Terug naar Ecclesianet.nl

Het huis van Oranje en de Kerk der Hervorming

Drs. M. den Admirant, Ecclesia nr. 14, juli 2002

De voltrekking en de kerkelijke inzegening van het huwelijk van kroonprins Willem-Alexander en Máxima Zorreguieta hebben ons opnieuw herinnerd aan de bekende trits Kerk-Oranje-Vaderland. De geschiedenis van de Nederlandse staat is nauw verweven met die van het Oranjehuis. Maar tevens bestaat er een historische band tussen dit vorstenhuis en de Kerk der Hervorming. Déze verbondenheid willen we nader bezien.

Vooropgesteld moet worden dat de band tussen Oranje en de Kerk geen officieel karakter meer heeft, zoals in het verleden. In de tijd van de Republiek der Verenigde Nederlanden was de Gereformeerde Kerk de publieke kerk, die als enige officieel werd erkend en een bevoorrechte positie genoot. De Oranjevorsten hadden als stadhouders onder meer tot taak, de gereformeerde religie te beschermen en te bevorderen. In het eerste artikel van de instructie voor prins Maurits stond letterlijk dat hij als stadhouder verplicht was 'de ware christelijke religie voor te staan en te handhaven'. Maurits en zijn opvolgers hebben, 'aan hun roeping getrouw, steeds de belangen van de Hervorming met alle kracht en ijver voorgestaan en van hun godsdienstige gezindheid blijk gegeven, zo dikwijls de gelegenheid daartoe zich voordeed' (aldus de hofprediker dr. G.J. van der Flier in 1896). Als gevolg van de Bataafse revolutie van 1795 en de scheiding van kerk en staat werd de officiële band tussen Oranje en de Kerk verbroken.
Toen na de Franse overheersing ons land zijn onafhankelijkheid had herkregen en prins Willem Frederik van Oranje-Nassau als soeverein vorst was ingehuldigd, werd in de Grondwet van 1814 nog wel een bepaling opgenomen, die aan de vroegere band herinnerde. Artikel 133 luidde namelijk als volgt: 'De christelijke hervormde godsdienst is die van den Souvereinen Vorst'. Op aandrang van de Belgen werd deze bepaling echter in de gewijzigde Grondwet van 1815 geschrapt. Daarmee verloor de historische band tussen Oranje en de Kerk definitief zijn staatsrechtelijk karakter. Maar de verbondenheid van het regerende vorstenhuis met de Kerk der Hervorming is gebleven.
In feite bestaat deze band al sinds 1573, in welk jaar prins Willem van Oranje openlijk de zijde van de gereformeerden koos en in Dordrecht deelnam aan een gereformeerde avondmaalsviering. Over de betrekkingen tussen de Oranjes en de Gereformeerde Kerk gedurende de zeventiende en achttiende eeuw is het een en ander vermeld in de kerkenraadsnotulen van de Haagse hervormde gemeente. Bij geboorte, huwelijk of sterfgeval in het Oranjehuis gaf de kerkenraad telkens blijk van innige verbondenheid. Toch schroomde de kerkenraad niet, wanneer het pas gaf, persoonlijk en met vrijmoedigheid zijn grieven te uiten als er naar zijn mening aan het hof iets onbetamelijks plaatshad, zoals het geven van toneelvoorstellingen. Deze moesten ten strengste worden geweerd (aldus de notulen van 14 oktober 1639). Een andere keer had de kerkenraad vernomen dat tijdens het verblijf van koningin Henriëtte Marie van Engeland, moeder van Maria Stuart, ten hove toebereidselen werden gemaakt voor 'het dansen van ballet', zulks tot ergernis van de gehele stad. Dit was voor de kerkenraad reden aan prins Frederik Hendrik uiting te geven van hartelijke droefheid en misnoegen over dit 'vleeschelijk werk' en Zijne Hoogheid beleefd te verzoeken, het zo mogelijk af te schaffen of in elk geval zoveel mogelijk in te korten (notulen van 27 november 1642).
Als een gebeurtenis van het hoogste belang gold de aanneming tot lidmaat van een telg van het vorstenhuis. Zo is in de notulen van 14 april 1764 uitvoerig vermeld dat de 16-jarige erfstadhouder, prins Willem V, tot lidmaat van de Hervormde Kerk werd aangenomen.
Tevoren had de hofkapelaan, de Waalse predikant Jean Royer, hem ruim twee uren lang in de Franse taal ondervraagd over de voornaamste stukken van de ware godsdienst, waarop de prins 'met vlugge verdigheid, oordeelkundige oplettendheid, gepaart met eene bedaarde bedachtzaamheid' had geantwoord. Mede op verzoek van de prins werd deze heuglijke gebeurtenis in het 'kerkenboek' geregistreerd 'ten eijnde ook het latere nageslagt dit als een monument daar vinden mogte'.
In de kerkenraadsnotulen van 10 juli 1788 is opgetekend dat de oudste zoon van de stadhouder, prins Willem Frederik (de latere koning Willem I), geloofsbelijdenis aflegde bij de hofkapelaan Jean Isaak Guicherit. Ook hij was zestien jaar toen hij tot lidmaat van de Hervormde Kerk werd aangenomen. Dit geldt eveneens voor de latere koningen Willem II en Willem III en voor koningin Wilhelmina.

Koningin Wilhelmina
De zestienjarige Wilhelmina, die al vanaf haar zevende jaar regelmatig hervormde kerkdiensten bezocht, deed op 23 oktober 1896 ten paleize Noordeinde belijdenis van haar geloof bij de hofprediker dr. G.J. van der Flier, van wie zij catechetisch onderwijs had ontvangen. Na een drie kwartier durend onderzoek van haar kennis van de Bijbel en de Heidelbergse Catechismus werd zij als lidmaat van de Nederlandse Hervormde Kerk aangenomen. Daags daarop vond in een speciale dienst in het paleis haar bevestiging plaats, bij welke gelegenheid dr. Van der Flier sprak naar aanleiding van Openb. 2: 10b: 'Zijt getrouw tot den dood, en Ik zal u geven de kroon des levens'. Zondag 25 oktober vierde de jonge koningin voor het eerst met de gemeente het heilig Avondmaal in een dienst in de Kloosterkerk. De tekst van de predikatie was Psalm 32: 8b: 'Mijn oog zal op u zijn'.
Over de gang van zaken bij haar bevestiging was Wilhelmina niet erg content. In haar in 1959 verschenen memoires Eenzaam maar niet alleen schrijft zij daaromtrent het volgende: 'Uit vrees voor een te grote toeloop van mensen indien dit, als bij een ander, in de kerk gebeurde, besloot moeder dat de plechtigheid in het paleis zou plaats hebben. Natuurlijk werd het nodige decorum in acht genomen, veel personen van het hof kwamen als genodigden daarbij te pas.
De combinatie: voor God een plechtige gelofte afleggen en dit decorum, leek mij ten enenmale tegenstrijdig en ik nam mij daarom voor, als het zó moest, niet onder de indruk te komen van het ogenblik van mijn bevestiging. Het op mijn bevestiging volgend Heilig Avondmaal vond plaats in de Kloosterkerk en daar werden wij natuurlijk als alle anderen behandeld'.
Bij de openbare geloofsbelijdenis van Wilhelmina's dochter Juliana in 1927 ging het anders toe. Zij werd, aldus Wilhelmina in haar boek Eenzaam maar niet alleen, 'aangenomen en bevestigd, op haar verzoek in alle stilte en eenvoud en zonder dat familieleden hiervoor overkwamen'. De bevestigingsdienst werd op zondag 12 juni 1927 gehouden in de naar de prinses genoemde Julianakerk in Den Haag. Volgens de 's-Gravenhaagsche Kerkbode ging in deze dienst ds. W.L. Welter voor, die als hofprediker prinses Juliana catechetisch onderwijs had gegeven. Tezamen met de prinses legden 33 anderen, catechisanten van dr. A. Troelstra, belijdenis van het geloof af. Ds. Welter hield een preek over Openb. 3: 11 (midden): 'Houd dat gij hebt'.
Koningin Wilhelmina voelde zich in de Nederlandse Hervormde Kerk het meest thuis bij de ethisch-irenische richting. Dit blijkt bijvoorbeeld uit haar keuze van hofpredikers: achtereenvolgens de Haagse predikant dr. J.H. Gerretsen (aangesteld in 1910), ds. W.L. Welter (1919), de Utrechtse hoogleraar dr. H.Th. Obbink (1928) en de Apeldoornse dominee J.F. Berkel (1947). Na haar troonsafstand in 1948 legde zij een intense belangstelling voor de protestantse oecumenische beweging aan de dag. 'Het is mijn overtuiging dat Christus de kerken wil opheffen tot Zijn universele Kerk', schreef zij in 1950 aan de Amersfoortse predikant N.O. Steenbeek.
Prinses Wilhelmina had intussen besloten ook andere dan hervormde kerkdiensten te bezoeken. Bij alle protestantse gemeenten in Apeldoorn vroeg ze toelating tot het Avondmaal. Haar hunkering naar een Avondmaalsviering met andere gelovigen, onverschillig hun kerkelijk standpunt, kwam echter niet voort uit ontevredenheid over het hervormde leven ter plaatse, aldus ds. J.F. Berkel in zijn boek Een ingezetene van Apeldoorn. In diezelfde tijd leefde zij namelijk intens mee met de Kerk waarvan zij als belijdend lid deel uitmaakte.
Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog had zij haar vroegere afkeer van het rooms-katholicisme afgeschud. De flinke houding van rooms-katholieke geestelijken en gelovigen tegenover het nationaal-socialisme had haar verwachtingen overtroffen. Toen koningin Wilhelmina kort na de bevrijding in 1945 aartsbisschop mgr. dr. J. de Jong en ds. K.H.E. Gravemeyer samen ontving, liet zij bij de lunch de aartsbisschop aan haar rechterhand zitten, hem het eerst bedienen en voerde zij met hem een eerste lang gesprek. Bij ds. Gravemeyer, destijds secretaris van de Algemene Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk, wekte dit wrevel. 'Ik vond dat een achterstelling van protestants Nederland', zo zei hij vijftien jaar later aan dr. L. de Jong.

Hervormde traditie
Wat er in de twintigste eeuw in het vorstenhuis ook is veranderd, de regerende Oranjes hebben vastgehouden aan de hervormde traditie. Prinses Beatrix trad in het voetspoor van haar moeder en werd in 1956 op achttienjarige leeftijd lidmaat van de Nederlandse Hervormde Kerk. Op Palmzondag van dat jaar deed zij belijdenis van haar geloof in de Nieuwe Zijds Kapel in Amsterdam, samen met veertig andere catechisanten van ds. H.J. Kater. Als persoonlijke tekst kreeg zij de woorden uit Rom. 8: 28a mee: 'Wij weten nu dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben'.
Nadat Beatrix koningin was geworden en de koninklijke familie zich in 1981 in Den Haag had gevestigd, ontstond er een band met de Kloosterkerkgemeente. Deze hervormde, maar oecumenisch georiënteerde mentaliteits- of sympathiegemeente werd in de jaren 1983-1999 gediend door ds. C.A. ter Linden.
In de Kloosterkerk deed kroonprins Willem-Alexander op 23 maart 1997 (Palmzondag) met negentien anderen geloofsbelijdenis. Ds. Ter Linden gaf hem als persoonlijke tekst mee Filipp. 1: 9: 'En dit bid ik, dat uw liefde nog steeds meer overvloedig moge zijn in helder inzicht en alle fijngevoeligheid, om te onderscheiden waarop het aankomt'.
Toen op 30 maart 2001 officieel de verloving van Willem-Alexander met de rooms-katholieke Máxima Zorreguieta werd bekendgemaakt, gaf de kroonprins de verzekering, dat het Oranjehuis protestants zal blijven en dat eventuele kinderen hervormd zullen worden gedoopt. In de loop van 2001 werd ook duidelijk dat de huwelijksdienst in de Nieuwe Kerk een protestantse invulling zou krijgen.
Volgens de rooms-katholieke theoloog prof. dr. A. Houtepen geeft de kroonprins blijk van 'een traditionele kijk op de kerkelijke scheidsmuren'. Dat de prins zo hamert op de hervormde identiteit van zichzelf, zijn huwelijksdienst en eventuele nakomelingen, laat zien dat hij achterloopt bij de oecumenische ontwikkelingen van de laatste decennia.
Deze bewering van de rooms-katholieke theoloog snijdt mijns inziens echter geen hout. De oecumenische gezindheid is hier namelijk niet aan de orde. Waar het om gaat is dat de geschiedenis van ons regerende vorstenhuis nauw verbonden is met die van de Kerk der Hervorming. Moge het besef daarvan levend blijven.