Terug naar Ecclesianet.nl

Over het vernoemen

Dr. M. Dubbelman, Rotterdam

En het geschiedde, toen de achtste dag was aangebroken, dat zij kwamen om het kind te besnijden, en zij wilden het naar de naam van zijn vader Zacharias noemen. Doch zijn moeder antwoordde en zeide: Neen, hij moet Johannes genoemd worden. En zij zeiden tot haar: Er is toch niemand in uw familie, die die naam draagt.
(Lucas 1: 59- 61)

Het is opvallend dat het hele verschijnsel van het vernoemen niet in de Bijbel voorkomt. In het Oude Testament is niet één voorbeeld bekend, waarbij een kind naar zijn vader, moeder of andere directe familieleden wordt vernoemd. Telkens kom je in de geslachtsregisters weer nieuwe namen tegen. Dit komt omdat in vroegere tijd de naamgeving iets bijzonders was. De naam kon aangeven in welke omstandigheden het kind ter wereld was gekomen (Jakob: hielelichter), of in de naam kon een opdracht of boodschap doorklinken (Jezus: de Heere redt). De naam was als een lijfspreuk en het kind had de taak om zijn of haar naam waar te maken. Dit lukte Absalom (mijn vader is vrede) niet, maar Elia (de Heere is God) weer wel. Het is duidelijk dat voor deze naamgeving een profetische begaafdheid nodig moest zijn.
  In de loop van de tijd verdween echter dit geven van bijzondere namen en gaf men het kind simpelweg de naam van iemand uit de familiekring. Dit overigens tot groot verdriet van de rabbijnen, de geestelijke leidslieden van het volk Israël. Zij zagen dit verschijnsel als een gebrek aan geestelijk leven, het verdwijnen van de profetische gave. Hoe kon je je nu tevreden stellen met de naam van de vader?
  Rond het begin van de jaartelling was het vernoemen naar de (groot)vader waarschijnlijk al een gewoonte geworden. De discussie bij de besnijdenis van Johannes de doper laat zien dat het voor de omstanders vanzelfsprekend was dat de kleine jongen ook Zacharias zou gaan heten. Men is zelfs verbaasd dat zijn moeder hem Johannes wil noemen. Ze zijn er zich dus niet eens van bewust dat zij eigenlijk een bewijs van geestelijk armoede ten toon spreiden. Het gebrek aan profetie is voor hen zelfs normaal geworden.
  Dat is wel iets om tot ons door te laten dringen. Het verdwijnen van de profetie, het verdwijnen van het geestelijk leven (secularisatie) is actueel. We zien het om ons heen en voordat je het weet, begint het ook in ons eigen leven. Blijkbaar kun je daar zelfs aan wennen. Voordat je het beseft, ben je het als gewoon gaan beschouwen dat in bepaalde zaken vroeger een grote rol voor God was weggelegd, maar dat Hij die rol nu is kwijtgeraakt. Belangrijke vraag is natuurlijk hoe dit nu komt. Wat is de oorzaak dat de profetie bij het volk Israël verdween? Het antwoord op die vraag zou ook voor ons Nederlanders van groot belang kunnen zijn.
  Laten we in deze adventstijd een antwoord op die vraag proberen te vinden en daarbij één hoopvol ding niet uit het oog verliezen. Dat juist in die geestelijk dorre tijd een groot profeet geboren werd: Johannes de doper. Jezus noemde hem zelfs méér dan een profeet (Lucas 7:27).