Terug naar Ecclesianet.nl

Over de doodstraf

 Drs. M. den Admirant, Ecclesia nr. 4, februari 2003

'De doodstraf past niet in het Nederlandse rechtssysteem. In onze westerse beschaving is er geen plaats voor'. Zó werd er eind vorig jaar door de meeste fractieleiders in de Tweede Kamer gereageerd, nadat minister Nawijn zich positief had uitgelaten over een herinvoering van de doodstraf. Premier Balkenende en minister Donner lieten er overigens geen twijfel over bestaan dat zo'n maatregel ondenkbaar en onuitvoerbaar is.
De grote eensgezindheid onder politici in het afwijzen van de doodstraf is opmerkelijk. Bij een opinieonderzoek in juni 2002 sprak ruim 40 procent van de ondervraagde Nederlanders zich nog vóór herinvoering uit. Opvallend is ook dat vele christenpolitici tegenwoordig de doodstraf afwijzen. Blijkbaar hebben de klassieke, aan de Bijbel ontleende argumenten ter rechtvaardiging van deze straf afgedaan.
De traditionele bijbelse argumentatie steunt op twee grondpijlers. Ten eerste wil God het kwaad dat mensen aanrichten, vergelden, in bepaalde gevallen door middel van de doodstraf. Als bewijs hiervoor geldt de tekst 'Wie des mensen bloed vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten worden, want naar het beeld Gods heeft Hij de mens gemaakt' (Genesis 9: 6). De andere grondpijler is dat de overheid als instrument van Gods wil het recht heeft de doodstraf toe te passen. 'Zij draagt het zwaard niet tevergeefs; zij staat immers in de dienst van God als toornende wreekster voor hem die kwaad bedrijft' (Romeinen 13: 4b).

Afschaffing
Toen in 1870 in de Tweede Kamer een wetsvoorstel tot afschaffing van de doodstraf werd behandeld, tekenden tal van hervormde kerkenraden daartegen protest aan. Volgens een adres aan de Kamer beschouwden zij het voorstel als 'de vrucht van de drieste geest des tijds, die geen wijsheid erkent dan de zijne en zich daarom ook hooghartig verheft boven de duidelijke uitspraken van het Goddelijk Woord'. Met een beroep op de bovengenoemde bijbelteksten werd erop gewezen dat God ter rechtvaardige vergelding voor het moedwillig vergieten van mensenbloed aan de overheden niet alleen de boeien of banden, maar zelfs het zwaard in handen heeft gegeven. In de Tweede Kamer wezen alle antirevolutionairen, de meeste rooms-katholieken en bijna alle conservatieven het wetsvoorstel af.
De liberale meerderheid vond de doodstraf echter onverenigbaar met het peil van beschaving dat Nederland had bereikt. Het nut en de noodzaak van deze straf werden betwist. Omdat ze onherroepelijk is, kan de doodstraf nooit beantwoorden aan een belangrijk doel van straffen, namelijk verbetering van de veroordeelde. Ook werd de afschrikwekkende functie ervan in twijfel getrokken.
De Tweede Kamer nam het wetsvoorstel met 48 tegen 30 stemmen aan, de Eerste Kamer volgde met een geringe meerderheid. Nog in hetzelfde jaar trad de wet in werking en werd de doodstraf voor gewone misdrijven afgeschaft.
Na 1870 was deze straf alleen nog sluimerend aanwezig in het militaire strafrecht. Ze mocht jegens militairen worden toegepast indien de veiligheid van de Staat dit eiste. Tijdens de Tweede Wereldoorlog maakte de Nederlandse regering in ballingschap deze bepaling geschikt voor ruimere toepassing. Oorlogsmisdaden, ook van niet-militairen, konden achteraf met de dood worden bestraft. Er was namelijk behoefte aan een vorm van vergelding die passend werd geacht voor uitzonderlijk perfide misdrijven. De publieke opinie verlangde destijds toepassing van de doodstraf. Bij een in oktober 1945 gehouden enquête bleek 73 procent vóór en 20 procent tegen te zijn. Bijzondere gerechtshoven legden na mei 1945 in totaal 190 doodvonnissen op, waarvan er 40 werden voltrokken. De laatste executies hadden plaats in maart 1952.

Pro en contra
In haar eerste herderlijke brief na de oorlog zette de Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk in 1946 haar standpunt over de doodstraf uiteen. Ze verdedigde deze straf met de traditionele bijbelse argumenten, namelijk de verordening van het Noachitische verbond in Genesis 9, in combinatie met de uitspraak van Paulus in Romeinen 13, dat de overheid het zwaard niet tevergeefs draagt. De Synode concludeerde 'dat de overheid als dienaresse Gods, zich gesteld ziende voor de taak de gerechtigheid te handhaven en daarop gepleegde inbreuken te bestraffen, naar Gods Woord het recht heeft, ingeval van zeer zware schuld, de doodstraf toe te passen'.
In zijn boek Visie en vaart pleitte dr. A.A. van Ruler in 1947 op bijbelse, christelijke en theologische gronden voor herinvoering van de doodstraf. De majesteit Gods vordert deze straf. Van Ruler beschouwde het kruisoffer van Christus als een argument vóór de doodstraf 'inzoverre het de meest duidelijke betoning en realisering van Gods heiligheid en rechtvaardigheid is'.
De Anti-Revolutionaire Partij en de Christelijk Historische Unie aanvaardden, evenals de Staatkundig Gereformeerde Partij, de doodstraf. Naar hun opvatting dient de straf 'niet slechts om de maatschappij te beschermen, maar allereerst tot herstel van de geschonden rechtsorde (gerechtigheid), waarbij zo nodig de doodstraf, waartoe de overheid in beginsel het recht heeft, worde toegepast'.
Een ander geluid liet dr. F.T. Diemer-Lindeboom horen in haar in 1965 verschenen studie Ontgin nieuw land opdat zij leven. Hierin toetste zij de traditionele aanvaarding van de doodstraf aan de bijbelse oproep tot oefening van gerechtigheid. Aan Genesis 9 kan naar haar oordeel geen argument voor de onveranderlijkheid van de eis tot doodstraf worden ontleend. Evenmin is Paulus' beschouwing over de overheid in Romeinen 13 een grondslag voor deze eis. De twee klassieke pijlers ter rechtvaardiging van de doodstraf vormen dan ook een ondeugdelijk fundament. In feite hebben we te maken met een restant van onbijbelse constructies waarmee allerlei vreselijke vergissingen, in het verleden onder leiding van de officiële christenheid begaan, werden goedgepraat (zoals jodenvervolgingen, wreed optreden tegen ketters, heksenprocessen).
Ook volgens andere auteurs valt op goede exegetische gronden te bestrijden dat de woorden in Genesis 9: 6 en Romeinen 13: 4 betrekking hebben op een door God geëiste doodstraf. Dit wordt bijvoorbeeld gesteld in een studie van dr. Hans Abma, getiteld Gerechtigheid zonder beul, in 1997 als proefschrift verdedigd aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland te Kampen.
Terwijl aan de bijbelse argumentatie ter verdediging van de doodstraf steeds minder betekenis werd gehecht, werd de rechtmatigheid van deze straf in de tweede helft van de twintigste eeuw steeds meer aangevochten. Deze ontwikkeling leidde ertoe dat in de Grondwet van 1983 de volgende bepaling werd opgenomen: 'De doodstraf kan niet worden opgelegd' (artikel 114). De bepaling was in 1981 door enkele kamerleden als amendement in de regeringsvoorstellen tot grondwetsherziening ingevoegd, door een meerderheid aanvaard (met de stemmen van het CDA en de kleine christelijke partijen tegen) en vervolgens door het kabinet-Van Agt overgenomen.
In de gegeven omstandigheden is de kans dat de doodstraf weer zal worden ingevoerd, minimaal. Daartoe zou immers een grondwetswijziging nodig zijn, waarvoor in beide kamers van de Staten-Generaal een meerderheid van twee derden vereist is. Gelet op het toegenomen politieke verzet tegen de doodstraf ziet het er bepaald niet naar uit dat een voorstel tot herinvoering in ons land voldoende steun zou krijgen. winst!