Terug naar Ecclesianet.nl

Onze kerkgang

Drs. J.G. Barnhoorn, Ecclesia nr. 18, augustus 2002

" ... groet niemand onderweg" Lucas 10 : 4b

Een Bijbelwoord, dat, hoewel vrij onbekend, naar de houding van het doorsnee-gemeentelid te oordelen heel populair is. Dat blijkt vooral op zondag, de dag van de openbare eredienst. Zie ze gaan, de kerkgangers: "Ik ben verblijd, wanneer men mij godvruchtig opwekt: "Zie, wij staan gereed om naar Gods huis te gaan. Kom, ga met ons en doe als wij." Jeruzalem, dat ik bemin, wij treden uwe poorten in ..." (Psalm 122 : 1). Ja, dat zingen wij graag, uit volle borst zelfs. Maar de blijdschap straalt er helaas zelden af, laat staan, dat er sprake zou zijn van een opwekking in de trant van: "Kom, ga mèt ons en doe als wíj ..." Ja, zelfs een groet aan het adres van onze mede-kerkgangers kan er, met uitzondering van een enkele goede kennis, bij velen niet eens af, om nog maar te zwijgen van de mogelijkheid, dat onze "opgang" ook maar één buitenstaander enthousiast voor de kerkgang zou kunnen maken.

In het kerkgebouw volgt de tweede acte van het treurspel. We gaan zitten zonder zelfs de man of vrouw náást ons een blik waardig te keuren. En blijkt deze niet in het bezit van een psalm- en gezangboek te zijn, wat raakt het ons? Soms merken wij het zelfs niet eens op. Alsof ons zingen - helaas niet zelden schrééuwen! - Gode aangenaam zou zijn, wanneer onze buurman of buurvrouw niet méé kan zingen. Heus: wij worden niet geacht, als ènkeling de lof des Heren te verheffen. Wij zijn als geméénte bijeengekomen! En wat de prediking betreft: niet zelden laten wij de woorden, in Gods naam gesproken, al kauwend - soms zelfs aan één stuk door - over ons heengaan. Iets, dat wij ons, bij de koningin op audiëntie, uiteraard niet zouden durven veroorloven, maar ten overstaan van de Koning der koningen steekt het kennelijk niet zo nauw. Gods huis: een ééthuis, waar wij, als gold het een sociëteit, tussen de bedrijven door ook nog het nieuws van de dag verhandelen.
Na afloop van de dienst het laatste bedrijf: zo spoedig mogelijk de kerk uit. Niet wachten, totdat het onze beurt is, maar voor anderen langs of zelfs tussen hen door zo vlug mogelijk naar de uitgang. En dan in de kortste keren naar huis. Geen oog voor de man of vrouw, die, alléén van huis gegaan, straks alléén weer thuis zal komen. "Groet niemand onderweg ..." Over geméénte-zijn gesproken!
Als ik thuiskom, valt mijn oog op het kerkblad. Even kijken: hoeveel waren het er ook weer, die zich in de beide laatste weken hebben laten uitschrijven of naar een andere kerk zijn overgegaan? En hoeveel zullen het er de volgende keer zijn? "Fijn, hè dominee, zo'n volle kerk?"

"... groet niemand onderweg". Staat dat dan niet in de Bijbel? Inderdaad, het stáát er. En elke ketter heeft zijn letter. Trouwens, het heeft ook nog alles met de Evangelie-verkondiging te maken. Leest U het maar na: de zeventig worden door Jezus uitgezonden, zonder beurs, zonder reiszak, ja, zelfs zonder sandalen, en, wat àlles slaat: "als lammeren midden onder wolven". Is dat nu wel verantwoord? "Ja", zegt Jezus, "want de prediking van het Koninkrijk heeft haast. Zóveel haast, dat je je niet kunt veroorloven, ook maar iemand te groeten. Dat kan niet. Daar is de situatie véél te ernstig voor."
Niet groeten? Wat vreemd! Jawel, maar niet zo vreemd, wanneer wij ons realiseren, dat het groeten bij de Joden heel wat meer inhield dan onder ons het geval is. Het ging met een stortvloed van woorden en een overmaat aan gebaren gepaard, zodat er heel veel tijd in ging zitten. Welnu, door dit ritueel achterwege te laten gaven oudtijds gezanten - en zo moeten wij de zeventig toch zien - te kennen, dat zij een bijzonder gewichtige taak te vervullen hadden, zoals b.v. ook blijkt uit de geschiedenis van de Sunamitische vrouw (II Koningen 4), waar wij, in vers 29, dezelfde vermaning als in ons tekstwoord tegenkomen.

Een vermaning, die mij aan mijn jongensjaren doet denken. Wanneer ik de pastoor van ons dorp, een vriendelijke man, tegenkwam, had hij altijd wel een groet voor mij over. Maar kruisten zich onze wegen, als hij één van zijn parochianen ging "bedienen" - nòg zie ik hem gaan: de gewijde hostie, het sacrament der stervenden, eerbiedig geborgen in de hand, die onder zijn priesterkleed schuilging - dan zag hij mij niet. Dan zag hij níemand, want hij had "ons Heer" bij zich!
Ons Protestanten is deze praktijk vreemd. Wij hebben een andere kijk op deze dingen. Maar ons tekstwoord mag ons níet vreemd blijven. De zaak van het Koninkrijk heeft haast, véél haast zelfs. Zóveel haast, dat onze kerkgang nu net géén zaak van haast mag zijn, geen "vluggertje", dat we als enkeling "even" afwerken. Ziet U die man daar? Vorige week is zijn vrouw begraven. Hebt U die vrouw, twee banken vóór u, al zien zitten? Een half jaar geleden is zij haar man kwijtgeraakt. En dat echtpaar vlak achter u? Al drie jaar lang rouwen zij om de dood van een kind ... Een groet? Het minste, dat God van ons vraagt. En beter nog: even belangstellend naar zijn of haar welstand informeren. En wat die patiënt in het ziekenhuis betreft, die U zojuist in de voorbede hebt horen noemen: men kan een ansichtkaart toch niet teveel van het goede noemen? Heus, het heeft alles met de Evangelie-verkondiging te maken.

En wat de kerkdienst zelf betreft: "God is tegenwoordig; God is in ons midden: laat ons diep in 't stof aanbidden ..." Hoort U het? Ons kerkgebouw: plaats van aanbidding. Géén sociëteit, géén eetgelegenheid. De lofzangen der kerk zijn er niet alleen om gezongen te worden. Wij dienen er ook onze eredienst naar in te richten. God, de Heilige, wil in éérbied door ons gediend worden, in ons spreken, zingen èn luisteren. Wij worden geroepen, ons niet als een toevallige verzameling individuen, maar als geméénte te gedragen. "U groeten al de heiligen", horen wij Paulus zeggen. Waar blijft ú met uw groet?