Terug naar Ecclesianet.nl

Over de hel gesproken

Ds. I. J Wisse, Rijnsburg  

 

Enige tijd terug las ik in mijn dagblad deze uitspraak van iemand: “We zijn niet meer bang voor de hel, en voor de dominee, maar voor wat de dokter zegt”. Dat we niet meer bang zijn voor de dominee, valt alleen maar toe te juichen. Maar dat ligt anders met het niet meer bang zijn voor de hel. Als de vrees hiervoor is verdwenen, is er iets niet in orde. Dan zou Jezus’ waarschuwing, die we in het evangelie tegenkomen, geen zin hebben gehad: “Weest niet bevreesd voor hen, die wél het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden; weest veeleer bevreesd voor Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel” (Matth. 10:28).

Toen ik die uitspraak in het dagblad las, was ik juist bezig met het lezen van een boek, dat uit twee delen bestaat, geschreven door ene Cornelis van Niel. Het eerste deel heeft als opmerkelijke titel: De donderslag der goddeloozen, wegens het schrikkelijk oordeel, ende de pijne der helle, waarop als tweede deel volgt: De hemelsche vreugde, voor de geloovige zielen. Het was de zesde druk, die ik in handen had. De eerste druk verscheen waarschijnlijk in de tweede helft van de zeventiende eeuw.

De schrijver geeft, haast gedetailleerd, weer hoe verschrikkelijk de hel is als oord voor hen, die verloren gaan voor Gods Koninkrijk, dat straks in zijn volheid gaat aanbreken. Op het eind van het eerste deel vat hij nog even samen wat hij tevoren had uiteengezet. Behalve de pijn van het verlies van Gods aanschijn noemt hij nog vijf andere verschrikkingen: “Eerstelijk, dat in de hel een vuur is, dat niet zal vergaan, maar dat de godloozen in eeuwigheid zal pijnigen (...). Ten andere, dat er nog zal wezen eene uiterste duisternisse, die zoo zwaar zal zijn, dat er geen geestelijk licht van vertroostinge, noch hemelsch licht van glorie te verwachten is (...). Ten derde zullen de godloozen mede hebben eenen verslindenden en rusteloozen worm, die hen gedurig zal knagen (...). Ten vierde zal er mede wezen eene onbewegelijkheid in de godloozen, zoodat de verdoemden zich niet zullen kunnen reppen noch roeren, maar zullen als met ketenen gebonden worden (... ). Ten vijfde zullen zij ook mede hebben tot hun gezelschap alle de duivelen en verdoemde gees ten, die hen gedurig zullen kwellen” (blz. 259 v.).

Zulke dingen krijgen wij tegenwoordig nagenoeg niet meer te horen. Maar toentertijd was dat kennelijk heel gewoon en acceptabel, blijkens de zesde druk van het geschrift.

Trouwens reeds vele eeuwen eerder had ook de kerkvader Augustinus zich uitgelaten over de helse verschrikkingen, hoewel heel wat ingetogener. In zijn Het eerste geloofsonderricht stelt hij, dat “met afschuw en huivering de straffen van de goddelozen” aan de leerling moeten worden verteld (7, 11). En in zijn Handboekje over geloof, hoop en liefde lezen we: “De bozen zullen, ongelukkig, in de eeuwige dood blijven zonder de mogelijkheid om te sterven” (29, 111).

Over het eeuwige van de straf spreekt hij ook nadrukkelijk in De Stad van God, en wel naar aanleiding van wat er staat in Matth. 25:46: “En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige leven”. Augustinus schrijft dan: “Christus heeft toch die twee, de eeuwige straf en het eeuwige leven, op dezelfde plaats in één en hetzelfde vonnis samengevoegd door te zeggen: “En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige leven”? Wanneer die twee allebei eeuwig zijn, dienen ze toch beslist allebei gedacht te worden als langdurig met een einde of als altijddurend zonder einde. Ze zijn immers met elkaar op voet van gelijkheid gebracht, de eeuwige straf enerzijds en het eeuwige leven anderzijds. Gaat men echter, ondanks die ene zelfde betekenis van het woord eeuwig zeggen: “Het eeuwige leven zal zonder einde zijn, maar de eeuwige straf zal een einde hebben”, dan is dat klinkklare onzin. Aangezien dus het eeuwige leven van de heiligen zonder einde zal zijn, zal voor hen, die de eeuwige straf zullen ondergaan, ook die straf ongetwijfeld geen einde hebben” (21, 23). Ook in zijn preken brengt Augustinus het eeuwige van de helse straf nogal eens ter sprake.

De Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt in artikel 37 over het laatste oordeel: “De goddelozen zullen onsterfelijk worden, doch slechts om gepijnigd te worden in het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is (Matth. 25:41).”

Een ernstige waarschuwing richt Wilhelmus á Brakel in zijn Redelijke godsdienst tot allen, die zich aan Gods Woord weinig of niets gelegen laten liggen: “In het oordeel zal de Rechter u in gramschap aanzien en in toorn aanspreken, gij vervloekten; de godzaligen zullen u in verachting aanzien en uwe verdoemenis goedkeuren; dit alles zult gij langen tijd moeten verdragen, in de uiterste benauwdheid en het zal u onverdragelijk zijn, dat diegenen, die gij nu veracht, dan in heerlijkheid zullen zijn, en u zullen oordelen, en daarop zal dan de eeuwige wegstooting volgen in de poel, die van sulfer brandt, waar weening is der ogen en knersing der tanden, waar de rook uwer pijniging zal opgaan tot in alle eeuwigheid, waar uw worm van het geweten, die u razend zal bijten, nooit zal sterven, dat gij den dood zult zoeken zonder vinden” (2, 59, 20).

Ten slotte geef ik nog het woord aan Wulfert Floor, die in één van zijn Eenvoudige oefeningen zegt: “Hij, die als een onbekeerd mensch sterft, zal eeuwig geworpen worden in dien poel, waar de rook van hunne pijniging opgaat tot in alle eeuwigheid (Openb. 14, 11). Daar zullen zij eeuwig moeten missen al hun zondig vermaak. Nooit zullen zij daar lachen of vroolijk zijn; want daar is weening der oogen en knersing der tanden. Daar zullen zij eeuwig moeten missen al het genoegelijke van de menschelijke samenleving, en zullen nooit eenen droppel water genieten om eene gloeiende tong te verkoelen. Daar zullen zij eeuwig moeten missen alle bewijzen van vriendschap en onderlinge liefde van elkander, en zullen eindeloos elkander haten” (Al de eenvoudige oefeningen 1-2, blz. 171).

Het bovenstaande geeft ons er een indruk van hoe vroeger over de hel gedacht werd en hoe het de mensen kon worden voorgehouden. Blijkbaar riep dat geen weerstand op. Maar in de wereld van vandaag, of misschien moet ik zeggen: in de kerk van vandaag worden deze dingen nauwelijks of helemaal niet meer genoemd: wellicht omdat dit aanstoot zou geven. Toch ontbreekt er zodoende iets aan de verkondiging van het evangelie. En dat is des te verontrustender omdat het juist Christus is geweest, die het meest sprak over de hel. Natuurlijk zullen we ervoor moeten oppassen, dat de mensen enkel bang worden gemaakt. We moeten bovendien uiterst sober zijn in de weergave van wat de hel betekent. Het zal bij voorkeur moeten gebeuren in de trant van Augustinus en van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Daarmee volgen wij het voorbeeld van de Heiland. Hij was, wanneer Hij de hel noemde, tegelijk altijd wervend en nodigend bezig. Hij predikte de liefde van God, die wil, dat mensen zich zullen bekeren. Het is God te doen om ons behoud: “Zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder, die in Hem gelooft, niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben. Want God heeft Zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld zou veroordelen, maar opdat de wereld door Hem zou worden behouden” (Joh. 3:16-17).   .