Terug naar Ecclesianet.nl

Het verhaal van dr. Hebe Kohlbrugge

M. den Admirant

Twee maal twee is vijf, zó luidt de titel van een  kortgeleden verschenen boek, waarin dr. Hebe Kohlbrugge verslag doet van haar bewogen leven. Ze wil ermee zeggen dat het leven nu eenmaal geen wiskunde- of rekensom is, maar vaak tegen de draad in gaat. Duidelijk blijkt dit als zij verhaalt van haar ervaringen in Hitler-Duitsland in de jaren dertig, van haar verzetswerk, arrestatie en gevangenschap tijdens de Tweede Wereldoorlog  en van haar activiteiten in Oost-Europa in de naoorlogse periode.
    Hebe Kohlbrugges verhaal gaat niet alleen over haarzelf. We ontmoeten allerlei mensen die onverschrokken standhielden in hun verzet tegen nationaal-socialisme of communisme. Ook Hebes oudere zuster prof. dr. Hanna Kohlbrugge (1911-1999) wordt in het boek dikwijls genoemd.

Hebe Kohlbrugge werd op 8 april 1914 te Utrecht geboren als jongste van vijf meisjes in het gezin van de landbouwkundige Hermann Kohlbrugge en Johanna Elisabeth Barner. Zij is een achterkleindochter van dr. Hermann Friedrich Kohlbrugge. In haar kinderjaren kon het weleens hinderlijk zijn zo’n bekende theoloog als overgrootvader te hebben. Op school kreeg ze namelijk van de juffrouw te horen: ‘Jij heet Kohlbrugge en je hebt je psalmversje niet geleerd!’.
    Na haar HBS-opleiding en een eenjarige cursus verpleging werkte Hebe enige tijd als ‘au pair nurse’ in Engeland bij een neef van Winston Churchill. In 1936 vertrok ze naar Berlijn om een opleiding bij een ‘Seminar für kirchliche Frauendienst’ te volgen. Het seminarie was gevestigd in Berlin-Dahlem, waar ds. Martin Niemöller, een fel tegenstander van Hitlers anti-joodse ‘Ariërparagraaf’, wijkpredikant was. Tijdens haar verblijf in Berlijn ontdekte Hebe al spoedig de ware aard van het nationaal-socialisme.
    Als onderwerp voor haar scriptie in het tweede jaar van het seminarie koos ze: het zondebegrip bij Kohlbrugge. Het onderwerp was veel te moeilijk, maar ze was daardoor genoodzaakt zich in de preken van Kohlbrugge te verdiepen en die raakten haar. Haar zuster Hanna, met wie Hebe het heel goed kon vinden, had al sinds haar gymnasiumtijd belangstelling voor deze preken aan den dag gelegd. Zij vertelde Hebe dat vooral de uitleg van het Oude Testament haar bezighield. En niet minder het zo sterk onderstreepte ‘dennoch’ (nochtans): al zie ik niets, toch is God er steeds voor de gehele wereld.
    Na voltooiing van haar studie stelde Hebe Kohlbrugge zich ter beschikking van de Belijdende Kerk. Ze assisteerde ds. Günther Harder in Fehrbellin, 60 km ten noorden van Berlijn. Toen ze eens per auto preken van Niemöller had rondgebracht bij verscheidene predikanten van de Belijdende Kerk in Brandenburg, werd ze door de Gestapo opgepakt, in Potsdam gevangengezet en vervolgens ‘für ewig’ uit Duitsland uitgewezen.

Verzetswerk
Terug in Nederland raakte ze na de Duitse inval weldra betrokken bij het verzetswerk. Samen met haar zuster Hanna werkte ze mee aan de verspreiding van illegale brochures, zoals die van dr. J. Koopmans, getiteld Bijna te laat, waarin fel geprotesteerd werd tegen de zgn. Ariërverklaring. In 1942 wist Hebe via België en Frankrijk clandestien Zwitserland te bereiken. Ze ontmoette er dr. Alfred de Quervain in Lauffen, dr. W.A. Visser ’t Hooft in Genève en prof. dr. Karl Barth in Bazel. Aan Barth legde ze een aantal vragen voor, die ze van dr. K.H. Miskotte en dr. J. Koopmans had meegekregen. Na een verblijf van zes weken in Zwitserland keerde Hebe naar Nederland terug met een brief van Barth, gericht ‘an meine Freunde in den Niederlanden’. De brief werd vertaald, illegaal gedrukt en in groten getale verspreid. Op de vraag of een groep kerkleden meningen mocht uiten en publiceren, die ver uitgingen boven wat van officiële kerkelijke zijde werd gezegd, antwoordde Barth: ‘Ja! Van officiële kerkelijke instanties zijn over de gehele wereld slechts half ware, slappe en slechts ten dele bindende beslissingen te verwachten..’.
    Hebe Kohlbrugge hervatte haar activiteiten in het verzet. Zij werkte voor de O.D. (Ordedienst) en maakte zich in april 1944 gereed voor een overtocht  -via België, Frankrijk en Spanje- naar Engeland, om er contact op te nemen met de Nederlandse regering in Londen. Nog in Nederland, werd ze in de trein gearresteerd, omdat haar valse persoonsbewijs, op naam van Christine Doorman, argwaan wekte. Ze kwam terecht in de Scheveningse gevangenis, het ‘Oranjehotel’. Hebe, alias Christine Doorman wendde voor dat ze een Rijksduitse was, die haar verloofde in Zwitserland had willen opzoeken. De Duitsers geloofden het en legden haar een betrekkelijk milde straf op: ze kreeg tien maanden en werd ‘voor eeuwig’ uit Nederland verbannen. Van Scheveningen werd ze overgebracht naar het concentratiekamp Vught. Later ging ze naar het vrouwenkamp Ravensbrück in Duitsland. Toen in januari 1945 de tien maanden om waren, kwam Christine Doorman vrij en werd ze door de kampleiding op de trein naar Berlijn gezet. Als Hebe Kohlbrugge keerde ze, na een uiterst moeilijke reis, tijdens de
hongerwinter in Nederland terug.

Contacten met Oost-Europa
Nadat ze in 1947 een baan had gevonden bij de Raad voor Kerk en Overheid van de Nederlandse Hervormde Kerk, werd Hebe Kohlbrugge weldra belast met het secretariaat van de Duitsland-Commissie, die zich inzette voor hulp aan onze oosterburen. Ze maakte een reis dwars door het ontredderde Duitsland en bezocht ook het destijds door de Russen bezette oostelijk deel. Gesprekken met Johannes Hamel, een studentenpredikant in Halle, resulteerden in de organisatie van een Oost-West conferentie. Gedurende een reeks van jaren, van 1950 tot 1963, werd zo’n  conferentie gehouden, tot 1961 in West-Berlijn, daarna vanwege de bouw van de ‘muur’ in Oost-Berlijn.
    Vanaf 1957 werkte Hebe Kohlbrugge bij de Generale Diaconale Raad om de sectie Internationale Hulpverlening (Werelddiaconaat) op te bouwen. Haar Oost-Europa-werk mocht ze voortzetten. Samen met haar zuster Hanna nam ze in 1961 deel aan de eerste Christelijke Vredesconferentie (CFK) in Praag. In een Tsjechische gemeente waren ze zondags te gast bij een ouderling, die een preek van hun overgrootvader in het Tsjechisch liet zien. Als herinnering moesten ze hun namen op het traktaatje schrijven.
    Hebe Kohlbrugge legde in Oost-Europese landen vele contacten. Ze bezocht ook de DDR, Zevenburgen (Roemenië), Hongarije, Polen en Rusland. Wegens haar daadwerkelijke steun aan dissidenten werd ze in verscheidene Oostbloklanden persona non grata. In 1972 beëindigde ze haar werkzaamheden voor het Werelddiaconaat, maar op eigen gelegenheid zette ze haar activiteiten in Oost-Europa  tot  1989 voort. 
    Als dank voor haar werk ontving ze in 1991 van de Karelsuniversiteit in Praag een eredoctoraat. De hoogleraar Jakub Trojan, die haar voor deze onderscheiding voordroeg, gaf de volgende motivering: ‘Hebe Kohlbrugge heeft getracht de door het systeem gebouwde barrières te slechten en een gesprek tussen theologen en filosofen van Oost en West gaande te houden. Zij deed dit met een enorm elan, waardoor velen van ons kennis konden nemen van hetgeen in het Westen werd gedacht, terwijl de westelijke docenten onze vragen en problemen leerden kennen. Naast deze onofficiële contacten organiseerde zij ook officiële contacten door studenten, vooral theologische studenten, in Praag te laten studeren’.
    Nadat haar door professor Pokorny de doctorsbul was uitgereikt, hield dr. Hebe Kohlbrugge een rede, die ze samen met haar zuster Hanna had voorbereid. In deze rede, in extenso opgenomen in het laatste hoofdstuk van haar boek, is vriendschap een belangrijk thema. Wat vriendschap, een ‘geschenk van God’, vermag en waartoe zij ons gegeven wordt, leren we uit de Heilige Schrift. In het Oude Testament in de eerste plaats uit de vriendschap tussen David en Jonathan. De held Jonathan deed afstand van zijn rechten als troonopvolger, omdat hij zich bewust werd, dat de toekomst aan David toebehoorde. Hij erkende de weg Gods, zag het onzichtbare in zijn vervolgde vriend en offerde het zichtbare op voor het onzichtbare. In het Nieuwe Testament lezen we van de vriendschap tussen Jezus en Johannes. “Het Woord is vlees geworden’, roept Johannes in zijn evangelie uit. Dit Woord is Hij, door Wie God de wereld heeft geschapen, Die alle macht heeft in hemel en op aarde. Johannes, de discipel, die op bijzondere wijze de vriend van Jezus was, kon Hem zien als het Woord dat alles draagt. Het gaat  niet om een levensgeschiedenis van de vriend, maar om het ongehoorde, dat juist deze Vriend de gans Andere, het vlees geworden Woord van God is. Johannes was het gegeven, in de plaats van de logica de Logos te stellen, het Woord dat er van het begin was.
    Dr. Hebe Kohlbrugge besloot haar rede met enkele dichtregels van Johannes Hus. Deze treffende regels vormen ook  het slot van het lezenswaardige boek waarin zij haar levensverhaal vertelt. In een vrije Nederlandse vertaling van Ad den Besten luidt de strofe als volgt:
                  Geloofd zij God die eeuwig leeft
                  om wat Hij aan de wereld geeft:  
                  de Zoon, in wie Hij ons ontmoet,
                  de Geest, die ons Hem kennen doet.