Terug naar Ecclesianet.nl

Het Edict van Nantes

Dr. H. KLINK, Hoornaar

HET EDICT VAN NANTES (13 april 1598)*

"Paris vaut bien une messe" ("Parijs is best een mis waard"). Dit zijn zo ongeveer de bekendste woorden die Hendrik IV van Frankrijk ooit gesproken heeft. Hij deed deze uitspraak in juli 1593. Tot die tijd had hij leiding gegeven aan de hugenoten in hun strijd tegen de Franse, rooms-katholieke Ligue, die gesteund werd door Philips II van Spanje. Vanaf 1589 was Hendrik van Navarre troonpretendent. In dat jaar werd koning Hendrik III van Frankrijk vermoord. Doordat hij geen kinderen naliet, ontstond de verrassende situatie, dat Hendrik van Navarre, de leider van de protestanten, als Hendrik IV troonopvolger werd. Maar voordat het zover was, moest hij zich ontdoen van zijn rooms-katholieke tegenstanders. Dit gelukte hem niet. In juli 1593 bleek Hendrik van Navarre bereid om ter wille van het koningschap een knieval te doen voor de eisen die zijn katholieke tegenstanders hem stelden. In de kerk van St. Denis in Parijs zwoer hij het protestantisme af.

Deze omstandigheden werpen licht op het edict dat 13 april jongstleden vier eeuwen geleden door dezelfde koning afgekondigd werd: het beroemde Edict van Nantes.

Hendrik IV was de zoon van Hendrik van Navarre en Jeanne d'Albret. Voor wie enigszins bekend-is met de geschiedenis van het Franse protestantisme zijn dat geen onbekende namen. Jeanne d'Albret was de nicht

van de Franse koning Frans I. Zij hing de protestantse godsdienst aan. Zij voerde correspondentie met Calvijn en kende Beza persoonlijk. Meer dan eens bezocht Beza het koninkrijk Navarre om haar de helpende hand te bieden in de calvinisering van haar koninkrijk. De man van Jeanne d'Albret, Hendrik, was van een heel ander kaliber. Haar sterke geloofsovertuiging en haar beslistheid in het opkomen voor het calvinisme, miste hij volkomen. Hendrik van Navarre was in menig opzicht een halfslachtige figuur. In 1562 verried hij tot groot ongenoegen van onder andere Calvijn de zaak van de protestanten. Enige tijd later sneuvelde hij in de buurt van Calais.

Nu zou het er in eerste instantie op kunnen lijken dat de zoon in het voetspoor van zijn vader is gegaan. Met zijn uitspraak "Parijs is best een mis waard" verloochende hij immers zijn protestantse verleden. Zo zou men deze stap op kunnen vatten. En van een in religieus opzicht grote mate van dubbelhartigheid is er zeker sprake geweest. Als men immers in werkelijkheid en naar overtuiging het calvinistische geloof aanhing, was het toch ondenkbaar dat men ter wille van de voordelen die de kroon bood, het geloof afzwoer en zich naar het andere kamp begaf. Nee, van dubbelhartigheid valt Hendrik IV niet vrij te pleiten. En toch heeft hij zich als koning niet tegen zijn vroegere medestanders gekeerd. Integendeel: zijn regering heeft voor de calvinisten in Frankrijk veel goeds opgeleverd. Niet voor niets werd hij "Ie bon roi", "de goede koning" genoemd. Hendrik IV heeft tijdens zijn regering zorg gedragen voor tolerantie van de vaak door de rooms-katholieke meerderheid geplaagde protestantse bevolking (de protestanten vormden slechts 6 tot 8% van de bevolking, in totaal een aantal van ongeveer 1 miljoen). Deze tolerantie heeft zijn officiële neerslag gekregen in het beroemde edict van Nantes.

Hoe luidden de bepalingen van "het vredesverdrag tussen de Franse koning en een deel van zijn onderdanen", zoals iemand het edict typeerde?

Allereerst moet gezegd worden dat het rooms-katho-Hcisme en het protestantisme niet op voet van gelijkheid geplaatst werden. Het werd de protestanten toegestaan om in een beperkt aantal plaatsen hun godsdienst in het openbaar uit te oefenen. In totaal waren dat er iets minder dan duizend. In verschillende van de belangrijkste steden was het alleen toegestaan om een protestants kerkgebouw ("Ie temple") te bouwen in de voorsteden. Zo hielden de Parijse protestanten hun godsdienstoefeningen in Charenton - een buitenwijk van de eigenlijke stad. In militair-politiek opzicht golden de volgende bepalingen: de legers van de hugenoten moesten ontbonden worden. Wel kregen de protestanten voor enkele jaren "veiligheidsplaatsen" toegewezen: versterkte steden of strategische versterkte plaatsen, met een garnizoenscommandant van de "zogenaamde gereformeerde religie", zoals het protestantisme in officiële regeringsstukken genoemd werd. Het edict bepaalde de totstandkoming van zogenaamde Chambres spéciales, afzonderlijke rechtskamers, die belast werden met rechtszaken die voortvloeiden uit spanningen tussen rooms-katholieken en protestanten. In deze rechtskamers hadden magistraten van beide religies zitting.

Het edict van Nantes luidde een periode in van enkele decennia, waarin de protestantse bevolking een grote mate van veiligheid genoot. Toch was de naleving van het edict een precaire zaak. Veel hing af van de wilskracht van het centraal gezag, in dit geval van de koning. De rooms-katholieken waren namelijk allerminst gelukkig met het edict. Door taaie onderhandelingen hadden de protestanten kans gezien om er bij de koning voor hen gunstige bepalingen door te krijgen.

Zo werd het hun toegestaan om "algemene gedeputeerden", af te vaardigen naar het hof: een soort ambassadeurs, die zich voortdurend in de buurt van de koning zouden ophouden. Ook ontvingen de protestantse gemeenten in ruil voor de belastingen die de protestanten opbrachten een vorm van kerkelijke subsidie van de kroon. Ook werd bepaald dat alle staatsambten en hoge posten in principe open stonden voor protestanten. Ook het drijven van handel was hun geoorloofd. Voor de rooms-katholieken vormden dergelijke bepalingen een grote ergernis. Het was voor hen een vernederende gedachte dat Frankrijk het enige koninkrijk in Europa zou zijn zonder een eenvormige religie. Het was hun een doorn in het oog dat de Engelse katholieke minderheid verstoken was van allerlei privileges die.in Frankrijk aan de protestanten werden toegekend.

Een en ander droeg ertoe bij dat de naleving en de levensduur van dit "eeuwige en onherroepelijke edict" na verloop van tijd onder grote druk kwamen te staan. Zoals gezegd was er voor de protestanten alles aan gelegen dat de koning een sterk gezag uitoefende. Hendrik IV is dit gelukt, totdat een jezuïet op 14 mei 1610 bij een rijtoer te Parijs door een dolkstoot een eind aan zijn leven maakte. Door de gewelddadige dood van de koning ontstond er grote onrust onder de protestanten. Niet ten onrechte. Tijdens het regentschap van Maria de Medici, dat volgde op de regering van "de goede koning", verbleekte het gezag van de kroon aanmerkelijk.

Er braken troebelen uit. Toen de regering bepaalde dat ook in Béarn (tot die tijd volledig gereformeerd) het edict van Nantes van kracht werd, grepen de hugenoten naar de wapens. Nadat de legers door het centrale gezag verslagen waren, streek de toenmalige belangrijkste minister, Richelieu, de hand over het hart. Geheel in beslag genomen door de buitenlandse politiek gunde hij de protestanten nog steeds de vrijheid zoals die in het edict onder woorden was gebracht. Alle religieuze bepalingen van het edict werden in Alès, in 1629, bekrachtigd. Dat gold niet voor de poli-tiek-militaire bepalingen. Deze werden ingetrokken. Dit betekende een ernstige nederlaag voor de protestanten. Vanaf dat moment bestond er in politiek-mili-taire zin geen protestantse partij meer. Ook van binnenuit werd de beweging van de protestanten ernstig verzwakt: vele gereformeerde edelen vonden hun weg terug naar het rooms-katholicisme. De zaak van de reformatie bood hun weinig perspectief voor de toekomst. Een voordeel van hun uittreden was dat het leiding geven aan de kerk, vooral een zaak werd van synoden en ambtsdragers en niet van de vaak politiek ingestelde edelen, die zich in veel gevallen niet ver hielden van intriges die het aanzien van de kerk schade toebrachten.

Tijdens de "periode Richelieu" (1629 tot 1661) was het de protestanten opnieuw vergund om in betrekkelijke rust te leven. Daardoor kon het kerkelijke leven naar binnen toe uitgebouwd worden. Een groot nadeel was dat in deze jaren de koninklijke subsidies niet meer uitgekeerd werden. Het intrekken van deze bijdragen drukte zwaar op de beurs van de vaak toch al niet bemiddelde protestanten.

Met de rust en de uitbouw van het kerkelijk leven was het gedaan toen Lodewijk XIV de troon besteeg. De Zonnekoning voerde meer en meer een restrictieve politiek ten opzichte van de Gereformeerde Kerk. Voor het oog hield hij zich minutieus aan het edict van Nantes. In werkelijkheid lichtte hij de hand met de geest en met de letter van het edict door de bepalingen ervan "met strengheid" te handhaven.

Het werd de protestanten als minderheid onmogelijk gemaakt om ambten te bekleden. Het gezinsleven van de protestanten werd verstoord: het bezoeken van scholen werd verboden; protestantse begrafenissen mochten alleen in de vroege morgen of na het vallen van de avond plaatsvinden, met slechts weinig participanten; zieken en stervenden werden meer dan eens door een priester of een rechter bezocht, met de bedoeling om hen in hun laatste uren tot afzwering van hun geloof te brengen. De overgang tot het rooms-katholicisme werd daarentegen aantrekkelijk gemaakt: men kreeg er een geldelijke beloning voor; vrijstelling van belasting voor drie jaren werd in het vooruitzicht gesteld. Frappant was dat dit alles gebeurde onder het masker van een juridische letter-knechterij die zijn weerga niet kent. Vanaf 1681 vonden de eerste dragonnades plaats. Bij tal van protestanten werden dragonders ingekwartierd, met alle gevolgen van dien. Alleen door herroeping van het geloof konden de protestanten van de overlast van deze soldaten afkomen. Als men eenmaal, veelal door wanhoop tot het uiterste gedreven, het geloof had afgezworen, dan was het wettelijk onmogelijk en dus strafbaar, om op die beslissing terug te komen: het was namelijk voor elke rooms-katholiek verboden om zich aan te sluiten bij de Gereformeerde Kerk. Ook deze maatregel druiste in tegen een uitdrukkelijke bepaling van het edict van Nantes. In de zomer van 1685 werden de dragonnades op grote schaal hervat. In hetzelfde jaar echter beval Lodewijk XIV om de inkwartieringen te stoppen. Na het sluiten van een vrede met de rooms-katholieke Engelse koning, Jacobus II, achtte hij zijn positie zo sterk dat hij zijn handen volkomen vrij had voor binnenlandse aangelegenheden. Op 18 oktober van dat jaar schafte de koning in Fontainebleau het edict van Nantes af, onder het voorwendsel dat er in Frankrijk bijna geen protestanten meer voorkwamen. Het edict van Fontainebleau gaf predikanten op straffe van verbanning twee weken de tijd om het protestantse geloof af te zweren. Als zij voor verbanning kozen, dan was het hun "slechts" toegestaan om hun vrouw en hun kinderen van onder de zeven jaar mee te nemen. Leken was het ten strengste verboden om zich naar het buitenland te begeven.

Nu de Zonnekoning, ook internationaal, op het hoogtepunt van zijn macht stond, leek hij voor altijd afgerekend te hebben met een netelig probleem van het protestantisme, dat Frankrijk een eeuw lang gekweld had. Voor de toch al machtsbeluste Zonnekoning was daarmee de weg vrijgemaakt voor herstel van het rooms-katholicisme in heel Europa. Door de overgang van Engeland tot het rooms-katholicisme leek het erop dat het protestantisme op het Europese continent op zijn retour was.

De Zonnekoning vergiste zich in dit alles deerlijk. Ook nu bleek dat de gedachten van de mensen niet Gods gedachten zijn. Zo bleef het protestantisme, met name in het zuiden van Frankrijk, clandestien en met grote volharding toch bestaan. Daar kwam bij dat in de loop der jaren ongeveer 200.000 vaak zeer getalenteerde Franse hugenoten, de wijk namen naar het buitenland (waaronder de meesten naar Nederland: ongeveer 65.000 personen). In den vreemde boden zij de andere mogendheden op het gebied van handel en politiek hun diensten aan, hetgeen de positie van Frankrijk niet ten goede kwam. Bovendien isoleerde de Franse koning door zijn rigoureuze politiek zich van tal van andere landen, die bij de vrede van Munster in,1648 met een soort Europese religievrede genoegen genomen hadden.

En, last' but not least: de koning van Frankrijk rekende op het bondgenootschap van Jacobus II van Engeland. Waar hij niet mee reken.de was het kordate optreden van diens schoonzoon, dè Nederlandse stad-

houder Willem III. Deze onderkende als geen ander de gevaarlijke situatie van de protestantse landen en van het protestantisme in Europa als geheel. Als enige protestantse vorst in Europa stootte hij door tot de kern van de zaak en zag hij om welke maatregelen de situatie vroeg. Op verzoek van Engelse edelen, onttroonde hij in 1688 zijn schoonvader, Jacobus II van Groot-Brittannië. Fervent bood hij vervolgens tegenstand aan de machtsbeluste Lodewijk XIV en in gezamenlijkheid met Groot-Brittannië, waar hij koning was geworden, heeft hij het protestantisme in Europa gered. Het belang van ook deze Oranjetelg voor Europa en voor het protestantisme kan nauwelijks hoog genoeg aangeslagen worden. Het optreden van Willem III had ook voor de hugenoten een zegenrijk gevolg. Door zijn toedoen kon er in de om Frankrijk liggende landen een blijvende schuilplaats geboden worden voor tal van protestanten die aan de terreur van Lodewijk XIV wisten te ontkomen. Op die manier zorgde God dat veel vervolgde geloofsgenoten in het Nederland van weleer een schuilplaats vonden. In een Nederland, dat het als zijn taak beschouwde om het hem toebetrouwde pand van het geloof te beschermen en dat in talloze opzichten gekenmerkt werd door datzelfde geloof waar het edict van Nantes in Frankrijk een tijdlang nog enige ruimte voor gecreëerd had.

*) Eerder verschenen in het Reformatorisch Dagblad, van 23 april jongstleden.