Terug naar Ecclesianet.nl

Twee sterke verhalen en Psalm 24

Dr. G.Ph. Scheers (1908-1962)

Heft, poorten, uw hoofden omhoog en verheft ze, gij aloude ingangen, opdat de Koning der ere inga.
                                                                                                                                                              Psalm 24: 9

In zijn boek ‘De verscheurde stad’ vertelt prof. dr. A. van Selms, dat er sinds 1898 jarenlang een gaping in de stadsmuur van Jeruzalem geweest is. Toen de laatste Duitse keizer Wilhelm II op zijn reis door het Nabije  Oosten ook Jeruzalem bezocht, wilde hij in die stad een opzienbarende intocht houden. De poorten van Jeruzalem zijn echter maar smal. Veel te smal om zo’n keizerlijke Duitse paradestoet door te laten. Toen is er een deel van de oude stadsmuur afgebroken en daardoor kon de keizer binnentrekken. Het verhaal doet aan als een bijna godslasterlijke parodie op Psalm 24.

Een tweede verhaal. Eveneens Duits en historisch. En toch anders. Het is afkomstig uit de tijd en de kring van Kohlbrugge in Elberfeld. De Pruisische koning, een van de voorvaderen van de bovengenoemde Wilhelm II, bracht een bezoek aan de stad en gebruikte de koffiemaaltijd ten huize van een van de leden van de familie Von der Heydt, een belangrijk zakenman, groot vriend van Kohlbrugge en vurig bewonderaar van de koning. Na dit koninklijk bezoek liet Von der Heydt de voordeur, waardoor Friedrich Wilhelm binnengetreden was, dichtmetselen. Daar mocht voortaan niemand meer door, hijzelf en zijn gezin ook niet.
    Ook van dit tweede verhaal zult u zeggen: ‘Abnormaal! Overdreven vorstenverering! ’t Lijkt wel verafgoding! In Nederland ondenkbaar!’ Inderdaad. Toch doet het sympathieker aan dan wat Wilhelm II met de muur van Jeruzalem liet doen. Er spreekt een grote, zij het onevenwichtige, eerbied en ootmoed uit. Het beslissende voor deze Duitse zakenman in Wuppertal was, dat zijn koning zijn huis was binnengetreden. Toen had de voordeur bij wijze van spreken z’n dienst gedaan. Alles wat die deur daarna nog door zou laten, was hierbij vergeleken niet meer de moeite waard. Zó als zijn koning was binnengegaan, mocht er nooit meer iemand binnenkomen. Daarom liet hij de deur dichtmetselen. Nogmaals, ook dit mag u dwaas noemen. Toch ligt deze dwaasheid, althans voor mijn gevoel, dichter bij Psalm 24 dan het verhaal van Wilhelm II, hoewel dat er letterlijk meer op lijkt. Is de bedoeling van het ‘Heft, poorten, uw hoofden omhoog en verheft ze, gij aloude ingangen, opdat de Koning der ere inga’ niet ook dit: Zó als de Koning de poort binnengaat, mag er niemand naar binnen gaan?
    Psalm 24 is een rijke psalm. Een van de aspecten ervan, het meest persoonlijke, is: de Koning der ere (die nochtans geen gedaante of heerlijkheid had) wil de aloude deuren van het menselijk hart binnenkomen (want het mensenhart is zo oud als Adam). Maar die deuren zijn te klein. Hij kan er niet door. Nochtans komt Hij. Het wordt ons althans in de Advent toegeroepen: laat Hem binnenkomen door die kleine deur van uw hart! “Gezegend ’t hart, dat openstaat en deze Koning  binnenlaat“ (Gezang 3: 2). En zó als uw Heiland de deur van uw hart binnenkomt, kan er niemand anders binnenkomen.

(Eerder verschenen in het Kerkblaadje van december 1959)