Terug naar Ecclesianet.nl

Het gloria van de hemel en de zon

Drs. R.C. Vervoorn, Steenwijk

 

De hemelen vertellen Gods eer ... Psalm 19:2-7

 

Psalm 19 behoort niet tot de onbekende psalmen. Vooral de oude berijming, met haar gebeeldhouwde taal, zal menigeen zich herinneren: “Het ruime hemelrond vertelt met blijden mond Gods eer en heerlijkheid.“

Het is het beginlied geweest van veel morgendiensten en op zonnige dagen gevolgd door vers 3: “God heeft voor ‘t grote licht, de zon, een tent gesticht.“ Als inleiding op de wetslezing en om de kerkgangers er bij te bepalen waar het nu eenmaal om draait in de godsdienst, werd gelijk maar vers 4 aangeheven:

“Des HEREN wet nochtans verspreidt volmaakter glans.“

En na het aanhoren van de tien geboden kon de gemeente dat beamen met: “Dus krijg ik van mijn plicht, o God een klaar bericht.“ Hoe indrukwekkend ook, het is de vraag of op die manier de psalm recht is gedaan.

Psalm 19 bestaat uit twee gedeelten, die op het eerste gezicht niet veel met elkaar te maken hebben, noch qua inhoud, noch qua stijl. Het lijken haast twee psalmen. Beide zijn lofliederen. We bezien nu het eerste gedeelte, Het gloria van de hemel en de zon en volgende keer het tweede, Het gloria van de tora.

 

Here, ontferm U over de schepping

Als je vandaag aan een gelovige zou vragen “Schrijf eens een lied over de schepping“, dan is de kans groot dat het geen loflied zou worden maar een klaaglied. De schepping waarin wij leven is in de 20e eeuw zo ontzettend vervuild en verloederd. En voor onze eeuw zijn de verwachtingen alleen nog maar erger. We zullen het niet ontkennen, dat de schepping roept tot Gods lof, maar door haar ontreddering is ze ook het voorwerp van klacht en roept ze om ontferming. Daarom past - naar ons gevoel voor de hemel en de zon eerder een Kyrie dan een Gloria. En dat is niet alleen maar een modern gevoel.Paulus spreekt in Romeinen 8:19-23 over de vergeefsheid waaraan de schepping is onderworpen, die in al haar delen zucht als in barensnood.

 

Lieflijk en mooi?

Een romantische ziel zal misschien het mooie van de schepping benadrukken. De natuur is zo prachtig en lieflijk, en voor velen een vindplaats geworden voor God. Maar dat staat de dichter van Psalm 19 niet voor ogen. Het gaat hem niet om esthetische of ethische kwaliteiten van de natuur. In de natuur gaat het er niet lief aan toe! De natuur is vaak zeer wreed en willekeurig en de hemel vormt daar geen uitzondering op. Orkanen verwoesten alles wat ze op hun weg tegenkomen. Als je God moet leren kennen uit de natuur alleen, dan komt daar een totaal ander Godsbeeld uit dan de Bijbel ons toont. De schepping laat ons wel God als Schepper zien, maar niet als God die liefheeft.

 

Gods wijsheid en grootheid

Psalm 19 vertelt van de orde die God in zijn schepping heeft gelegd. “De dag sproeit sprake uit over de dag“ en “de nacht verkondigt kennis aan de nacht“. De regelmatige tocht die de zon doorloopt - het laat de grootheid van de schepping zien en het planmatige. De hemel en

de zon zijn geen chaos. Alles heeft zijn plaats. God heeft de nacht van de dag onderscheiden, het licht van het duister. Er ligt wijsheid aan ten grondslag. De orde laat zien dat God boven de schepping staat.

Het is niet een saaie orde, waarin niets gebeurt. De dag en de nacht wisselen elkaar af, de zon gaat als een held, als een bruidegom haar tocht langs de hemel. De hemel en de zon, ze zijn zo groots in onze ogen, maar ze volgen de natuurwetten die God ze heeft opgelegd. Daarin brengen ze Hem lof toe. Daarin zijn ze de vingerafdrukken van Hem, die ze met gevoel, met inzicht en met wijsheid tot stand heeft doen komen. De schepping draagt het keurmerk van de Meester in zich. Het omvattende van de hemel, zijn uitgestrektheid is ook een beeld van grootheid van God, ook al schiet het beeld te kort. Want God is zo groot dat zelfs de hemelen Hem niet kunnen bevatten. De zon is bij uitstek het beeld van de Here (bijv. Ps. 84:12), hier getekend als bruidegom, het beeld dat de profeten gereserveerd hebben voor de Here zelf, die zijn volk neemt tot bruid. Zo verwijzen de hemelen, maar met name de zon, in haar gang door de hemel en haar woonplaats aldaar naar God in Zijn grootheid. Als het in de psalm vervolgens over de tora gaat, dan spreekt daar toch iets uit van de verwondering dat de Schepper van hemel en aarde, die Zijn woning in de hemel heeft en majestueus Zijn ongekende gang gaat, bij Zijn volk wil wonen en Zijn wet geeft.