Terug naar Ecclesianet.nl

Het lange uitblijven van Gods Koninkrijk

Terwijl de bruidegom uitbleef, werden zij allen slape­rig en sliepen in. En midden in de nacht klonk een ge­roep: De bruidegom, zie, gaat uit hem tegemoet!

Mattheüs 25 : 5 en 6

Het Koninkrijk van God is verborgen. Het werkt ook onopvallend door in onze wereld. Dat zijn twee moei­lijke punt en voor ons. Maar er komt nog een derde bij: het Koninkrijk van God laat ook nog lang op zich wachten. Er is veel geduld en uithoudingsvermogen nodig om ernaar te blijven uitzien. Daar zijn wij van huis uit niet rijk mee voorzien, maar daaraan ont­breekt het ons juist in hoge mate. Wij zijn allen min of meer "instant-christenen", die meteen op hun wenken bediend willen worden. Gods molens malen ons veel te langzaam!

En wij zijn niet de enigen, die aan deze kwaallij­den. De discipelen van Jezus meenden al, dat het Ko­ninkrijk van God terstond openbaar zou worden, toen zij dicht bij Jeruzalem gekomen waren. Sommige christenen in Thessalonica vonden het nauwelijks meer de moeite waard om hun dagelijks werk te doen en hun zaken te behartigen, omdat de komst van de grote Koning en Zijn Rijk immers vlakbij waren. En de lezers van de tweede brief van Petrus moesten ge­waarschuwd worden voor spotters, die hen in de war brachten met hun vraag: "Waar blijft de belofte van Zijn komst?" Volgens deze lieden konden de gelovi­gen het wel vergeten: er kwam niets meer van! In alle tijden hebben ongeduldige en teleurgestelde mensen de HERE God toegeroepen: "Dat Koninkrijk van U, wordt dat ooit nog wat?"

Toch heeft Jezus er geen twijfel over laten bestaan, dat de definitieve doorbraak van het eeuwig Rijk lang zou uitblijven. In Zijn profetische rede zette Hij uit­voerig uiteen wat er allemaal eerst zou moeten gebeu­ren, voordat het zover was. En in Zijn gelijkenissen heeft Hij die waarheid ook meer dan eens in beeld ge­bracht. Hoe lang en hoe vaak moest de weduwe niet haar beklag doen bij de onrechtvaardige rechter, voordat haar recht werd verschaft! Waar moest de opperslaaf, die boven het andere dienstvolk was gesteld, voor oppassen? Dat hij niet in zijn hart zou zegger1: "Mijn heer blijft uit!" Want dan zou hij ge­makkelijk misbruik kunnen maken van zijn positie. En ook in de gelijkenis van de tien bruidsmeisjes speelt de gedachte van de lange wachttijd een belang­rijke rol!

Wij willen deze laatste gelijkenis vanuit dit gezichts­punt samen beschouwen. Er is in de buurt een groot feest ophanden: een bruiloft! Een tiental meisjes zijn van plan om de bruidegom bij zijn aankomst een feestelijke ontvangst te bereiden. Aan het eind van de dag gaan ze samenop pad naar een plaats, die hij moet passeren. Zij hebben ieder een lamp bij zich, zo­dat zij ook in het donker niet verlegen staan. Vijf van hen houden zelfs rekening met de mogelijkheid, dat het wel eens heellaat zou kunnen worden. Zij hebben daarom voor alle zekerheid een kruikje met reserve­olie meegenomen. Dat is wijs en verstandig: zij zijn op alles voorbereid! Maar de vijf anderen hebben die voorzorgsmaatregelen niet genomen. "Het zou daar­zonder ook best loslopen". Dat was dwaas en kort­zichtig, want je kon nooit weten!

De bruidegom blijft langer uit dan iemand heeft ge­dacht. De avonduren zijn al verstreken, de nacht be­gint al in te vallen en nog is er geen spoor van hem te bekennen. Blijkbaar heeft hij onderweg ernstig op­onthoud gekregen. De meisjes blijven wel op hun post, maar worden wachtensmoe. Zij moeten vechten om hun ogen open te houden en verliezen de een na de ander de strijd tegen de slaap. Tenslotte zijn ze alle tien in diepe rust: de wijzen evengoed als de dwazen. Dat valt, natuurlijk, niet goed te praten, maar het is wel begrijpelijk en niet onvergeeflijk. Het duurt zo eindeloos lang: het is al midden in de nacht!

Pas dan klinkt de roep: "Daar komt de bruide­gom!" De meisjes schrikken wakker, staan haastig op en gaan hun lampen aansteken. Dat is voor de ene helft geen probleem, want zij hebben de oliekruikjes achter de hand. Ais ze die aanspreken, hebben ze met­een licht. Maar de andere vijf komen in de grootste moeilijkheden, want een lege lamp krijgt men niet aan. Olie lenen is uitgesloten. En olie kopen in het holst van de nacht kost tijd. Zij miss en de intocht van de bruidegom en vinden de deur van de bruiloftszaal gesloten. Ze worden niet meer toegelaten tot het feest. Hadden zij zich maar beter voorbereid! Want wie dat nalaat, kan niet tot de eeuwige bruiloft toegelaten worden.

Wat is precies de bedoeling van deze gelijkenis? Voor een goed deel is ze meteen duidelijk en zelfs doorzich­tig. Maar enkele trekken vragen toch wel om een grondige overweging. Met de bruidegom, die op komst is, tekent Jezus uiteraard Zijn eigen portret als de wederkomende Heer. En de tien bruidsmeisjes, die Hem gaan inhalen, zijn beeld van de gemeente in haar zichtbare gestalte. Een gemengd gezelschap, samenge­steld uit wijzen en dwazen, voor het oog niet van el­kaar te onderscheiden. De bruiloft stelt voor: de feest­vreugde in Gods Koninkrijk, dat voorgoed gekomen is in heerlijkheid. En het lange uitblijven van de brui­degom wijst erop, dat de Dag van Jezus' glorierijke verschijning het geduld en het uithoudingsvermogen van de gemeente op een zware proef zal stellen. Wach­ten duurt altijd lang, maar aan dit wachten schijnt geen eind te komen!

Maar dan komt de vraag hoe wij ons zó kunnen voorbereiden op de komst van Christus, dat wij be­reid zijn om Hem te ontvangen en geschikt om Zijn feest mee te vieren. Zelf roept Hij ons in het slotvers van Zijn verhaal op tot waakzaamheid. Maar klaar­blijkelijk is Hij Zich ervan bewust, dat dit allesbe­halve een geringe opgave voor ons is. Wie brengt het op om levenslang van dag tot dag in gespannen ver­wachting te blijven volhouden? Wie ontkomt aan tij­den van geestelijke verslapping en inzinking? Niet al­leen de dwaze, maar ook de wijze meisjes werden op een gegeven moment door slaap overmand. Hun geest was wel gewillig, maar hun vlees was zwak! Het is ge­lukkig, dat Jezus daar begrip voor heeft en dat niet ongenadig afstraft. Want dan zou zelfs de vurigste Maranatha-christen zijn hoop voor een eeuwige en za­lige toekomst nog moeten opgeven!

Wat geeft dan de doorslag? Dat wij niet alleen met een brandende lamp op pad gaan, maar dat wij er ook voor zorgen, dat die kan worden bijgevuld, als hij is leeg gebrand. Een lamp gaat niet eindeloos door met licht te geven, als hij eenmaal aangestoken is. Er moet nieuwe olie worden toegevoegd, als hij leeg is gewor­den. Zo is het ook gesteld met het geloof en de hoop van een christen. Die bestaan niet als vanzelf steeds maar voort, maar die moeten steeds weer opnieuw worden gevoed en levend gehouden door de olie van de Heilige Geest. Wij worden niet "self-supporting", in staat om in onze eigen behoeften te voorzien, als wij op een beslissend ogenblik voor Jezus gekozen hebben. Maar wij blijven afhankelijk van Hem en moeten uit Zijn volheid genade op genade ontvangen. Dat is de enige manier om door de lange wachttijd goed heen te komen en te volharden tot het einde!

Daarom is het zaak om op onze hoede te zijn voor de zorgeloosheid en zelfverzekerdheid van de dwaze meisjes. Die stelden zichzelf gerust met de gedachte, dat de kleine hoeveelheid olie in hun lamp wel vol­doende was en dat aanvulling daarom overbodig zou zijn. Zij overschatten zichzelf en zij onderschatten de moeilijkheden, waarvoor zij kwamen te staan. Een waarschuwing voor ons en een aansporing om de lamp van ons geloof en onze hoop telkens weer te la­ten vullen uit de onmetelijke overvloed, die Jezus voor ons ter beschikking heeft. Was het niet Von Zinzendorf, die zijn gemeenteleden op het hart bond:

"Een ding is nodig voor ons heil: te blijven in de Heer!"

Ds. S. P. Nijdam