niet door u te beroepen op de Prediker, die "veel doorvorsen" als een afmattende bezigheid karakteriseert (12 : 12). Mij dunkt, had hij in onze tijd geleefd, dan zou hij veeleer onze vele, vaak verre van inhoudrijke, visites met dit oordeel gevonnist hebben. En toch: op visite gaan? Waarom eigenlijk niet? Wat let u? Bernard en Thomas van Kempen, vader en zoon à Brakel, Teellinck, Saldenus en Witsius wachten u. Zij zien zelfs verlangend naar uw komst uit. Verloren uren kunnen het nooit worden. Integendeel, "een afzonderinge van alle gezelschap van menschen voor een tijdt, om zich te ernstiger ende te vryer uyt te laten in Godtzoekende oeffeningen" (Wilhelmus à Brakel) kan alleen naar mijn stellige overtuiging maar een verrijking betekenen.

Kanttekening
Houdt deze lofrede nu in, dat De Reuvers fraaie pennevrucht - men vergeve mij de oude spelling van dit woord: de nieuwe schrijfwijze van woorden als deze is mij een gruwel - in het geheel geen vragen bij mij heeft opgeroepen? Nee, dat betekent het niet: ik zou wel degelijk enkele critische vragen willen stellen. Maar om deze bespreking niet al te zeer te laten uitdijen beperk ik mij tot het plaatsen van een enkele opmerking, die de verwantschap tussen de in dit boek geschetste Middeleeuwse vromen en hun broeders uit de Nadere Reformatie betreft. Hoewel ik De Reuver bijval, wanneer hij opmerkt, dat men niet zelden de Reformatie en de Nadere Reformatie tegen elkaar heeft uitgespeeld (pag. 13) en dat het niet aangaat te stellen, dat de vroomheid van de Nadere Reformatie "een terugval in de rooms-katholieke spiritualiteit zou behelzen, waarbij het erfgoed van de Reformatie verkwanseld zou zijn" (pag. 274), vraag ik mij af, of de kanttekeningen (niet minder dan zeven!), door hemzèlf naar aanleiding van Thomas' Imitatio gemaakt, niet dèrmate critisch zijn, dat de door hem gesignaleerde congenialiteit tussen de man uit Kempen en de Nadere Reformatie hem méér zorgen zou moeten baren dan in zijn boek naar voren komt. Ik denk hierbij vooral aan hetgeen hij over Thomas' christologie opmerkt, waarin, zoals hij zegt, "de satisfactorische betekenis van Christus sterk wordt overheerst door het exemplarische gezichtspunt" (pag. 92).
Hij spreekt hier zelfs van "een reductie van het bijbelse getuigenis omtrent de genoegzaamheid van Christus' verzoeningswerk" en zegt dan", verwijzend naar hetgeen jaren geleden door de Groningse hoogleraar Isaäc van Dijk 3* is opgemerkt: "Op dit cruciale punt stelt hij veelal teleur" (pag. 92).
Daarnaast vestigt De Reuver er de aandacht op, dat vergeleken met de heiliging de rechtvaardiging er in de Navolging 4* bekaaid afkomt , dat de liefde het hier wint van het geloof en dat de aandacht voor (het werk van) de Heilige Geest minimaal is, terwijl ook de sterk wettische instelling van A Kempis vragen bij hem oproept.
Al met al bedenkingen, die, zoals ik reeds heb opgemerkt, mijns inziens alleszins aanleiding geven, de verwantschap tussen Thomas en de Nadere Reformatie, nee, niet met een zwarte kool te tekenen, maar wel wat minder onschuldig voor te stellen. En wat te denken van Bernardus? Staat deze niet (nog) verder van de Reformatie af dan de man uit Kempen, ondanks de grote bewondering, die deze voor de abt van Clairvaux ("devotissimus Bernardus"!) koestert? Gaat de laatste - en in navolging van hem iemand als Theodorus à Brakel *5 - met zijn uitzonderlijk sterke nadruk op het gevoel - de ervaring, de genade, de gemeenschap dienen "gevoeld" te worden - niet ontegenzeggelijk over de schreef? Komt, om met Haitjema te spreken, het "geloofscritische" gezichtspunt, dat hem vooral in iemand als Kohlbrugge zo weldadig aandoet, hier niet erg in het gedrang? Is de "affectieve liefde", die, zoals De Reuver zelf opmerkt, bij iemand als Willem Teellinck "nogal eens domineert" (pag. 154), niet een ernstige bedreiging voor het "sola fide" van de Reformatie, dat zo vast in het "sola Scriptura" 6* verankerd is?
Nu ben ik mij er weliswaar terdege van bewust, dat mensen als Theodorus à Brakel, wanneer zij over het "gevoelen" van Gods aanwezigheid spreken, niet nalaten, ja, zich zelfs haasten, hun lezers c.q. hoorders moed in te spreken door hun voor te houden, dat zij, wanneer hunzèlf deze ervaring (nog) niet ten deel gevallen is, vooral niet moeten wanhopen. Maar dit neemt niet weg, dat het gevaar voor overwaardering van het gevoel ten koste van het geloof zich hier mijns inziens levensgroot manifesteert, waardoor men, tot schade van zijn ziel, wordt afgetrokken van het Woord - het énige kompas, dat voluit betrouwbaar is - en te enen male vreemd blijft aan de notie van het geloof als een varen op een zee van zeventigduizend vademen diepte, om met Kirkegaard te spreken.

Levensheiliging
Overigens zou ik het zelf voor A Kempis willen opnemen, wanneer hij sterke nadruk legt op de heiliging.
Een boek, dat tot navolging oproept, maakt het, naar mijn inschatting, zonder meer tot een "must", voor het christelijke léven aandacht te vragen. En dat dit bij Thomas ten koste van de rechtvaardiging gaat, dat hij "neigt tot een reductie van het bijbelse getuigenis omtrent de genoegzaamheid van Christus' verzoeningswerk", - is dit wel vol te houden, wanneer men tevens erkent, dat dit "allerminst betekent dat hij de beslissende waarde van Christus' middelaarschap en offerande zou ontkennen" (pag. 92)? Houdt dit geen innerlijke tegenstrijdigheid in?
Daar komt nog bij, dat, zoals de schrijver ons uitlegt, de navolging voor A Kempis geen "uitwendig nabootsen" betekent, maar dat zij een zaak van het innerlijk behelst, een zich verdiepen in het leven van Christus, en wel in het bijzonder in diens lijden: "Houdt het beeld van de Gekruisigde voor ogen" (pag. 70). Een vermaning, die mijns inziens de rechtvaardiging als vóóronderstelling van de heiliging, anders gezegd: als de bron, waaruit de heiliging opwelt, zonder meer impliceert. En dit spoort toch ten volle met de opbouw van de brieven van Paulus, waarin steeds na een uiteenzetting over het heil het léven uit het heil de volle aandacht krijgt. Vgl. b.v.: "Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods ..." (Romeinen 12 : 1). Een oproep, die aanspoort tot een zuivere balans tussen leer en leven. En er is alle reden, zich af te vragen, of één van de hoofd-oorzaken van de teloorgang op het kerkelijk erf niet híerin is gelegen, dat er in de loop der eeuwen ook in het Gereformeerd Protestantisme van dit evenwicht beschamend weinig te zien geweest is.

Nihiliteit
In dit verband zou ik ook nog op het door De Reuver gesmede begrip "nihiliteit" willen wijzen. Op pag. 75 van zijn boek lezen wij, dat A Kempis, wanneer hij een blik op Gods "afgrondelijke oordelen" slaat, zich realiseert, dat hij "niets en (nog eens) niets" (nihil et nihil) is. Een besef, dat De Reuver als vanzelf aan de vijf "nieten" uit Het innige Christendom van Schortinghuis doet denken: ik wil niet, ik kan niet, ik weet niet, ik heb niet, ik deug niet. Verkeren wij hier, zo zou ik willen vragen, niet in gevaarlijk vaarwater? Heeft Dr. J.C. Kromsigt in zijn dissertatie niet overtuigend aangetoond, dat Schortinghuis door zijn instelling een verlammende invloed op het kerkelijk leven in zijn gemeente heeft uitgeoefend? Tot zover onze critische kanttekening, die, hoe serieus ook gemeend, niets afdoet van onze grote waardering voor het mooie boek, dat, enkele stilistische onvolkomenheden daargelaten, alleszins waard is, gelezen èn herlezen te worden, te meer waar het vanuit een sterke betrokkenheid is geschreven. Broeder Arie, hartelijk dank. Dit smaakt naar meer, om met ons beider leermeester Dr. S. van der Linde te spreken.

1* Een uitgave van Boekencentrum (Zoetermeer). ISBN: 90-239-0994-1. Prijs: Euro 29,50.
2* Afgezien van het respectabel aantal publicaties in boekvorm, aan de Nadere Reformatie gewijd, denk ik in hierbij in het bijzonder aan het Documentatieblad Nadere Reformatie, dat sinds 1977 wordt uitgegeven, en aan de Stichting Studie der Nadere Reformatie, die in 1983 in het leven is geroepen.
3* Vgl. het nog altijd zeer lezenswaardige opstel in deel IV van diens Verzamelde Geschriften (pag. 34 - 42).
4* In dit verband haalt De Reuver met instemming Wilhelmus à Brakel aan, die in zijn Redelyke Godtsdienst (Rotterdam, 1733) opmerkt, dat Thomas weinig spreekt "van den Heere Jesus als het rantsoen en de gerechtigheid/ en hoe die door een waerachtigh geloove te gebruyken tot recht-vaerdigmakinge" (a.w., deel I, pag. 1081).
5* Dit in tegenstelling tot een man als Saldenus, die de gevoelsmatige ervaring niet beschouwt als "het criterium dat over de echtheid van iemands genadestaat beslist" (pag. 220). Hiermee hangt ongetwijfeld samen, dat hij, zoals De Reuver duidelijk laat uitkomen, een grote plaats aan de vreugde in het leven van Gods kinderen toekent en dat hij de staf breekt over hen, die "ghedurigh gaen met een hanghend hooft/ ende een stuer ende bedroeft aengesicht" (pag. 210).
6* In dit verband denk ik b.v. aan het psalmwoord: "Mijn ziel is aan u verkleefd, uw rechterhand houdt mij vast" (Psalm 63 : 9). Let wel: níet (wat men na de woorden "mijn ziel is aan u ver-kleefd" zou verwachten): "mijn rechterhand houdt U vast", maar precies het omgekeerde: "uw rechterhand houdt mij vast". Tevens zou ik willen wijzen op Galaten 4 : 9, waar Paulus aan het door-God-gekend-zíjn een méérwaarde toekent boven het kennen van God.