Terug naar Ecclesianet.nl

In onbalans

Ds. L.J. Geluk. Rotterdam

Tijdens het SoW-proces moest ook het aantal predikantsopleidingen op de helling. Gedurende vele decennia kende de Nederlandse Hervormde Kerk er vier. Zij maakte gebruik van de theologische faculteiten van de Rijksuniversiteiten te Leiden, Groningen en Utrecht, alsook die van de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam. De Gereformeerde Kerken telden er twee, namelijk die van de Amsterdamse Vrije Universiteit en de Theologische Hogeschool, nadien ook Universiteit, van Kampen. De Evangelisch-Lutherse Kerk had een eigen seminarie, dat was gelieerd aan de Universiteit van Amsterdam. Het was een pijnlijke operatie, waaruit tenslotte “Leiden“, “Utrecht“ en “Kampen“ overbleven, met daarbij twee seminaria, te weten het Evangelisch-Lutherse te Utrecht en het voorheen Hervormde seminarium “Hydepark“ te Doorn. Met de komst van de PKN is dit alles in ordinantie 13 van haar kerkorde vastgelegd.

Maar de tijd gaat verder. De theologische faculteit van de universiteit van Utrecht bestaat inmiddels niet meer als een zelfstandige faculteit. Zij is nu een onderdeel, een ‘subfaculteit’ van de faculteit van Geesteswetenschappen, waarin ook studierichtingen als filosofie en psychologie zijn opgenomen. Er gaat nog meer veranderen. Om op die veranderingen in te spelen, heeft de generale synode van de PKN besloten om te komen tot de oprichting van een Protestantse Theologische Universiteit (PThU), waarin verenigd zullen zijn “Kampen“, de beide seminaria en het Theologisch Wetenschappelijk Instituut, dat is de instelling waarin thans de kerkelijke hoogleraren en docenten verenigd zijn. De op te richten Protestantse Theologische Universiteit beoogt “het verzorgen van theologisch wetenschappelijk onderwijs, het verrichten van theologisch wetenschappelijk onderzoek, de nadere voorbereiding op het predikantschap en de nascholing van de predikanten, kerkelijke en maatschappelijke dienstverlening“, aldus de nieuwe lezing van Ord. 13, art. 2 lid 3, waarover de classicale vergaderingen voor 1 oktober van dit jaar moeten considereren.

Tot zo ver is duidelijk wat de leiding van de kerk voor ogen staat. Mijn verbazing wordt gewekt door wat dan als lid 4 volgt: “De Protestantse Theologische Universiteit draagt bij aan het bewaren en aan de gehele kerk dienstbaar maken van de lutherse traditie“.

Waarom wordt hier alleen de lutherse traditie genoemd? Waarom niet de gereformeerde, de calvijnse? Waarom moet aan de gehele kerk, die traditie worden dienstbaar gemaakt? En hoe dienstbaar moet dat dan? Maar er is meer.

De hele structuur van de nieuwe universiteit maakt een zeer ingewikkelde indruk. Er zal veel overleg geweest zijn eer dit voorstel in kerkordelijke vorm gegoten op papier stond. Mijn verbazing stijgt verder wanneer blijkt dat het niet blijft bij een dienstmaar maken van de lutherse traditie aan de gehele kerk. Het voorstel houdt in, dat bij de benoeming van hoogleraren en docenten aan de PThU de Evangelisch-Lutherse synode voor de hele PKN het heft in handen heeft!

De Evangelisch-Lutherse Kerk heeft zich in een vrij laat stadium bij het SoW-proces aangesloten. Als kleine minderheid vreesde zij onder de Hervormde en Gereformeerde “massa“ bedolven te worden. Daarom heeft zij bedongen een eigen synode te mogen behouden. Dat is haar toegestaan. Op zich is dat al een verwonderlijke gunst. Maar in de onderhavige voorstellen groeit deze gunst uit tot een complete macht over het geheel. Want wanneer hoogleraren en docenten voor de Prot. Theologische Universiteit benoemd moeten worden - de hele procesgang zal ik de lezers besparen - dient overeenstemming met de generale resp. de kleine synode van de PKN bereikt te zijn. Van dit instemmingsrecht kan eventueel (aldus art. 6 lid 9) worden afgezien. Dit betekent dat hoogleraren en docenten ook buiten generale of kleine synode om kunnen worden aangesteld door het College van Bestuur van de PThU. Maar waarvan niet en nooit kan worden afgezien is dat bij iedere benoeming en ieder ontslag van een hoogleraar of docent het College van Bestuur overeenstemming dient bereikt te hebben met de Evangelisch-Lutherse synode(art. 4 lid 3; cursivering van mij, LJG)! Daar kan men kerkordelijk nooit omheen, als dit eenmaal in de kerkorde is vastgelegd. Iedere benoeming zal dus de goedkeuring moeten wegdragen van de lutherse synode, die daarmee “macht“ krijgt over alle benoemingen.

Hierdoor wordt het vetorecht toebedeeld aan een heel klein onderdeel van het geheel van de PKN. Dat deze “minderheid“ heeft weten te bereiken dat dit voorstel naar de classicale vergaderingen van de PKN is gegaan is al verwonderlijk. Wanneer dit dadelijk door een meerderheid van deze vergaderingen zou worden geaccepteerd en door de synode tot regel verheven, zou dit des te verwonderlijker zijn. De verhoudingen in de PKN zijn dan wel totaal in onbalans.