Terug naar Ecclesianet.nl

Koningin bij de gratie Gods

Drs. M. den Admirant, ‘s -Gravenhage

‘Wij Beatrix, bij de gratie Gods Koningin der Nederlan­den, Prinses van Oranje-Nassau enz., enz., enz.’. Zo luidt nog altijd de aanhef van alle koninklijke besluiten en wetten die in het Staatsblad worden uitgevaardigd. In onze Grondwet van 1983 komt de uitdrukking ‘bij de gratie Gods’ niet meer voor. Naar verluidt is nadien geprobeerd, deze woorden ook in de aanhef van wet­ten te laten vervallen, maar de pogingen zouden zijn ge­strand, doordat de Koningin zich ertegen zou hebben verzet. Waar komt de aanduiding ‘bij de gratie Gods’ vandaan en wat houdt ze in? Historisch gezien is het een in oorsprong kerkelijke formule, voor het eerst gebruikt op het concilie van Efeze (431), toen de bisschoppen de woorden Dei gratia achter hun titel voegden. Sedert de kroning van de Frankische vorst Pepijn de Korte (751) kwam de titel ‘koning bij de gratie Gods’ in zwang. Daarmee werd enerzijds uiting gegeven aan de erkenning dat er geen overheid is dan door God, en anderzijds aan het besef dat de koning niet regeert bij de gratie van paus of kerk, maar bij die van de Koning der koningen. In vorige eeuwen is de leer verkondigd dat de vorst zijn macht ontleent aan het droit divin: het goddelijk recht waardoor hij regeert. Hij is alleen aan God verantwoording schuldig voor zijn regeringsdaden, niet aan een volksvertegenwoordiging. Vooral de Stuarts in Enge land (Jacobus I en Karel I) en Lodewijk XIV in Frankrijk beriepen zich veelvuldig op het droit divin om hun auto cratie (alleenheerschappij) te rechtvaardigen. In zijn boek Ongeloof en Revolutie schrijft mr. G. Groen van Prinsterer dat in de formule ‘Soeverein bij de gratie Gods’ de theorie van het droit divin is vervat. De Soeverein is aan niemand verantwoordelijk dan aan God. Hij weet dat hem de eerbiediging van de rechten van anderen is opgelegd. ‘De rechten en vrijheden van de bevolking kunnen niet worden miskend zonder het recht van de Soeverein aan het wankelen te brengen’. Volgens Groen bestaat er in feite slechts tweeër lei staatsvorm: monarchie of republiek. De monarchie is heerschappij van één persoon, die een eigen en dus ook erfelijk gezag heeft. Dit gezag is absoluut, in die zin dat het is gebonden aan verordeningen van hogere oor sprong. Het gezegde: de Staat ben ik (‘L’état c’est moi’), gebezigd door Lodewijk XIV, geldt doorgaans voor het kort begrip van het onzinnigste despotisme. Maar Groen is van mening dat deze uitdrukking juist is, mits ze goed wordt opgevat. ‘Het wegvallen van de soevereine vorst in de monarchie is vernietiging van de Staat’. De tijden zijn intussen veranderd. Sinds de opkomst van de constitutionele en parlementaire monarchie, waarin de macht van de monarch door grondwet en volksvertegenwoordiging wordt beperkt, is de persoonlijke invloed van de koning(in) op het regeringsbeleid af genomen. Daarmee is ook de tegenstelling tussen monarchie en republiek vervaagd. In feite is Nederland sedert 1848 ‘een democratische republiek met een vorst uit het Huis van Oranje als erfelijk voorzitter’, zo schreef Conrad Busken Huet reeds in 1865. Wil dit nu ook zeggen dat we in onze tijd niet meer kunnen spreken van ‘een koningschap bij de gratie Gods’? Velen zijn inderdaad die mening toegedaan. Zij beschouwen deze term als ‘een laatste overblijfsel van een theocratische overheidsideologie’. Een consequente doorvoering van de scheiding tussen kerk en staat vereist volgens hen dat de uitdrukking uit de aanhef van onze wetten verdwijnt. Zij die vasthouden aan de gedachte van het ‘drievoudig snoer’ Kerk-Oranje-Vaderland denken er anders over. Voor hen betekenen de woorden ‘Koningin bij de gratie Gods’ de erkenning dat het Huis van Oranje naar Gods voorzienig bestel vanouds in ons land een zodanige positie inneemt, dat het als het ware geroepen is te regeren. Veel belang wordt gehecht aan de rol van prins Willem van Oranje in de bevrijding van de Nederlanden van het juk der rooms-katholieke Habsburgers. In deze visie heeft de uitdrukking ‘bij de gratie Gods’ alleen betrekking op de oorsprong, niet op de omvang van de koninklijke macht. Zó bezien is er dus geen reden om de bedoelde woorden uit de aanhef van de Nederlandse wetten te schrappen.