Terug naar Ecclesianet.nl

Jezus Kurios

Ds. L.J. GELUK, Rotterdam

Men zou het eigenlijk niet verwachten: terwijl het aantal kerkleden voortdurend afneemt, verschijnen er de laatste 20-25 jaar steeds meer studies over het christelijke geloof. Soms zijn het boeken die gewijd zijn aan een bepaald aspect daarvan, soms zijn het omvangrijke totaaloverzichten. Bij de laatste denk ik aan de vijf delen Wegen en Kruispunten in de dogmatiek, begonnen in 1978 , van de hand van de hoogleraren EJ. Beker en J.M. Hasselaar, gevolgd door het veel omvangrijker reuzenwerk van B. Wentsel, dat onlangs werd voltooid. J. van Genderen en W.H. Velema gaven enkele jaren geleden hun Gereformeerde Dogmatiek uit en het klassieke werk van die naam van de hand van Herman Bavinck, dat zijn definitieve vorm kreeg in de jaren 1908-1911, kreeg recentelijk zijn zevende druk. Verder kunnen in dit verband nog de vele edities van H. Berkhofs Christelijk Geloof en De kern van het christelijk geloof van de zendingsman J. Verkuyl" genoemd worden. Te denken valt eveneens aan de vele studies van C. Graafland, H.M. Kuitert, E.P. Meijering, K. Runia, W.H. Velema en anderen meer. Het zich bezighouden met de betekenis van het christelijk geloof, het vertolken daarvan en de belangstelling daarvoor is bepaald niet afgenomen.

Zeker moet in dit verband ook de naam genoemd worden van dr. A. van de Beek, die namens de Nederlandse Hervormde Kerk als hoogleraar dogmatiek en bijbelse theologie aan de Rijksuniversiteit te Leiden doceert. Nadat hij al meerdere publicaties op zijn naam had staan, gaf hij eind vorig jaar het eerste deel van een nieuwe serie in het licht. Hoeveel delen hij denkt te schrijven is niet meegedeeld. Het blijft voorlopig bij de aankondiging dat wij "een reeks boeken over kernvragen in de theologie" mogen verwachten. De schrijver is gestart met: "Jezus Kurios -De Christologie als hart van de theologie". Voor enkele indrukken die deze studie bij mij opriep, wil ik nu de aandacht van de lezers en lezeressen vragen.

In het eerste gedeelte leidt de auteur ons rond in de vroeg-christelijke kerk. Hij vertelt hoe door de theologen van de eerste eeuwen over Jezus Christus, de Zoon van God, werd gedacht en geschreven. Wij maken kennis met de verschillende opvattingen en accenten in de scholen van Antiochië en Alexandrië, de concilies van Nicea en Constantinopel, Efeze en Chalcedon. De schrijver verstaat de kunst ons met een boeiend verhaal rond te leiden door de bakermat der christenheid. Opvallend is dat hij, geheel tegen de trend in, zich uitspreekt voor de Godheid van Christus. Het kan bekend zijn hoe vrijzinnige hoogleraren uit de Gereformeerde Kerken recentelijk van deze belijdenis afscheid hebben genomen. De uitspraak van bisschop Zephyrinus van Rome (198,199-217) "Ik ken één God, Christus Jezus en buiten Hem geen ander, die geboren is en geleden heeft" en Luthers woord uit de Tischreden (tafelgesprekken) "Ik wil van geen andere God weten dan alleen van Hem, die aan het kruis gehangen heeft, namelijk Jezus Christus" zijn voor professor Van de Beek en zijn boek bepalend. Dat is dus geheel tegengesteld aan wat vandaag de dag door velen wordt geleerd en verkondigd. De lezer die de achterzijde van de band van het onderhavige boek nog niet gelezen heeft en van harte met het klassieke dogma, de klassieke belijdenis van de kerk der eeuwen: Christus, God èn mens, is toegedaan, voelt zich gesterkt. Hij ervaart niet alleen te staan in zijn innigste geloofsovertuiging.

In het tweede deel onderwerpt de schrijver de gegevens van het Nieuwe Testament aan een onderzoek. Zij leveren hem hetzelfde resultaat. "Ook al stond het nergens expliciet, dan blijkt uit het hele mozaïek van het Nieuwe Testament dat we Jezus met God moeten vereenzelvigen" (blz. 113). In dit verband wordt ook de Duitse geleerde Martin Hengel genoemd, die verscheidene publicaties juist aan dit onderwerp heeft gewijd. Wanneer het verwijt, bijvoorbeeld vanuit het Jodendom wordt gehoord, van tweegodendom, wijst de schrijver op de enig begaanbare weg, dat is de.trini-tarische, die zich al duidelijk in het Nieuwe Testament aftekent (blz. 116). Blijkens 1 Kor. 8:6, waarin Jezus wordt opgenomen in 'de eenheid van het Sjema uit Deuteronomium 6 ("Hoor Israël, ...." LJG) wordt Hij met God op één lijn geplaatst" (blz. 117). "Jezus is dus één met de Vader in wil, in werk, in eer, in volmacht, in oordeel" (id.). Het betoog (op blz. 121) tegen het filioque van de westerse Kerk (de Heilige Geest, die van de Vader en van de Zoon) uitgaat heb ik echter niet kunnen volgen. De formulering: ... die van de Vader uitgaat door de Zoon, zoals in verzoeningspogingen tussen de Kerk in het Oost en West na de breuk van 1054 bepleit, komt de schrijver meer verantwoord voor.

Het derde deel is gewijd aan "Jezus in elke cultuur". Daarin doorlicht hij enkele christologische "modellen". Het vierde en laatste deel draagt als opschrift "Christus en de godsdiensten". Daarin gaat hij in een afzonderlijke paragraaf in op "Jezus en de islam". Hij sluit af met enkele regels over "Jezus en Israël". Daarin kondigt hij een afzonderlijke studie over dit thema aan. De Leidse dogmaticus heeft voorlopig nog heel wat te doen! Tenslotte zijn aan het boek toegevoegd: een toelichting bij gebruikte begrippen, een overzicht van de zeven oecumenische concilies, een literatuurlijst (15 bladzijden) en een drietal registers. Opvallend afwezig in de literatuurlijst is het tweedelige werk Christologie, de leer van het komen Gods, dat dr. F.W.A. Korff schreef, die van 1933 tot 1942 namens de Hervormde Kerk als dogmaticus in Leiden doceerde. Ook het originele boek van dr. W. Aalders Wet, Tragedie, Evangelie een andere benadering van het Boek Job (1979), dat Job in verband brengt met de Griekse tragedies, ontbreekt. En waarom laat de schrijver dr. H.F. Kohlbrugge die uiterst indringend over de incarnatie geschreven heeft, onvermeld?

Eigenaardig is dat de schrijver soms ineens de geleerde betoogtrant verlaat en overgaat op het gebruik van een bijna triviaal beeld, zoals dat van de bakker die ook raadslid is (blz. 84) of een zin als "Het is geen lol-letje om God te zijn op aarde". De lezer stuit plotseling op een passage in de "jij" stijl zoals op blz. 123: "Christen zijn is nooit een ideologie die lekker ligt. Het belijden van de Heer ontwricht je. Christen ben je daarom met vreze en beven. Zo bewerk je je redding, niet vanwege je eigen gelijk, noch dogmatisch, noch ethisch, maar omdat God het willen en het werken werkt". Zijn soms gedeelten van het boek gebruikt op de kansel of voor een lezing en daarna zonder controle in de kopij beland?

Op allerlei onderdelen kan men vragen stellen. Is het terecht de scholen van Antiochië en Alexandrië zo tegen elkaar uit te spelen? Mag men aan het woord uit de Tischreden van Luther zo veel ophangen? Kan men nu echt zeggen dat zondag 10 van de Heidelberger Catechismus ook een islamitische tekst zou kunnen zijn? Is er goede grond voor een bewering als deze: "De religieuze existentie van christenen in het westen is in hoge mate gevoed door de Confessiones (nl. van Augustinus, LJG). Al te veel wordt daarbij vergeten dat Augustinus kan worden verstaan tegen een Noord Afrikaans Semitische achtergrond, met een sterke nadruk op de overmacht van God en de afhankelijkheid van de mens. Het is dezelfde achtergrond als van de islam en het is dezelfde religieuze beleving". De schrijver plaatst een noot bij Augustinus' Afrikaanse Semitische achtergrond, met daarin o.a. een verwijzing naar een brief uit 389 aan Maximus Madaurensis waarin de zinsnede "omdat wij beiden in Afrika zijn gevormd". Maar Augustinus houdt de heidense rhetor Maximus daarin slechts voor, dat deze als Afrikaan net als Augustinus, best weet wat malle Punische namen betekenen. Het gaat daar dus over gemeenschappelijke kennis van het Punische dialect!

Het grootste bezwaar tegen dit nieuwste boek van professor Van de Beek is evenwel het volgende. Als een rode draad loopt hierdoor heen het vraagstuk van het lijden. De schrijver is hierdoor, kan men wel zeggen, geobsedeerd. Al eerder heeft hij zijn visie hierop neergelegd in zijn Rechtvaardiger dan God: gedachten bij het boek Job (1992).

Hij handhaaft de klassieke leer-uitspraken van de Kerk over de persoon van Christus en de goddelijke drie-eenheid. Tevens stelt hij zich op het Christomonistische standpunt van Karl Barth. Dat houdt de overtuiging in dat wij buiten Christus om niets van God kunnen weten. Maar hij komt, evenals Karl Barth, tot het theopaschitisme en dat in een uiterst radicale vorm. Theopaschitisme, dat is de leer dat God lijdt/kan lijden. Daarbij blijft het niet. Hij stelt God mede-verantwoordelijk voor het lijden in de wereld. Marcion, in de tweede eeuw kwam ertoe twee goden te leren: één kwade god, aan wie we de (slechte) schepping te danken hebben, en één goede god, die verlossing heeft bewerkt. Voor Van de Beek heeft God de consequenties voor Zijn gebrekkige schepping aanvaard en is Hij daarom in Christus in het lijden ondergegaan. Zo lezen we een uitspraak als: "Voor mij als christen zijn God en mens veel meer (dan in de Islam, LJG) verweven met het kwaad. Dat betekent dat God geen schone handen heeft. De klacht van Job over het beleid van ons bestaan is reëel. Daarmee wordt God zelf betrokken in het lijden en de schuld" (blz. 275). "God vervloekt zichzelf, niet uit wanhoop, maar uit recht" (blz. 155). Want God is verantwoordelijk voor het mislukken van de wereld! Professor Van de Beek legt de oorzaak van de zonde in God. En de verzoening der zonden is dan "dat God en mens samen sterven aan de schuld der wereld, met alles wat daarin gebeurt, gebeurd is en gebeuren zal" (id.). In de visie van Van de Beek is de schuld der wereld dus mede Göds schuld ... In het lijden van Christus neemt God de verantwoordelijkheid van het kwaad in de wereld op zich. Met deze stelling gaat de schrijver ver over de bijbelse schreef.

Is er dan in God duisternis? Is dan in Hem onrecht gevonden? Is Hij niet louter goed? Is Christus niet Overwinnaar? De bijbelse notie van de goddelijke gerechtigheid die Jezus vervult en weer opricht, had niet slechts in het voorbijgaan genoemd mogen worden, maar centraal dienen te staan.

Jezus Kurios geeft daardoor in het geheel niet wat de onbevangen lezer aanvankelijk mogelijk verwacht. Het is een vorm van Theologia Crucis (Kruis-theologie), die argeloze lezers misschien zal aanspreken, maar die volstrekt verschilt van de klassieke opvatting daarvan. Voor Luther bijvoorbeeld is met het kruis van Christus onlosmakelijk de notie van Gods toorn over de zonde verbonden. Maar in het trefwoordenregister, dat 12 kolommen omvat, ontbreekt zowel het woord "toorn (Gods)" als "gerechtigheid (Gods)".

Jezus Kurios is uiteindelijk een troosteloos boek. Al erkent professor Van de Beek gelukkig de opstanding, ook de lichamelijkheid van de opstanding van Christus, deze opent helaas geen perspectieven. Mede door contacten in de derde wereld, met haar ontzaglijke problemen, is de schrijver een somber mens geworden. Hij erkent: "Ik zou het westen willen ontvluchten en kan het niet, niet alleen omdat mijn huis mij lief is, maar ook omdat ik zelf het westen ben en mezelf overal meeneem" (blz. 219).

Het boek geeft niet de bemoediging die de titel zou doen vermoeden. Dat is te betreuren.

* De titel betekent: Jezus (is) Heer.