Terug naar Ecclesianet.nl

Kohlbrugge en de Pruisische Agende

T. van Es, Ecclesia nr. 17, augustus 2002

Kohlbrugge en de Pruisische Agende. Toen in 1817 de Lutherse en de Gereformeerde Kerk op bevel van de Pruisische Koning Friedrich Wilhelm III door een "Union" verenigd werden tot een "Evangelische Landeskirche", kwam de kerk onder gezag van de centrale burgerlijke regering te Berlijn. Dat dit niet aanvaard kon worden door hen, die altijd een presbyteriaal-synodale kerkregering voorstonden, valt te begrijpen. De 'wereld' mag geen zeggenschap hebben in de kerk.
Dat de Koning ten diepste weer een belijdende kerk wenste en daarbij de geestelijken (die vaak vormelijk bezig waren) in betere richting wilde sturen, was op zich een goed streven. Kohlbrugge erkende dat later ook in een catechisatie op 19 maart 1869, waar hij zegt: "Het was iets schoons van zijn koninklijk hart, dat te bedenken". Maar in de omgeving van Wuppertal-Elberfeld kwam er verzet tegen deze opgelegde "Union". Toen daarnaast ook nog de liturgie, "Agende" genoemd, werd voorgeschreven, die voor beide kerken gelden zou, werd het verzet groter. Door dit protest deed de koning wat water in de wijn en kwam de klagers wat tegemoet. Hij vaardigde de z.g.n. "Kleine Agende" uit, die veel van het (voor de gereformeerden) aanstotelijke van de Agende miste. Maar dat was lang niet genoeg.
Jammer genoeg bogen uiteindelijk ook de Elberfelder predikanten G.D. en F.W. Krummacher het hoofd en hielden deze "kleine Agende". Maar een groep gemeenteleden te Elberfeld, onder leiding van de broers Carl en Daniel von der Heydt, bleef achter en ging niet mee. Juist dit laatste aspect, dat zij achter bleven terwijl de 'oude' kerk wel meeging, werd later van belang voor de afweging van Kohlbrugge om hun predikant te worden. Kohlbrugge beschouwde de groep als hen, die de wettige voortzetting van de 'oude' kerk waren, omdat deze zichzelf had opgeheven door in de 'nieuwe' op te gaan. Al in 1833, toen Kohlbrugge wegens ziekte naar Elberfeld gereisd was, begeerde deze groep gemeenteleden hem om als pastor te Elberfeld te blijven. Men zag in hem één, die het in aansluiting met Gods Woord, het wel tegen de Koning en zijn Agende zou durven opnemen. Opmerkelijk genoeg preekte Kohlbrugge gewoon in de Evangelisch-Reformierte Gemeinde te Gemarke, een gemeente van de Union dus. Daar zag hij blijkbaar geen bezwaar in. Toen hem uiteindelijk na 16 preken de kansels in Duitsland werden ontzegd, was het om deze reden: "omdat ik geen Union of Agende goed konde heeten". Pas twee jaar na zijn verblijf, in 1835, werd de "Kleine Agende" aangenomen. Kohlbrugge zag toen achteraf zijn gelijk dat hij in 1833 geen pogingen had ondernomen om predikant te worden in de Ev. Ref. Gemeinde. Hij schreef: "Intusschen ééne onuitsprekelijke smart en grievende droefheid heeft mijne ziel tevens zóó ingenomen, dat zij in mijnen slaap zelfs niet begeeft, sedert ik van alles nauwkeurig onderricht ben, wat er in Pruissen met de Agenden omgaat, en hoe dezelve ook in Elberfeld aangenomen zijn, en door de Krummachers afgelezen worden". We zien hier heel duidelijk hoe Kohlbrugge over de Agende dacht! Daarom vervolgt hij: "Van achteren zien wij de goedheid en trouw van al de leidingen Gods; want had men mij te Elberfeld tot het predikambt verder toegelaten, ik geloof, dat ik er nu het leven bij zou hebben ingeschoten. De kleine Agende is aangenomen, de groote moet weldra volgen". Het is duidelijk, Kohlbrugge zou zich nooit hebben laten dwingen de Agende aan te nemen! Hij noemde de achtergebleven gemeenteleden "de beste leden der gemeente" en vond de invoering van de Agende "verderfelijk voor de kerken in de Rijn-provincie" en voorzag dat het hier niet bij zou blijven maar dat "de invoering van de Agende slechts een brug gebouwd werd voor de Roomschen".

Hoe was het er in 1833 dan aan toegegaan?
Kohlbrugge had met vreugde gepreekt en verzocht daarom bij het Koninklijk Consistorium van Rijnland te Koblenz om examen af te leggen en daaropvolgend aangenomen te worden tot het ambt van predikant. Na veel verwikkelingen weigerde men hem dat, omdat, zo deelde men mee, Kohlbrugge zich tegen de kleine Agende (en zeker tegen de grote) verklaard had. "Men heeft mij de vraag gesteld, wat ik van de invoering van de Agende en kerkorde dacht en ik antwoordde: "Um alles nicht" (onder geen voorwaarde). De daarop volgende sluiting van de kansels in Duitsland voor Kohlbrugge zorgde ervoor dat hij weer naar Nederland terug ging. "Ik moest de Union aannemen en dat kon ik niet". Pas in 1845 ging hij weer naar Duitsland terug (hoewel hij enkele keren tussendoor een vakantiereis maakte) en verbleef aanvankelijk te Godesberg.
Daar maakte Kohlbrugge een aanvang met de "oefeningen" voor de alleenstaande groep gemeenteleden. Een groep gemeenteleden, die in de invoering van de Agende "verandering en vervalsing van de naar Gods Woord gereformeerde kerk" zag. Het jaar daarna ging hij door naar Elberfeld om met hen als broeders samen te wonen. Tegen de jeugd zei Kohlbrugge later: "Te Elberfeld gekomen vond ik op kerkelijk gebied een treurige toestand. Luister goed, jongelui! Uw ouders kwamen niet meer in de kerk, want de Agende, al was het dan ook de kleine, was ingevoerd. Al hadden de heren predikanten zich aanvankelijk beslist als tegenstanders verklaard, toch waren ze daarna gezwicht en gaven toe toen men hen bedreigde. Maar de Heere heeft ook op een verschrikkelijke wijze van de hemel geantwoord en getoond hoe weinig welgevallen Hij had in hetgeen te Elberfeld plaats vond." Na enige tijd deed Kohlbrugge een poging om in de Ev. Ref.Gemeinde aangenomen te worden. Veel besprekingen met de kerkenraad aldaar volgden. Deze stap werd hem niet in dank afgenomen door de groep rond de gebroeders Von der Heydt. Zij waren onder geen beding van plan terug te keren, ook niet als de Agende zou worden afgeschaft. Men meende dat Kohlbrugge zijn bijzondere zending, die God hem had opgedragen, zou hebben veronachtzaamd. Maar Kohlbrugge stelde hen gerust, door hen zijn schriftelijke verweer tegen de Agende voor te leggen en zijn motieven ophelderde. Waarom Kohlbrugge dan toch deze poging heeft ondernomen is niet geheel duidelijk. Maar achteraf kan men wel zeggen dat hij daarmee werkelijk alles getracht had en niet lichtvaardig een 'vrije' gemeente zou gaan dienen. Hij zei vooraf: "Mijn streven is nu om de Elberfeldsche kerk van de Agende vrij te krijgen" Zo ging hij de onderhandelingen met de kerkenraad in. Daar maakte Kohlbrugge onomwonden zijn standpunt duidelijk: "Ik ging toen naar de predikanten en zei: "Mijne heren, ik ben gekomen ter wille van de verstrooide schapen, waarmee ik sedert 1833 verbonden ben, die nu echter dwalen in de woestijn. Zij moeten verzameld worden, help mij daarbij! Neemt mij op als lid van uw gemeente. Maar één ding zeg ik u: ik protesteer tegen de Union en de Agende, en zó moet gij mij aannemen". Dat liep met horten en stoten, maar: "Het examen wilde men mij schenken, met de Agende zou men mij niet bezwaren". "Men begint te begrijpen dat ik van nut zou kunnen zijn. Niets zal mij in den weg gelegd worden, veeleer zal men mij den overgang gemakkelijk maken, door alles voor mij uit den weg te nemen, zooals Agende en anderszins"
Uiteindelijk was men overwegend positief. Kohlbrugge werd aangenomen als lid. Hij was ervan overtuigd dat hij duidelijk genoeg gemaakt had, dit alleen te willen zijn als hij vrij zou zijn van Agende en kerkordening.
Zo was het ook in de gemeente bekend geworden: "Men is nu algemeen in de stad er van overtuigd, dat ik zonder verplichting tot Agende en kerkordening mij heb laten aannemen, maar helemaal rond was de zaak niet. "Ik heb van uit het Kabinet van den Minister van Eeredienst nog geen direct antwoord op mijn laatsten, maar wel een indirect, hetgeen daarop neerkomt, dat men eigenlijk niet begrijpt, hoe ik die twee partijen tot een wil brengen, dat ik beiden niet zal kunnen voldoen, en dat, zoo ik niet te zeer (daar men niet wist, hoe ik in de kerk kon optreden, zonder verbintenis aan Agende en kerkordening) tegen eene separatie opzag, ik liefst zou wachten, totdat het nieuwe Toleranz-edict uitkwam en op grond daarvan eene vrije gemeente te vormen" De kerkenraad was niet zo duidelijk in zijn spreken geweest. Eerst was het: "Zoals mij verhaald werd, waren 12 van de 22 ouderlingen, met K. aan het hoofd, voor afschaffing van de Agende en kerkordening. K. zelf zeide mij, dat het er door moest, en stelde mij voor, dat ik als vijfde in de rij der predikanten zoude opgenomen worden, en dan was daarmee de breuk geheeld. - B. zeide mij: Ik zou mij laten aannemen, onder voorbehoud, dat ik niet tot Agende en kerkordening verplicht was. Dit, in verband gebracht met dergelijke voorstellen uit Berlijn: dat ik met dispensatie van Agende en kerkordening om de beroepbaarheid slechts had te vragen, en dat ik als vijfde onder de predikanten in de rij kon opgenomen worden". Maar algauw bleek dat men helemaal niet van plan was te strijden tegen de Agende, maar dat Kohlbrugge zich diende te onderwerpen aan het gezag van de kerkenraad. Daarbij werden leugens niet geschuwd! Want: "K(rummacher). heeft zich verschrikkelijk gecompromitteerd; - bij den een verhaald, dat het nu hunne plicht was, den koning te verzoeken om van Agende en kerkordening los te komen, bij den ander, dat ik alles onvoorwaardelijk had aangenomen, Agende en kerkordening". Kohlbrugge protesteerde tegen deze valse voorstelling. Hij was altijd tegen de Agende geweest en zou dat blijven ook. "Daarop is de bom losgebarsten, nadat ik mij verklaard had, dat zij wisten, hoe ik hier gekomen was, welke verplichtingen ik op mij genomen had, dat ik daaraan trouw bleef".
Kohlbrugge kon met een gerust gemoed schrijven: "Ik heb aan Strausz te Berlijn geschreven om toelating tot examen met dispensatie van Agende en kerkordening". Dat was de lijn die hij altijd had vastgehouden.
Ondanks de andere indruk die zij gewekt hadden moest Kohlbrugge verklaren: "Nu zeggen zij ronduit dat zij de kerkordening blijven houden". Bedrieglijk was de handelwijze van een van de predikanten want: "B(all). had mij eenige dagen voor mijne aanneming mondeling geraden, dat ik in mijn schrijven mij bedienen zoude van de woorden: "Mit Vorbehalt von Agende und Kirchenordnung". Toen Kolbrugge hem de conceptbrief liet zien, vroeg B. of hij er iets in mocht veranderen omdat Kohlbrugges Duits niet zo goed was. Na de aanneming ontkende B. dat dit erin gestaan had. B. verklaarde dat, had het woord "kerkordening" erin gestaan, "hij de eerste zoude geweest zijn om tegen mijn aanneming te zijn! Zulke leugens hebben zij een aantal." aldus Kohlbrugge.
De breuk was compleet en alles richtte zich op de komst van het Toleranz-edict, (een wettelijke toestemming van de Koning tot vestiging van een vrije gemeente) zodat niets meer de vestiging van hun eigen gemeente in de weg zou staan. Kohlbrugge zag er verlangend naar uit. "Wij krijgen een gereformeerde kerk, onafhankelijk van den Staat en van de Landskerk; - mijne ambtsverrichtingen worden met die der overige predikanten gelijkgesteld en erkend. Wij houden de oude belijdenissen, formulieren enz. De Koning moet zeer ingenomen zijn met wat wij willen." Maar hij zag het niet als iets waar hij naar toe werkte: "Ik ben ontzettend tegen afscheiding, en ik hoop evenzeer!, dat ze spoedig zal komen, opdat de ongedoopte inderen van mijn vrienden hier vrij gedoopt kunnen worden". Zodra dit Edict op 30 maart 1847 verscheen, ging men over tot constituering van de nieuwe gemeente.

In het "woord vooraf" van het formulierboek ten gebruike in de gemeente begint men meteen met de historie van de Agende, dit als uitleg en rechtvaardiging van de stichting van de eigen gemeente. "De acte van de stichting van de gemeente vermeldt: "Wij komen met blijdschap op voor de leer en de kerkorde, die van oudsher in de naar Gods Woord gereformeerde kerk gehandhaafd is geweest." Daar was het hun altijd om te doen geweest. Wat Kohlbrugge betreft, zijn standpunt is uit bovenstaande citaten te zien als iemand die altijd, van 1833 af, tegen de Agende en kleine Agende geweest is. Daar heeft hij veel voor over gehad. Maar Kohlbrugge bleef onbeweeglijk op zijn standpunt staan en heeft geen concessies willen doen waar hij vond dat Gods Woord hem dat verbood. Böhl zegt: "Al weerden de leiders der Kerk hem van hunne kansels, toch bleef hij, wat hij was: een gereformeerd leeraar, die niets aan de zoogenaamde Union wilde te danken hebben, maar op den grond der aloude Kerk dezer landen onwrikbaar stond, en zich op dezen grond handhaafde. Zoo doende heeft hij de gereformeerde Kerk gered".
Steeds ging deze gemeente door met het verdedigen van de oude leer. In de Elberfelder Zeitung van 25 sept. 1853 betoogt Carl von der Heydt dat een gereformeerde de Augsburgse Confessie niet ondertekenen kan. Kohlbrugge was het daar van harte mee eens. Kunnen wij daar heden niet iets van leren?