Terug naar Ecclesianet.nl

Sola Gratia

Dr. R. Fernhout, Ecclesia 85e jaargang 1994, nr.24, blz.187-189. Eveneens gepubliceerd in Credo 8e jaargang 1994, blz.16-20+25.

Inleiding
Het leek zo eenvoudig. Op de lagere school (tegenwoordig de basis-school) leerden we reeds: ‘Wij geloven dat we “alleen door genade“ (in het Latijn: sola gratia) gered worden en de rooms-katholiek verwacht het van genade én goede werken.’ Dat leek duidelijk. In de gereformeerde omgeving waarbinnen ik opgroeide, plaatste niemand hier een vraagteken bij. Ook zelf was ik er ten volle van overtuigd. In het gesprek over en, een enkele keer, mèt rooms-katholieken was het een vast programmapunt.
Toch heb ik pas veel later, toen ik al enkele jaren theologie studeerde, het besef gekregen dat ik begreep wat ‘door genade alleen’ werkelijk betekent. Dat ligt ongetwijfeld ten dele aan mijzelf: het komt in het leven van ieder voor dat dingen die hij of zij al lang wist, ineens hun ware betekenis schijnen te krijgen. Het lag misschien toch ook wel een beetje aan die gereformeerde sfeer, waarin ik opgroeide. ‘Goede werken’ namen wellicht een grotere plaats in, dan wij officieel waar wilden hebben. Dat waren we ons ongetwijfeld in het geheel niet bewust, maar het bloed kroop waar het niet gaan kon. Het ‘door genade alleen’ staat namelijk zó haaks op wat wij ‘van nature’ geneigd zijn te geloven dat we er haast vanzelf mee gaan knoeien. Zo niet in de leer, dan wel in het leven.
In dit artikel willen we achtereenvolgens nagaan waarom de leer van het ‘door genade alleen’ zo'n aanstoot vormt, welk verzet zij altijd weer oproept, welk verwijt men steeds weer tot de verdedigers van deze leer richt, hun antwoord op dit verwijt en tenslotte de vraag of we ons met een beroep op deze leer mogen verontschuldigen voor alles wat er in ons leven verkeerd is.

De aanstoot
Wat velen binnen en buiten de kerk van haar verwachten is dat zij op z'n minst de mensen leert zich wat beter te gedragen. Dat bleek weer eens opvallend toen enige tijd geleden de minister van Justitie, E. Hirsch Ballin de kerken opriep om de samenleving weer enig besef van goed en kwaad bij te brengen. Merkwaardigerwijs sloot F. Bolkestein, de voorman van de v.v.d., die zie zelf geen lid van een kerk te zijn, zich hier min of meer bij aan. De kerken hebben wat lauw gereageerd op deze oproep, maar dan vooral omdat ze zich niet voor het karretje van een volstrekt verwereldlijkte overheid willen laten spannen. Voor het doorsnee-kerklid van de kerk, óp en onder de kansel, spreekt het echter vanzelf, dat het Evangelie ons tot voorbeeldige, zelfs tot ‘vrome’, mensen moeten maken. Je kunt hartgrondig van mening verschillen over de vraag wat ‘vroomheid’ precies inhoudt, maar het ideaal als zodanig staat nauwelijks ter discussie. Wanneer iemand die als christen bekend staat, zich misgaat zijn de wijzende vingers dan ook ettelijke centimeters langer dan in andere gevallen. Je had dit van hèm of háár toch niet verwacht.
Binnen zulk een klimaat wekt de leer van het ‘door genade alleen’ altijd weer bevreemding, althans wanneer zij in de oorspronkelijke radicaliteit wordt gepredikt. Deze leer is namelijk niet tegen boosdoeners gericht, maar tegen de vrome mens. Daarbij moeten we niet denken aan kwezels of schijnvromen, maar aan mensen die werkelijk hun best doen wat te presteren voor God en de naaste. Daarom is de leer van het ‘door genade alleen’ zo aanstootgevend. Het lijkt, op z'n zachtst gezegd, pure dwaasheid zulke vrome mensen voor de voeten te lopen. Zelfs al zijn ze wat hun leer betreft niet helemaal zuiver op de graat, ze dóen toch zoveel. Geen wonder dat de kerk vaak verlegen staat met haar genade-leer en maar al te zeer geneigd is de scherpe kantjes ervan wat bij te slijpen.

Het verzet
De verlegenheid van de kerk met het ‘door genade alleen’ is niet van vandaag of gisteren. De eerste bestrijder van formaat van de genadeleer, Pelagius, werd pas na veel aarzelingen en tegenstrijdige besluiten door de kerk van destijds in 418 veroordeeld. Pelagius was namelijk een streng levende monnik die door de leden van de verwaterde kerk van zijn dagen met grote ernst voorhield dat ze veel heiliger konden leven, als ze maar wilden. Hoe kun je zo'n man nu veroordelen? Zijn leerling, Julianus (gest. 454), bisschop van Eclanum, verscheen op het toneel toen Pelagius reeds veroordeeld was. Daarom kende de kerk ten opzichte van hem geen aarzelingen meer. Hij werd afgezet en moest vluchten. Maar in zijn bisdom vereerde men hem als een heilige vanwege zijn hulp aan de armen toen er een hongersnood was uitgebroken,. Zullen deze armen er iets van hebben begrepen waarom hun bisschop zijn zetel moest prijsgeven?
De zaak wordt er niet helderder op wanneer we bedenken dat iemand als Pelagius wel degelijk plaats inruimde voor Gods genade. Gods genade bestaat volgens Pelagius in het voorbeeld dat Jezus Christus ons heeft geschonken. Van Hem leren we hoe we moeten leven en daarna moeten we het zelf in praktijk brengen. Gods genade vormt de start en de vrome mens de finish. Dit laatste blijft de rode draad in de geschiedenis van het verzet tegen het ‘door genade alleen’ tot vandaag toe. De Rooms-Katholieke Kerk vulde de rol van Jezus Christus weliswaar veel bijbelser in dan Pelagius deed, maar het uiteindelijke doel bleven toch de ‘goede werken’. ‘Linkse’ christenen zullen zich verwant voelen aan Julianus van Eclanum en betogen dat Gods genade ons toch vooral moet brengen tot strijd tegen honger, armoede, onderdrukking, discriminatie enz. Veel opwekkingschristenen loven Jezus Christus uitbundig, maar alle nadruk valt op het feit dat Hij hen veel ‘vromer’ heeft gemaakt. En niemand kan ontkennen dat de Rooms-Katholieke Kerk indrukwekkende heiligen heeft voortgebracht, dat ‘linkse’ christenen zich veel moeite getroosten om hulp te bieden aan mensen in nood, dat in opwekkingsbewegingen ontroerende bekeringen plaatsvinden.
Gezien dit brede verzet tegen het ‘door genade alléén’ van vroeger tot heden, van ‘links tot ‘rechts’ is het niet eenvoudig om deze leer te blijven verdedigen. Het lijkt haast religieuze zelfmoord. Als we de gelovige zijn vroomheid ontnemen, wat blijft er dan nog over?

Het verwijt
‘Door genade alleen’ schijnt niet alleen een dwaasheid, maar lijkt ook gevaarlijk. Van het begin af aan heeft men deze leer verweten dat zij een vrijbrief zou verschaffen aan de ‘goddeloze’ om rustig door te gaan met zondige praktijken. Ik wil hier graag een korte bloemlezing geven uit de nimmer eindigende geschiedenis van dit verwijt.
Het begint al in het Nieuwe Testament zelf. Paulus verweert zich verontwaardigd tegen mensen die hem in de mond leggen: ‘Laten wij het kwade doen, opdat het goede eruit voortkome’ (Rom 3,8). Augustinus bad in zijn bekende Belijdenissen tot de Here God: ‘Geef wat Gij beveelt en beveel wat Gij wilt,’ met andere woorden: ‘Alles moet van U komen.’ Pelagius heeft zich hier fel tegen gekeerd. Zo'n opvatting zou, aldus Pelagius, de mensen ervan afhouden hun best te doen om zèlf gehoorzaam te zijn. Luther schreef aan zijn vriend Melanchton: ‘Wees een zondaar en zondig dapper, maar geloof en verheug je nog dapperder in Jezus Christus, die de overwinnaar is van zonde, dood en wereld.’ De verwijten van rooms-katholieke zijde waren tot in onze eeuw toe niet van de lucht, waarbij men dan meestal alleen de woorden ‘zondig dapper aanhaalde. Zie je nu wel, zo zei men, daar loopt de leer van het ‘door genade alleen’ op uit! Onze Heidelbergse Catechismus moest verzet bieden aan de tegenwerping: ‘Maar maakt deze leer de mensen dan niet zorgeloos en goddeloos?’ (zond. 24, vr 64). Op 31 juli 1833 hield H.H. Kohlbrugge te Elberfeld, in Duitsland, zijn beroemd geworden preek over Romeinen 7,14, waar in hij korte mette maakte met alle menselijke vroomheid. Een bekende uitspraak uit deze preek luidt: ‘Wat moet ik dan doen? — Werp uw heiligingskrukken weg, verre van u weg! gij komt er de berg Sion niet mee op.’ Een exemplaar van deze preek kwam in handen van Isaac da Costa die verontrust reageerde en Kohlbrugge ‘antinomianisme’ verweet, d.w.z. de leer dat de gelovige helemaal geen ‘goede werken’ meer hoeft te doen. In het slot van een brief aan Kohlbrugge schrijft Da Costa: ‘... de Heere Zelve make het schadelijke van veler uwer uitingen in de uitgegeven preek onschadelijk.’ Da Costa heeft Kohlbrugge ongetwijfeld verkeerd begrepen, maar dat bewijst eens te meer hoe kwetsbaar de leer van ‘door genade alléén’ is.
Paulus, Augustinus, Luther, Kohlbrugge en tal van anderen, tot allen is hetzelfde verwijt gericht als waartegen zich ook de Heidelbergse Catechismus keert: ‘deze leer maakt de mensen zorgeloos en goddeloos.’ En wie van de predikanten die tegenwoordig deze leer nog met enige radicaliteit durft te verkondigen heeft dat verwijt nooit over zich heen gekregen? Tot zijn of haar troost zij gezegd: u staat in een reeks van getuigen die er niet om liegt.

Het antwoord
Er is ook een omgekeerd verwijt. De verdedigers van het ‘door genade alleen’ hebben steeds aan hun tegenstanders verweten dat zij veel te optimistisch dachten over de macht van de zonde in het leven van de gelovige. Volgens deze tegenstanders zou de eenmaal ontvangen genade de gelovige in staat stellen om de zonde zo niet geheel dan toch in grote mate te overwinnen. Mensen als, in het bijzonder, Luther en Kohlbrugge hebben echter op aangrijpende en voor henzelf vaak beangstigende wijze hun onmacht moeten ervaren in hun strijd tegen de zonde. Ze wílden wel vroom leven, maar ze kònden het niet. Bovendien ontdekten zij dat ook in de Bijbel zelf de gelovigen steeds weer ten prooi vallen aan ernstige zonden. Wat dat betreft is de Bijbel verbijsterend realistisch.
Ter illustratie haal ik een gedeelte aan uit bovengenoemde preek van Kohlbrugge, tezamen met de teksten, waarnaar hij verwijst:

Daar zien we moord en echtbreuk bij David (2 S 11), hoererij bij Juda en Thamar (Gn 38), onreinheid en ontucht bij Simson (Richt 16) en bij Lot, na uit Sodom gered te zijn (Gn 19), afgoderij bij Salomo (1 K 11), hoovaardij*1*bij Hiskia (Js 39), dronkenschap bij Noach (Gn 9; Ef 5,18), verbittering en tweedracht tussen Paulus en Barnabas (Hnd 15,39), huichelarij bij Petrus (Gal 2,13); onder de eerste christenen hoererij, onreinheid, schandelijke brand*2*, boze begeerte, gierigheid, leugen en dieverij (Kol 3; 5; Ef 4,25.28; Ef 5,3-5; 1 Tes 4,2-8), en bij de apostelen ontrouw aan hun Heiland (Mt 26,46); eindelijke de bron van alle vleselijke werken, de hoofdzonde van alle zonden: — ongeloof bij Mozes (Nm 20,10-12) en bij alle apostelen (Mc 16,11-14); en bij Elia (1 K 19,4), Job (Job 3), Jeremia (Jr 15,10 en 20,14) en Jona's mismoedigheid over de leidingen Gods! — Waar zouden wij beginnen, waar eindigen?

Deze ‘zondencatalogus’, niet van buitenstaanders maar, van gelovige mensen is uiteraard aan ieder bekend die enigszins op de hoogte is van de inhoud van de Bijbel. In het algemeen zijn wij echter geneigd om zulke zonden te beschouwen als betreurenswaardige incidenten, min of meer ‘toevallige’ misstappen, in voor de rest voorbeeldige levens. Volgens de leer van het ‘door genade alleen’ zijn zulke zonden echter geen incidentele misstappen, maar horen zij wezenlijk bij het leven van de gelovige. God wil de God zijn van juist zùlke mensen, die zich op geen enkele manier meer op eigen vroomheid kunnen beroepen. Deze reeks van hoereerders, moordenaars, rebellen, ruziemakers en zelfs ongelovigen (Mozes en alle apostelen!) vormen de genodigden aan het bruiloftsmaal van het Lam.
De kroongetuige is het geslachtsregister van Jezus Christus uit het Evangelie naar Matteüs: Jezus is geboren uit het huwelijk van David met een vrouw met wie hij overspel gepleegd heeft en van wie hij de man — wiens naam uitdrukkelijk in het geslachtsregister wordt genoemd — heeft laten vermoorden. Daarmee is Jezus zelf tot dit soort van mensen gaan behoren om juist hèn te bevrijden (Mt 1,21). Hij moest David en Batseba tot voorouders hebben opdat elke gevallen gelovige zou weten: Hij kwam voor mij. Jezus is het vleesgeworden sola gratia.

Verontschuldiging?
Zijn daarmee de gelovigen, wier zonden de Bijbel zo onthullend in het licht stelt, verontschuldigd. Nee! David is ondenkbaar zonder de boetepsalm 51: ‘Tegen U, U alleen heb ik gezondigd, en gedaan wat kwaad is in uw ogen’ (Ps 51,6). Paulus is ondenkbaar zonder de klacht: ‘Ik ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam des doods?’ (Rom 7,24). In tegenstelling tot wat van hen beweerd wordt, hebben de ware verdedigers van het ‘door genade alleen’ nooit de hand gelicht met Gods geboden of met de eis van een heilig leven. Zij constateren echter met bijbels realisme in hun eigen leven en dat van anderen, dat gelovigen diep kunnen vallen en soms zelfs een uitzichtloze strijd schijnen te voeren tegen de zonde. Dat ontstelt hen. De overtredingen doen dubbel pijn en hun geweten klaagt hen dagelijks aan. Maar in dat alles houden zij zich aan dat waartoe Luther zijn vriend opriep. Ze zondigen ‘dapper’, d.w.z. ze zullen ‘aan Gods genade niet vertwijfelen, noch in de zonde blijven liggen (ons doopformulier). Maar ze geloven en verheugen zich ‘nog dapperder’ in Jezus Christus die de overwinnaar is van zonde, dood en wereld. Waar wij de nederlaag lijden overwint Hij en Hij alléén.
En dan is er tòch sprake van verontschuldigingen. Niet dat we ons voor onze zonden zouden kunnen excuseren — integendeel! —, maar de Here rekent onze schuld aan Jezus Christus toe en zijn onschuld aan ons. Hoe groter de schuld des te ‘gratieuser’ deze toerekening. Dat is de blijvende aanstoot van het Evangelie van ‘louter genade’. Daarom kon Paulus die voor velen zo onthutsende woorden schrijven: ‘Waar de zonde toenam is de genade meer dan overvloedig geworden!’ (Rom 5,20). Daarom kan onze Catechismus juichend belijden:
..al klaagt mijn geweten mij aan dat ik tegen ale geboden van God zwaar gezondigd heb en geen daarvan gehouden heb en nog steeds tot alle kwaadheid geneigd ben, toch schenkt God mij zonder enige verdienste van mijn kant, louter uit genade de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus; Hij rekent mij die toe alsof ik nooit zonde gehad of bedreven had, ja alsof ik zelf al de gehoorzaamheid had volbracht die Christus voor mij volbracht heeft.
Laat de leer van het sola gratia maar dwaas zijn, maar deze dwaasheid is het ‘dwaze Gods’ (1 Kor 1,25). Laat deze leer maar gevaarlijk zijn, maar dat gevaar is het risico dat God zelf met ons wil lopen. En het geheim van dit alles ligt besloten in die ene persoon, Jezus Christus.

Zijn naam is 'Wonderbaar', zijn daden
zijn wondren van genaad' alleen.
Hij doet ons, hoe met schuld beladen.
verzond voor 't oog des Vaders treên.
(Gez. 26 : 3)

Noten
*1* Hoogmoed.
*2* hartstocht.