Terug naar Ecclesianet.nl

Samen op Weg en de beheerskwestie

Dr. H. Klink, Ecclesia nr. 13, juni 2002

Een luthers standpunt!?
De afgelopen weken zijn zowel de lutherse, de gereformeerde als de hervormde synoden bij elkaar geweest.
Over elk van deze synodevergaderingen valt het nodige te zeggen. Allereerst was daar de lutherse bijeenkomst van vrijdag 31 mei jl. Tijdens deze vergadering werd een nieuwe voorzitter gekozen, mevrouw ds. I. Fritz.
Zij maakte van haar hart geen moordkuil. De lutherse synode, zo sprak zij waarschuwend in de richting van de Hervormde Kerk, zou niet dulden dat er in de nieuwe kerkorde geen ruimte geschapen wordt voor het inzegenen van relaties van mensen van hetzelfde geslacht. Mocht de hervormde synode dat toch wensen, dan vormt dat een breekpunt voor Samen op Weg, aldus ds. Fritz. Een tweede eis werd op tafel gelegd. Dit jaar moet er een besluit vallen over de definitieve naam van de toekomstige SoW-kerk. Het staat voor de luthersen vast dat het woord 'hervormd' daar niet in mag voorkomen. Ziedaar, dit wordt naar voren gebracht door de lutherse kerk, die in totaal, zo heb ik me laten vertellen, nog niet zoveel leden telt als de hervormde classis van Katwijk. En deze bezwerende woorden worden gesproken tot de Hervormde Kerk, die meer dan 2 miljoen leden telt! Me dunkt: wat een verwatenheid. Wat een toon! Het illustreert alleen maar dat het gevaar groot is dat er in de toekomstige kerk, waarin alles kan, slechts één gebod overeind blijft: "Gij zult niet discrimineren." Dit adagium dreigt straks artikel 1 van de grondwet van de SoW-kerken te worden! Geen van de andere geloofsartikelen staat zo vast als dit éne!
Sterker: wellicht is er straks geen ander dan dit éne!

Fusie of federatie - een verantwoord traject?
Als ik dit schrijf is de Hervormde synode nog niet bijeen geweest. Tijdens deze vergadering moet er over het huwelijk gesproken worden en over het Unie-voorstel dat door de Gereformeerde Bond en de Confessionele Vereniging is opgesteld. Daarover valt nu dus nog niets te schrijven.
Wel valt er genoeg te schrijven over het rapport van de generale synode van de NHK, dat met het oog op deze vergadering uitkwam in mei 2002: Vereniging van de Samen op Weg-kerken. Discussie en besluitvorming over 'vereniging of federatie' in het Samen op Weg-proces.
In het rapport wordt uitvoerig betoogd dat er ter synode grondig en vaak gesproken is over de vraag of de SoW-kerken zouden fuseren of federeren. De besluitvorming daarover is correct verlopen en er is recht gedaan aan degenen die opteerden voor een federatie van kerken. Een federatie is al lang geleden afgewezen: in 1990, in 1993 en in 1995. Daarop terug te komen is dan ook buiten de orde. Het moet zo langzamerhand duidelijk zijn dat de kerken willen fuseren.
Wie nu nog opteert voor een federatie of een unie van kerken komt terug op een discussie die al lang gevoerd is en die allang tot besluitvorming gevoerd heeft, aldus het rapport.

Liggen de zaken werkelijk zo? Insiders weten wel beter. Veel, heel veel, valt er af te dingen op het rapport. Er wordt in verwezen naar de jaren 1986, 1990, 1993 en 1995. Welnu in 1986 is uitgesproken dat er een federatie van de kerken zou komen, die zou kunnen uitgroeien tot een vereniging. In 1990 is met geen woord gesproken over de vraag of er een fusie dan wel een federatie zou komen. In 1993 werd een discussie daarover geblokkeerd door een ordevoorstel, dat een gesprek daarover buiten de orde verklaarde.
En in 1995 werd de synode o.a. verkeerd voorgelicht door de KOA, de kerkordelijke adviescommissie van de kerk.
In 1995 gaven 66 classicale vergaderingen ongevraagd advies over de vraag of er een fusie of een federatie van kerken moest komen. Het moderamen was aanvankelijk van plan om over deze kwestie niet eens te spreken, ook al weer, omdat allang (wanneer?) besloten was om tot fusie over te gaan. Doordat 25 classicale vergaderingen in de pen klommen dwongen zij af dat er ter synode afzonderlijk gesproken zou worden over de adviezen van de 66 classes inzake de vraag of er een fusie of federatie van kerken zou komen.
In november van dat jaar bracht de KOA verslag uit over de adviezen. Zoals ze echter later heeft toegegeven, heeft ze de synode onjuist ingelicht. Verschillende classes die tegen de fusie waren, werden bij de voorstanders gerekend. Hun advies werd geherinterpreteerd en zo kwam de KOA tot het advies aan de synode om voort te gaan op de weg van de fusie. Zegge en schrijve anderhalf uur werd aan de bespreking ter synode besteed.
Toen (november 1995) was de beslissing gevallen - met veronachtzaming van een bijzonder groot deel van het grondvlak! Duidelijk was dat de adviezen van de classicale vergaderingen in het rapport van de KOA als klei gekneed werden, tot ze de vorm kregen, die de KOA wenste. De synode stemde in meerderheid met het advies van de KOA om naar fusie toe te werken in.
Dit was zeer onverstandig. Vanaf 1986 blijkt immers steeds weer dat 40 % van de kerk tegen fusie is. Deze 40 % vormen verreweg het meest meelevende gedeelte van de kerk. Hoe lang zal het doorgaan dat hun argumenten niet besproken, laat staan gewogen worden!? Men kan zo'n belangrijk gedeelte niet negeren, zonder dat dit de kerk opbreekt!

Commotie vanaf 1995
Nu valt daarover na de laatste gereformeerde synodevergadering van vrijdag 7 juni veel te zeggen. De synode sprak uit dat zij zich bij de toekomstige fusie van de kerken niet zou neerleggen bij het opgeven van de plaatselijke zelfstandigheid van de gemeenten.
Hoe kwamen zij daar toe om dit zo nadrukkelijk te stellen? Dit hangt samen met de geschiedenis van na 1995.
Na de omineuze beslissing van de Hervormde synode in november 1995 ontstond er in de NHK grote commotie. Sommige gemeenten spraken uit niet mee te zullen gaan in de toekomstige kerk. Sommige van deze gemeenten waren al in een juridische strijd met de kerk verwikkeld over de aanpassing van de kerkvoogdijen in die gemeenten, waar tot voor kort vrij beheer was, dat wil zeggen waar de kerkvoogdijen zelfstandig waren en min of meer zelfstandig opereerden. Zij waren erop tegen dat de landelijke kerk al te veel inspraak zou krijgen in het beheer van de plaatselijke kerkelijke goederen. Dat hierover tot op de dag van vandaag zo'n harde juridische strijd gevoerd wordt, heeft ook te maken met het SoW-proces.
Als de rechter de gemeenten die beweren dat zij plaatselijk zelfstandig zijn in het gelijk stelt, zouden zij, als zij uit onvrede over het SoW-proces met de landelijke kerk breken, immers hun kerkelijke goederen kunnen behouden.
Dit is voor de synode een zeer onwenselijk scenario. Als de goederen echter aan de landelijke kerk vallen, is er een flinke barrière opgeworpen voor gemeenten die grote moeite hebben met SoW. Zij zullen de kerk niet snel verlaten, omdat ze in dat geval hun gebouwen en andere goederen zullen verliezen.
Doordat deze kwestie zo prominent aan de dag trad, klonk de vraag steeds luider, hoe één en ander in de toekomstige kerk geregeld is. Zouden ontevreden gemeenten wel met goederen en al de toekomstige kerk kunnen verlaten? Het antwoord op die vraag hing af van de vraag of de toekomstige gefuseerde kerk een landelijke kerk zal zijn, zoals de Hervormde Kerk. Dat is het geval, zo stelde de hervormde synode in 2000, toen zij het het rapport Om de eenheid en heelheid van de kerk aanvaardde.

Is de toekomstige kerk een landelijke kerk?
Nadat dit zo duidelijk gesteld werd, rees er echter een probleem aan de andere zijde van de kerken. Hoe zouden de gereformeerden hierop reageren? Zij kennen iets als een landelijke kerk immers niet! Alle gereformeerde kerken zijn zelfstandig. Zij beheren hun eigen goederen. Dit verschil met de hervormde kerk komt regelrecht voort uit de Doleantie van 1886. Abraham Kuyper koos nadrukkelijk voor een kerk met plaatselijk zelfstandige gemeenten. Op een bijtende manier liet hij zich uit over de volkskerk (landelijke kerk).Abraham Kuyper wist waar hij het over had.
Tijdens de Doleantie is er een hevige juridische strijd gevoerd over de kerkelijke goederen van die gemeenten, die de volkskerk hadden verlaten. In sommige gevallen (Amsterdam) liep het zelfs uit op een handgemeen en op relletjes. De rechter stelde de landelijke kerk in het gelijk.
De kerkelijke goederen vielen, ook daar waar de meerderheid van een gemeente de landelijke kerk verliet, toe aan de Hervormde Kerk. Vanzelfsprekend spraken de gereformeerden uit dat in hun kerk de plaatselijk kerken zelfstandig zijn. Zo is het in de Gereformeerde Kerken nog steeds.

De grote vraag is dus hoe één en ander er in de toekomstige kerk uit zal zien. Die vraag is nijpend. Aan Hervormde zijde was dus het rapport Om de eenheid en heelheid van de Kerk aanvaard. Zoals gezegd werd daarin bepaald dat de toekomstige kerk een landelijke kerk is, waarin de goederen uiteindelijk het eigendom zijn van de landelijke kerk en niet van de plaatselijke gemeenten.
De toon van het rapport tot de gemeenten die grote bezwaren hebben tegen SoW was zeer tegemoetkomend. U hoeft zich geen zorgen te maken over de wijze waarop het kerk-zijn beleefd en ingevuld wordt in uw plaatselijke gemeente.
Elke gemeente behoudt in de verscheidenheid van het kerkelijk leven zijn eigenheid. De toekomstige kerk zal een grote diversiteit laten zien. Als het gaat om de bediening van de Heilige Doop, als het gaat om de volgorde doop - belijdenis -avondmaal, over de voorwaarden om ambtsdrager te worden, als het gaat om het huwelijk enz. is er volop diversiteit, ja tegenstrijdigheid mogelijk. Met betrekking tot al deze punten is er geen sprake meer van een volkskerk.
Hoe geruststellend deze woorden ook mogen klinken: duidelijk is dat door aanvaarding van deze diversiteit, ja pluraliteit er inhoudelijk en geestelijk niet meer gesproken kan worden van een landelijke kerk of volkskerk. Diversiteit is het parool, maar met één uitzondering: het beheer van de goederen.

Maar de gereformeerden…?
Toen rees een moeilijkheid. Zo duidelijk als men gesproken had tot de hervormde gemeenten, die overwegen om zich los te maken van de kerk, moest men dat ook doen tot de gereformeerde kerken. De vraag rees of zij zich wel genoeg realiseerden dat zij straks vallen onder dezelfde regeling als de hervormde gemeenten, die zo bezwerend waren toegesproken. Zij zouden hun plaatselijke zelfstandigheid - waar het hen in de Doleantie om te doen was - verliezen.
Vanuit de synode ging er vervolgens een brief uit naar alle kerken, om hen dit duidelijk onder de aandacht te brengen. Het Confessioneel Gereformeerd Beraad adviseerde de gereformeerde kerken om hierover een negatief oordeel uit te brengen. Meer dan de helft van de kerken reageerde negatief. Men wil de plaatselijke zelfstandigheid niet opgeven. Dit is voor veel kerken een principiële kwestie. Maar ook een kwestie van billijkheid. Er zijn de laatste tientallen jaren nogal wat nieuwe gereformeerde kerkgebouwen gebouwd. Stel je voor: veel vrijwilligers hebben er tijd en geld in gestoken. Zouden zij nu - zo voelt men dat - afstand moeten doen van hun eigendommen? Zouden zij hun plaatselijke zelfstandigheid op moeten geven? Op de synode van 7 juni werd besloten dat de Gereformeerde Kerken, na de fusie van de SoW-kerken, nog 7 jaar lang dezelfde rechten houden als nu het geval is.
Zolang blijven zij eigenaar van de plaatselijke goederen. Bovendien moet er in de ordinanties van de nieuwe kerkorde de mogelijkheid ingebouwd worden dat een plaatselijke gemeente, omwille van het geweten, de kerk moet kunnen verlaten. Regelingen moeten er dan getroffen worden met betrekking tot de kerkelijke goederen. Aan het moderamen werd de opdracht gegeven om dit aan de SoW-partners bekend te maken.
De conclusie moet wel zijn dat dit besluit de besturen van de drie SoW-kerken in grote verlegenheid brengt. Want als men dit aan de gereformeerden toestaat, dan zal men de hervormde gemeenten, die deel uitmaken van dezelfde kerk, ditzelfde recht moeten gunnen, met het risico dat veel hervormde gemeenten, als zij hun eigen goederen kunnen behouden, veel gemakkelijker uit de toekomstige kerk zullen treden, dan wanneer zij hun bezittingen zouden verliezen.
Kortom: door het synode-besluit van de Gereformeerde Kerken, dat velen nog niet ver genoeg gaat, wordt de verwarring rondom SoW nog groter dan zij al was.

De volkskerk als harnas? De vraag naar het kerk-zijn
Enkele dingen komen door al deze verwikkelingen steeds duidelijker naar voren: men zal principieel moeten kiezen welk soort kerk men in de toekomst wil: of een landelijke kerk zoals de NHK, of een vrije kerk zoals de GK, met plaatselijke zelfstandigheid van de kerken. Een tussenweg is niet mogelijk.
De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de nadruk waarmee van hervormde zijde gesteld wordt dat de toekomstige kerk een landelijke kerk wordt, voor een belangrijk deel voort lijkt te komen uit angst dat veel hervormde gemeenten zich weinig gelegen zullen laten liggen aan de landelijke kerk, als zij hun kerkelijke goederen kunnen behouden.
Inhoudelijk valt de volkskerk weg, doordat de pluraliteit aanvaard wordt. Maar voor wat betreft de goederen wil men aan het landelijke karakter van de kerk vasthouden - om maar, zo lijkt het, te verhoeden dat de gemeenten verdwijnen. Op die manier gaat het landelijke karakter echter werken als een harnas, waarin gemeenten, die zeer ongelukkig zijn met SoW, gesnoerd worden. De vraag is of dit billijk èn of dit kerkelijk is?

Daarnaast is het goed te begrijpen dat de gereformeerden niet zomaar willen buigen voor de landelijke kerk als het gaat om de goederen. Waarom zouden zij? Zij voelden al sinds Abraham Kuyper niets voor een volkskerk of een landelijke kerk. Waarom zouden zij, als zij zelf kiezen voor een plurale kerk en zij die in de nieuwe kerk ook kunnen krijgen, nu uitgerekend op het punt van beheer kiezen voor een landelijke kerk?

Al met al brengt dit dilemma duidelijk aan het licht dat de meest fundamentele vraag: die naar het kerk-zijn, in de besprekingen rondom SoW in al die 40 jaar dat het proces gaande is, nooit is uitgediept. Tot deze conclusie te moeten komen is ontstellend. In plaats dat de synode verwijtend met de vinger wijst naar de plaatselijke gemeenten en classes die weinig voelen voor SoW en het proces maar voort doen duren, dient ze de hand in eigen boezem te steken. En…dient ze haar huiswerk over te doen.
Bezinning op het kerk-zijn is meer dan nodig. Daarvoor is tijd nodig. Pas als de verlegenheid daarover erkend wordt en men niet alleen maar beleidsmatig te werk gaat, ontstaat wellicht de ruimte om te komen tot een werkelijk verstaan van de opdracht van de kerk voor de tijd van vandaag. Wanneer zal men dit eens inzien?