Terug naar Ecclesianet.nl

Plato en het christendom

Prof. dr. G.H. van Kooten, Groningen 

Toen dr. W. Aalders in 1984 zijn studie Plato en het christendom deed verschijnen zat ik nog op het gymnasium. Het verschijnen van deze studie maakte diepe indruk op mij. Het is niet teveel gezegd als ik opmerk dat ook in de vijftien jaar die sindsdien zijn verstreken dr. Aalders’ Plato en het christendom voortdurend binnen mijn handbereik is gebleven. Ik had het voorrecht de auteur te leren kennen en vele gesprekken hebben we in Den Haag en Bussum gevoerd. Om deze reden geef ik in het herdenkingsnummer gaarne een impressie van wat ik als de kern beschouw van zijn studie Plato en het christendom. Deze impressie geef ik, zoals mij gevraagd werd, vanuit mijn persoonlijke ervaring.
    Wat mij levendig is bijgebleven is de atmosfeer waarin ik kennis maakte met Plato en het christendom. In de bovenbouw van het gymnasium raakte ik bekend met zovele aspecten van de Grieks-Romeinse cultuur. Bij Latijn lazen we het Epicurische leergedicht van Lucretius over de natuur waarin het universum mechanistisch verklaard wordt. Bij Grieks zowel Plato als de pre-Socratische natuurfilosofen uit Ionië. Bij geschiedenis schreef ik een paper over de tweede Griekse kolonisatie van 750- 550 voor Christus. Zovele horizonten werden geopend. De weerbarstigheid en rijkdom van teksten waren een onverklaarbare aantrekkingskracht. In die jaren was ik ook een hartstochtelijk lezer van de Frankfurter Allgemeine Zeitung en wat mij daarin opviel was dat zovele denkbeelden van de Grieks-Romeinse oudheid nog circuleerden en functioneerden in het moderne discours.
    Het was binnen deze atmosfeer dat Plato en het christendom van dr. Aalders verscheen. Ook deze studie maakte mij duidelijk dat er zo’n grote verwantschap is tussen het moderne filosofische discours en dat van de antieke oudheid. In feite is Plato en het christendom geconstrueerd als een ‘inclusio’ die deze verwantschap tot uiting brengt. Aan het begin van het eerste hoofdstuk schetst dr. Aalders de Griekse filosofie in de periode voorafgaande aan Plato en besteedt daar aandacht aan Herakleitos die het universum als een constante stroom beschouwt en wiens angst “het verlies van de eeuwige zijnsgrond“ (zo dr. Aalders) betreft. In het laatste hoofdstuk toont dr. Aalders aan dat dezelfde angst in het moderne denken kenmerkend is voor Nietzsche die zichzelf met Herakleitos vergeleek. Nietzsche keert zich af van het goddelijke ‘zijn’ als basis van de werkelijkheid. In Die fröhliche Wissenschaft verklaart hij God dood en verkiest hij te dolen door een oneindig niets. Tussen deze twee filosofen, tussen Herakleitos en Nietzsche (die als een ‘inclusio’ het hele boek omarmen), situeert dr. Aalders de ontwikkeling van een metafysica die wel het bestaan van een eeuwige zijnsgrond aanneemt. Deze metafysica ontwikkelt zich met Parmenides en Plato, maar daarover straks meer.
    Wat ik formeel als één van de grote verdiensten van dr. Aalders reeds wil aanmerken is niet alleen het verband dat dr. Aalders legt tussen de moderne wijsbegeerte en de antieke, maar ook het reliëf dat hij aanbrengt binnen de Griekse wijsbegeerte. Dat staat in scherp contrast met de generaliserende wijze waarop veel 20e-eeuwse theologen spreken over ‘de’ antieke wijsbegeerte (en over ‘de Grieken’) alsof zich daarbinnen geen enorme verschillen en verschuivingen voordeden. Dr. Aalders laat in Plato en het christendom zien hoe de zijnsleer van Parmenides en Plato zich een positie moest verwerven binnen het pre-Socratische debat. Tegenover de “stromende werkelijkheid“ van Herakleitos poneerde Parmenides het Zijnde als het enige wat werkelijk bestaat. Het problematische aan de zijnsleer van Parmenides was echter dat onverklaard blijft waarom zich in de aardse werkelijkheid veranderingen voordoen die niet met het onveranderlijke Zijnde in overeenstemming te brengen zijn. In vergelijking daarmee boekt Plato met zijn ideeënleer een verdere en belangrijke vooruitgang. Plato laat de vergankelijke werkelijkheid door middel van de ideeën participeren aan de hogere werkelijkheid. Ik citeer dr. Aalders hier uitvoerig omdat het hier om een belangrijke stap in de ontwikkeling van de zijnsleer gaat. Dr. Aalders schrijft, op blz. 41-42: “Hoever is Plato hier uitgestegen boven het starre, dualistische denkschema van Parmenides’ zijnsleer! Wel houdt ook hij vast aan de principiële onderscheiding van het Zijn en het niet-zijn, van de ideële en de empirische werkelijkheid, maar veel meer dan zijn voorganger was hij op zijn hoede voor het gevaar om die onderscheiding tot een volstrekte scheiding te laten worden, waardoor de ervaringswereld leeg en zinloos zou worden en de wereld van het Zijn tot een gesloten eenheid, zonder beweging en dynamiek. In zijn ideeënleer brengt hij tot uitdrukking, dat het niet-zijnde, ondanks de kloof die het scheidt van het Zijn, toch op het Zijn betrokken blijft.“ Op deze manier wordt Plato geschilderd als een filosoof tussen het Herakleitisch scepticisme en een Parmenidiaans verstarde zijnsleer. Plato is, om het Aalderiaans te zeggen, een burger van twee werelden en aan beiden wil Plato recht doen. Dat dr. Aalders binnen de Griekse wijsbegeerte zo’n perspectief tekent dat zowel de pre- Socratische filosofen als Plato in zich opneemt was voor mij op het gymnasium een verademing: een perspectief aangereikt te krijgen waardoor men wat men bij verschillende antieke auteurs las in een groter geheel kon plaatsen. Dat perspectief reikt bij dr. Aalders, zoals de titel van zijn Plato en het christendom aangeeft, ook verder dan Plato. Nadat Plato in zijn verhouding tot het Griekse denken geschetst is, gaat dr. Aalders in de volgende twee hoofdstukken in op het christelijke denken zoals gerepresenteerd door Augustinus. De bekering van Augustinus blijkt zich mede door zijn bekendheid met het Platonisme verwerkelijkt te hebben. Zoals Augustinus zelf schrijft werd hij “door het lezen van die boeken der Platonisten er toe (…) aangezet om naar de onlichamelijke waarheid te zoeken“ (Belijdenissen 7.20). Door Plato’s leer omtrent de ideeën (volgens Augustinus in zijn De diversis quaestionibus 46.83 “onveranderlijke, vaste oervormen, die zelf niet gemaakt zijn, maar die zichzelf voor altijd en op dezelfde wijze gelijk blijven, omdat zij in de goddelijke wijsheid gegrond zijn“) werd Augustinus bevrijd van het materialisme. En ook na zijn bekering, als Augustinus het para-doxale, het bovenredelijke van het Evangelie heeft aanvaard komt hij niet tot een negatie van het Grieks-Platonische denken. Zoals dr. Aalders schrijft op blz. 83:
    “Gelet op de sterke anti-Platonische, anti-metafysische, anti-Griekse instelling van het huidige denken, is het niet overbodig er nog een keer nadrukkelijk op te wijzen, dat Augustinus’ gebruik van de paradox stellig niet uitgelegd mag worden als volstrekte afwijzing van het Platonisme. De paradox is niet de negatie van het Platoonse, metafysische denken, maar zijn overwinning. De paradox ontkent de mogelijkheden van de rede niet, maar overstijgt die.“
    Het perspectief dat dr. Aalders dus schildert strekt zich uit van de pre-Socratische filosofen Herakleitos en Parmenides, over Plato heen tot en met de Platonisch denkende Augustinus met zijn sterk besef van de twee werelden. In het slothoofdstuk en de epiloog beweegt het betoog van dr. Aalders zich naar een machtige ‘inclusio’ als hij aantoont dat Nietzsche, die de gevolgtrekkingen maakt uit Kant’s kritiek op de metafysica, een moderne Herakleitos is, een schreiende filosoof die zich verwijderd heeft van de eeuwige zijnsgrond en doolt door een oneindig niets. Wat dr. Aalders krachtig betoogt met Plato en het christendom is dat het christendom niet los van zijn ontwikkelingsgang verstaanbaar is: dan zou men het wezen van het christendom dreigen te verliezen. Dr. Aalders heeft de opkomst van het christendom getekend niet tegen de achtergrond van het Griekse denken zonder meer, maar in de context van de ontwikkeling van dat Griekse denken. De geschiedenis blijkt een continue zelfonthulling Gods in te houden waarin Gods wezen geopenbaard wordt. De geschiedenis is een continuïteit, zoals dr. Aalders op blz. 16 van Plato en het christendom betoogt: “Het graan van vele eeuwen en vele volken is gemaaid, in schoven gebonden, gedorst, gemalen, doorzuurd met de zuurdesem van de Heilige Geest, en zo tot één brood geworden.“ Vandaar dat het voor onmogelijk gehouden moet worden dat men het Platonische graan in de moderne tijd uit het brood kan en mag verwijderen. Het Grieks-Platonische denken behoort immers tot de wordingsgeschiedenis van het christendom.