Terug naar Ecclesianet.nl

Groen van Prinsterer en Europa

Groen van Prinsterer en Europa
Dr. H. Klink, Ecclesia nr. 15/16, juli 2002

Mr. Guillaume Groen van Prinsterer werd in 1801 geboren. Dat was midden in de Franse tijd. In het gezin waarin hij opgroeide was er ongetwijfeld veel aandacht voor de politieke en militaire verwikkelingen in Europa. Zo moet de jonge Groen gehoord hebben over de tocht van Napoleon in Rusland (1812). Ongetwijfeld heeft hij in 1813 veel gemerkt van de geestdrift waarmee de toekomstige koning Willem I op het strand van Scheveningen na jarenlange ballingschap werd binnengehaald. Hij moet ook gehoord hebben van de slag bij Waterloo, waar Napoleon in de zomer van 1815 definitief verslagen werd. Kort daarop werd in Wenen het Wener Congres gehouden (1815), waar de periode van de Restauratie werd ingeluid. Men probeerde er het evenwicht in Europa te herstellen, dat door de Franse Revolutie en de nasleep daarvan grondig was verstoord. Frankrijk kreeg opnieuw een Bourbon als koning toegewezen. De grenzen tussen de Europese staten werden vastgesteld. Na de turbulente jaren van een oorlog op Europese schaal hoopte men op een periode van rust en stabiliteit.
In deze sfeer groeide Groen van Prinsterer op. Toen hij 17 jaar was, ging hij in Leiden studeren. Groen bleek een zeer begaafd student. Hij promoveerde in 1824 zowel in de rechten als in de letteren, om drie jaar later Refendaris bij het Kabinet van de koning te worden.
Dat de gebeurtenissen die zich in Europa voordeden hem niet ongemoeid lieten, blijkt uit zijn eerste pennenvruchten. In 1825 schreef hij een breedvoerige verhandeling over de Griekse vrijheidsoorlog tegen de Turken, onder de titel:
Bedenkingen tegen een oproeping tot ondersteuning der Grieken. In dezelfde tijd schreef hij een vlugschrift over de oorlog in Portugal. In 1826 deed hij mee aan een prijsvraag, die de koning had uitgeschreven en vloeide uit zijn pen het geschrift Historische proeve over de geschiedenis en de gevolgen van de steeds nauwer geworden vereniging van de beschaafde volken!

Hoe de jonge Groen over Europa dacht en welke rol hij voor Europa in de wereldgeschiedenis weggelegd zag, blijkt vooral uit deze Historische proeve. Het is van belang om op te merken dat Groen deze verhandeling schreef in 1826. In dat jaar stond hij nog vóór de persoonlijke geloofskeus, die hij enkele jaren later mede onder invloed van zijn vrouw Elisabeth van der Hoop zou doen. Maar uit het geschrift blijkt dat de akker waarop enkele jaren later het zaad van het Evangelie gestrooid wordt, al een weltoebereide aarde heeft.

De Historische Proeve: Europa en de beschaving
Groen wijst er in de Historische Proeve met nadruk op dat de Europese landen één gezamenlijke oorsprong hebben. De Europese volkeren stammen af van de barbaren, die dit werelddeel ontroofden aan de Romeinen (rond 400 na Christus). Ondanks aanvankelijke weerstand werden deze volkeren op den duur gevormd door zowel de Romeinse beschaving als het christelijk geloof dat voor het Westen in Rome zijn centrum had. Van grote betekenis is Karel de Grote (rond 800) geweest. Het is vooral aan hem te danken dat er in Europa een grote mate van eenheid in religie, cultuur en maatschappelijke inrichting geschapen werd. De volkeren stonden met elkaar in betrekking als kinderen van één gezin.
Elk van deze kinderen, aldus Groen, werd echter volwassen en koos een eigen weg. Dit kwam de eenheid in Europa niet ten goede. Door het gezamenlijke doel van de bevrijding van Jeruzalem ten tijde van de kruistochten kwam er meer onderlinge afstemming tussen de Europese vorsten. In de eeuwen na de kruistochten werd de band tussen de verschillende volkeren opnieuw losser. Europa dreigde te destabiliseren. Daarin kwam in de 15e eeuw verandering.
De belangrijke vorstenhoven zochten toenadering. Het uithuwelijken van prinsen en prinsessen was daarbij een beproefd middel. Maar vooral de herleving van het geloof ten tijde van de Reformatie speelde in deze toenadering een belangrijke rol. In het noorden van Europa werden de protestantse landen naar elkaar toe gedreven. Hetzelfde geldt voor de landen die het rooms-katholicisme trouw bleven - de in hoofdzaak meer zuidelijker gelegen landen.
Na de jaren van de godsdienstoorlogen (1568 -1648) trad een periode in van betrekkelijke rust. Vooral door toedoen van stadhouder Willem III, die de expansiedrift van Lodewijk XIV beteugelde en die zijn schoonvader Karel I in Engeland (1688, de Glorious Revolution) onttroonde, werd de rust in Europa hersteld. Hij redde het protestantisme.
Zijn optreden luidde een periode in van stabiliteit, waarin alle Europese volken zich in meerdere of mindere mate verantwoordelijk voelden voor het handhaven van het bereikte evenwicht. Daardoor nam de onderlinge beïnvloeding van de verschillende volken toe, hetgeen volgens Groen ten goede kwam aan de beschaving. Op het laatste legt Groen veel nadruk. Daar ligt de eigenlijke boodschap van de Historische Proeve: de verbroedering van de volken leidt tot een hoger beschavingspeil.
Groen betoogt dat deze gunstige ontwikkeling tot in zijn dagen doorgaat. Het Weense Congres is er een uitvloeisel van. Met een zeker enthousiasme voorspelt hij dat de toekomst een steeds 'nauwere vereniging' te zien zal geven van de beschaafde volken. Dit hoeft niet te betekenen dat een volk zijn eigenheid zal moeten prijs geven. Het in ere houden van de eigen taal, de eigen geschiedenis en de eigen zeden en gewoonten, staat niet per se op gespannen voet met een dergelijke vereniging. Deze toenadering moet worden begroet, omdat ze leidt tot verbreiding van 'de beschaving'.
De nauwere vereniging van de Europese volken kon wel eens een voorbode zijn van een mondiale verbreiding van de beschaving. De jonge Groen filosofeert zelfs al over de mogelijkheid van een toekomstige volkerenbond op wereldschaal. Zo'n volkerenbond zou een belangrijke impuls kunnen zijn voor een wereldwijde verbreiding van de beschaving, vooral door toedoen van Europa en Amerika.

Wie dit jeugdgeschrift van Groen leest, komt onder de indruk van zijn grote historische kennis en van zijn visie op de geschiedenis. Het valt op dat Groen al op 25-jarige leeftijd de hand van God opmerkt in de geschiedenis. De historie tendeert naar een afloop. Ze heeft een doel en een weg. En Europa heeft een roeping, op mondiale schaal.
Als hij het uiteenvallen van de volkeren in de latere middeleeuwen geschetst heeft, stelt hij: "Maar God heeft het niet laten gebeuren dat Europa uiteen viel." Door het humanisme, het gezamenlijk teruggrijpen op de bronnen van de beschaving in Griekenland en Rome, door de boekdrukkunst en door de Reformatie werd dat verhoed. De roeping van Europa, waarover hij schrijft bestaat daarin dat de volkeren het onderlinge evenwicht in het concert européen handhaven en dat zij door diplomatiek verkeer en door wederzijdse beïnvloeding uitdrukking geven aan de beschaving, die zij van hoger hand hebben ontvangen.
Verder ziet Groen een soort verenigd Europa in het verschiet liggen. De eerste aanzetten daartoe ziet hij in het Weense Congres naar voren komen. En inderdaad, men zou kunnen zeggen dat de conferenties in Wenen waren voorboden van de Europese beraadslagingen in Straatsburg en Brussel, zoals die sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog plaatsvinden. Groen duidt deze ontwikkeling positief.

Frankrijk in 1789 - het recht van interventie
En toch zijn er enkele passages in Groens jeugdgeschrift die erop wijzen dat hij het in de verte heeft horen donderen. Ik wijs u op een enkele zin, waarin Groen met nadruk wijst op het recht van interventie van buitenlandse mogendheden in een land waar de zaken zo uit de hand lopen, dat er sprake is van gevaar voor heel Europa.
Hij wijst in dit verband op de Nederlandse stadhouder Willem III die in 1688, ter wille van de stabiliteit in Europa in Engeland, orde op zaken stelde. Ook wijst hij op de Zweedse koning Gustaaf Adolf die in de Dertigjarige Oorlog de Duitse protestanten te hulp schoot en Oostenrijk versloeg. De omineuze zin die Groen met betrekking tot de meer recente geschiedenis laat volgen, luidt: "Zo was een poging te doen om Lodewijk XVI aan de uitzinnigheid van de opgeruide menigte te ontrukken een daad, welke pligt en recht, reeds uit het oogpunt van onderlinge betrekkingen alleen, aan ieder wettig gouvernement gebood."

Groen stelt dus uitdrukkelijk dat de volkeren van Europa in het jaar 1789 het recht hadden om te interveniëren in Frankrijk! 1789 is het jaar van de Franse Revolutie, het jaar waarin de bestaande orde in Frankrijk door revolutionairen, die het "noch God, noch meester" tot hun devies hadden gekozen, volkomen op zijn kop werd gezet. Het jaar waarin de menselijke rede verheven werd tot godin en tot garant van de vrijheid.
1789 was het jaar van de doorbraak van het liberalisme. Het woord liberaal komt van het Latijnse woord libertas, vrijheid. De vrijheid die de liberalen predikten, bestond daarin dat een volk elke vorm van gezag, hetzij van God of van heersers naar eigen believen af mocht zweren. Door deze vrijheid op te eisen, is de mensheid in staat een betere maatschappij te scheppen.
Treffend komt de geest van de Revolutie tot uitdrukking in een toneelstuk dat in de jaren voorafgaand aan de Franse Revolutie in Parijs met buitengewoon veel enthousiasme werd ontvangen: Le Mariage de Figaro van Beaumarchais.
In dit toneelstuk waagt een page - Figaro - het om tegen een edelman, die in een kamer in een fauteuil zit, te zeggen: "zeg, sta jij eens op, zodat ik daar kan gaan zitten!"
Deze ongehoorde opmerking werd door het Parijse publiek met veel enthousiasme ontvangen. Niet veel jaren daarna sommeerde het gepeupel de adel, ja zelfs de koning, op een nog veel navranter manier: "Zeg, sta op, zodat ik jullie plaats kan innemen."

Het is opmerkelijk dat Groen al op jonge leeftijd in het liberale denken een bedreiging voor de Europese beschaving zag. De geest van de revolutie was duidelijk naar voren gekomen in de prediking van Rousseau (1712-1778), in de twijfelzucht van Voltaire (1694-1778), in het cynisme en de ijdelheid van Diderot (1713-1784) en zijn volgelingen. Zij bedreigden de fundamenten van de Westerse beschaving. Om die reden hadden, aldus de jonge Groen van Prinsterer, de West-Europese mogendheden in Frankrijk in moeten grijpen! "Wanneer immers in enig rijk de beginsels, waarop de orde van de staat en de rust van Europa is gevestigd door verderfelijke redeneringen worden ondermijnd en zulks oogluikend of gedwongen toegelaten wordt; wanneer die redeneringen zich niet bepalen tot bloote aanschouwing, maar ook in toepassing worden gebragt, dan is er voor de andere rijken niet een ver verwijderd, maar een onmiddellijk gevaar ten gevolge van die prediking door voorbeeld en door leer."
We moeten deze zin goed tot ons door laten dringen. Zeer juist omschrijft Groen reeds hier de aard en de strekking van wat er in 1789 plaatsvond: het rijk der beginsels waarop de orde van de staat en de rust van Europa gevestigd is, werd door verderfelijke redeneringen ondermijnd. Er was alle reden om te interveniëren, omdat deze "redeneringen" niet alleen gepredikt werden, maar ook in toepassing werden gebracht. Dat betekende een acuut gevaar voor de stabiliteit, ook in andere Europese rijken.
Om erger te voorkomen, had men moeten ingrijpen.
Wanneer een huiseigenaar een brand die bij hem thuis uitbreekt en die andere huizen in de omtrek bedreigt, niet blust, dan heeft de buurman het recht om dat te doen. Het is een bekend beeld, aldus Groen, maar het is even bekend als dat het juist is.
Dit had rond 1790 in Europa moeten gebeuren. Maar het is niet gebeurd!!
En dat het niet gebeurd is, heeft fatale gevolgen gehad!
Het heeft Europa 20 jaren in de brand gezet. Groen kijkt erop terug. Het is dan ook niet toevallig dat zijn overigens bedaarde toon, waar hij deze dingen ter sprake brengt, iets gepassioneerds krijgt.

Maar Groen is niet pessimistisch. Hij stelt: de Europese vorsten hebben de orde hersteld. Door op te komen voor de beginselen waar de Europese orde eeuwenlang op heeft gerust, dienen zij er in de toekomst voor te waken dat zich niet herhaalt, wat destijds gebeurde. Zij kunnen dit doen. Mocht ooit de brand van de revolutie in één van de landen in Europa opnieuw de kop op steken, dan is het hun taak het vuur bijtijds te blussen teneinde uitbreiding ervan te voorkomen!
Nu we dit weten, is het ons ook duidelijk waarom Groen in de jaren '20 als jonge man zijn vlugschrift over Portugal en zijn verhandeling over de Griekse opstand tegen de Turken schreef. Beide zaken hadden te maken met de status quo in Europa. Groen voelde zich zeer betrokken bij vragen over de toekomst van Europa. Bovendien was hij zeer beducht voor een herhaling van wat zich in 1789 in Frankrijk had voorgedaan. De jonge Groen van Prinsterer was er niet gerust op. Zouden de vorsten de kracht hebben om, als dat nodig was, in een land te interveniëren om de stabiliteit van Europa te waarborgen? Of zou de geschiedenis van 1789 zich herhalen en zou het liberalisme, nu niet in Frankrijk maar in andere landen toeslaan en op die manier de stabiliteit van Europa in gevaar brengen? Als Groen deze vragen overwoog, was het alsof hij de grond onder zijn voeten voelde trillen.

Groen als geestverwant van Burke
Groen betoonde zich in deze overwegingen een geestverwant van Edmund Burke (1729-1797), wiens geschriften hij overigens pas enkele jaren later in Brussel tot zijn grote vreugde kon aanschaffen. Als iemand doorzien heeft wat de Revolutie betekende en welke gevaren er voor Europa in de denkbeelden van het liberalisme schuilgingen, dan was het Burke. Op een bijkans profetische manier heeft hij voorspeld dat de Franse Revolutie niet bij de grenzen van Frankrijk halt zou houden. Dit kon niet het geval zijn. De revolutionaire leidslieden droegen immers met grote gedrevenheid een politieke leer uit, die totalitair was en die in regelrechte tegenspraak was met de beginselen van het christelijk geloof, waarop het bouwwerk van Europa rustte.
De Franse revolutionairen beschouwden zich als apostelen van een nieuwe heilsleer, die ook buiten de grenzen van Frankrijk moest worden uitgedragen. Zoals ooit de Reformatie geen halt hield voor de grenzen van Duitsland en Genève, maar het aanzien van heel Europa veranderde (ten goede overigens!), zo zou ook het zaad van de Franse Revolutie over de grenzen van Frankrijk heen waaien en elders zijn wrange vruchten voortbrengen. Het onheilspellende van de situatie in Europa was immers dat de ongeloofstheorieën die de Franse achttiende-eeuwse filosofen aan de man brachten, niet alleen in Frankrijk, maar in heel Europa met vreugde ontvangen waren. De bodem van heel Europa bleek vulkanisch gebied te zijn!
Burke's inschatting was juist. We hoeven maar te denken aan ons eigen land, waar duizenden patriotten warm liepen voor de Franse revolutionaire beweging. Wat te denken van Engeland, waar de invloedrijke kanselredenaar dr. Price het opnam voor de Franse radicalen. En wat te denken van Pruisen, waar in het midden van de 18e eeuw Frederik de Grote een groot bewonderaar was van de zgn. Franse filosofen en Voltaire in zijn paleis Sans Souci met veel égards omringde?!
Voor wat betreft de doorwerking leken Reformatie en Revolutie dus op elkaar. Maar voor het overige waren ze elkaars tegenpool, aldus Edmund Burke.
Wat hield de Reformatie immers anders in dan de herontdekking van het eerste gebod: "Ik ben de Here uw God, gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben"? Door toedoen van de Reformatie erkenden vorsten en overheden Gods soevereiniteit en beseften zij dat zij gebonden waren aan de Tien Geboden.
Niemand heeft daar op een fraaiere manier over gesproken dan Calvijn, die in het vierde boek van de Institutie de vraag op tafel legt of de overheden, behalve aan de tweede tafel van de Wet, ook gebonden zijn aan de eerste tafel: het dienen van de ware God. Calvijn beantwoordt deze vraag zondermeer positief. Ook de eerste tafel van de wet is van het grootste belang voor de overheid. De overheid regeert bij de gratie Gods. Haar beleid dient gegrond te zijn op het droit divin, d.w.z. het goddelijk recht, dat verankerd is in de schepping en Gods wet en waarvan het besef door het Evangelie verlevendigd wordt.
Deze overtuiging vormt de slagader van het protestantse staatsrecht. Zij werd in de protestantse landen op verschillende wijze toegepast op de eigen situatie. Zo kreeg de protestantse staat in verschillende vorstendommen en republieken een eigen inkleuring. In de Nederlanden, onder het stadhouderschap van de Oranjes, in Engeland o.a. door toedoen van de bekende kerkleider Richard Hooker (1554-1600) en in Amerika door de Pilgrim Fathers en de puriteinen, in de lutherse landen door de vorsten wier inbreng in het kerkelijke leven groot was. Bij alle verscheidenheid bestond overal deze grondovertuiging dat God de Eerste is aan wie vorsten en overheden tot heil van de onderdanen gehoorzaamheid verschuldigd zijn.

Wie zijn jeugdgeschriften leest, merkt dat Groen al in 1826 op zoek is naar een tegengif tegen het revolutionaire elan, waarvan hij vreest dat het niet is uitgeroeid. Er was weliswaar in 1815 een krachtige poging gedaan om het revolutionaire vuur van het liberalisme te doven, maar Groen besefte heel goed dat het vuur nog wel degelijk smeulde. En smeulend vuur blijft gevaarlijk. "De brandweer kan niet tevreden zijn, dan nadat alle vuurhaarden niet alleen onder controle zijn, maar ook volledig gedoofd zijn."
En dat was niet het geval.
Groen bleef dan ook alert. Ook daarin vertoont hij verwantschap met Edmund Burke. Ook Burke had de Europese mogendheden opgeroepen om in Frankrijk de revolutionaire beweging de kop in te drukken. Maar tegelijk waarschuwde hij dat daarmee niet alles gewonnen zou zijn.

Burke's profetie
Het is opmerkelijk dat Burke in zijn geschrift Thoughts on French affairs (1791) de meest invloedrijke landen van Europa de revue laat passeren om aan te geven welke van deze landen hij het meest vatbaar achtte voor de ideeën van het liberalisme en daardoor een mogelijk gevaar vormden voor de stabiliteit van het christelijke Europa. Het is daarbij veelzeggend dat Burke de meeste zorgen heeft over uitgerekend Pruisen en Rusland.
Burke voorspelde: als naar deze beide landen de ideeën van het liberale denken zouden overslaan is het leed voor Europa niet te overzien. Hij voorzag dat Pruisen en Rusland in de nabije toekomst steeds machtiger zouden worden en een steeds belangrijker rol voor zich zouden opeisen in het Europese staatsbestel. Dat maakte hem zeer bezorgd. Letterlijk stelt hij (let wel: in 1791): "In Duitsland wordt een grote revolutie voorbereid, een revolutie die naar mijn inschatting waarschijnlijk van beslissender betekenis zal zijn voor het algemene lot van de volken van Europa dan de revolutie in Frankrijk zelf." Burke stelde: "Als het machtsevenwicht in het Duitse Rijk, dat zoveel vorstendommen telt, door de liberale ideeën in gevaar komt, zal dat van invloed zijn op de betrekkingen tussen Pruisen en Oostenrijk. Zij zullen elkaar qua invloed en macht niet meer in evenwicht houden. Dit kán gaan betekenen dat één van beide een machtspolitiek gaat voeren, die desastreuze gevolgen heeft voor heel Europa." Ook op de ontwikkelingen in Rusland, de steeds belangrijker wordende kolos in het oosten van Europa, is Burke niet gerust.
Terugziend kunnen we na ruim twee eeuwen niet anders dan concluderen dat Burke's vrees volkomen gerechtvaardigd was en dat zijn voorzeggingen bijkans profetisch waren! De invloed van de revolutionaire denkbeelden bleek, ondanks het Wener Congres, niet te stuiten. De revolutionaire denkbeelden sprongen inderdaad over naar Pruisen om vervolgens, vooral via Duitsland (Marx, Engels, Lenin) in de vorm van het socialisme en het communisme over te waaien naar Rusland. Langs deze weg heeft het liberale denken een zee van ellende in Europa en in de wereld teweeg gebracht.

De Heilige Alliantie en Ludwig von Gerlach
Toch moeten we stellen dat het in het begin van de 19e eeuw heel anders leek te lopen. In 1815 sloten de belangrijkste Europese vorsten een Heilige Alliantie. De betrokken vorsten waren de keizer van Oostenrijk, de koning van Pruisen en de tsaar van Rusland. Zij vertegenwoordigden resp. het Rooms-katholicisme, het (lutherse) protestantisme en de Russische orthodoxie. Zij beloofden te streven naar een evenwichtig, vreedzaam en vooral christelijk Europa. De alliantie moest een dam op te werpen tegen de vloedgolf van het liberalisme waar Europa in de Franse tijd zo onder geleden had.
Alle goede bedoelingen ten spijt: de vorsten hebben hun hooggestemde idealen niet kunnen waarmaken. De Heilige Alliantie bleek niet bestand tegen de druk van het liberalisme dat ook in de 19e eeuw aan invloed won. Uiteindelijk heeft het ook het conservatieve en protestantse Pruisen in zijn greep gekregen. De tragiek die daarin voor Europa ligt is immens.
Dit kan men het beste zien aan de levensloop van de Pruisische staatsman Ludwig von Gerlach (1795-1877), die het als zijn levenstaak beschouwde om de Heilige Alliantie in ere te houden, als tegengif tegen het liberalisme. Ludwig von Gerlach was een geestverwant van Groen van Prinsterer. Groen, die zijn periodiek de Kreuzzeitung las, waardeerde Von Gerlach zeer. Het kwam echter pas in 1866, toen beiden oud waren, tot een persoonlijke ontmoeting.

Von Gerlach was een oprecht man. Als kind had hij een piëtistische opvoeding genoten. Hij was de eigenlijke theoreticus van de conservatieve partij in Pruisen. Von Gerlach dacht sterk theocratisch. Hij had veel invloed op de Pruisische koning Frederik Willem III (1797-1840) en Frederik Willem IV (1840 -1861) Von Gerlachs ideaal was een christelijk Europa, d.w.z. een Europa dat trouw bleef aan zijn christelijke oorsprong, waarin de landsregeringen Gods geboden als leidraad voor hun politieke handelen namen. Hij was de Heilige Alliantie dan ook ten zeerste toegedaan. Von Gerlach wees democratische ideeën, die zich in zijn dagen volop gepropageerd werden, scherp van de hand. Vorsten regeerden volgens hem niet bij de gratie van het volk, maar bij de gratie Gods. Het gezag is gefundeerd in het heilig Boven en niet in de onzekere sentimenten van het volk of van de meerderheid daarvan.
Twee stellingen die hij steeds opnieuw naar voren bracht luidden: "Gerechtigheid is het fundament van de koningen" en: "Er is een hogere macht dan de macht van het recht." Het hoogste recht is verwoord in de Tien Geboden en is verankerd in de woorden: "Ik ben de Here uw God." Het euvel van het liberalisme is dat het niet wenst te rekenen met een gezag dat van hoger orde is. Voor het liberalisme, aldus Von Gerlach, is de wereld zichzelf tot een wet!
Von Gerlach had veel geestverwanten, o.a. de bekwame juristen Ludwig von Haller en Friedrich Julius Stahl (1802-1861). De oudere Von Haller had grote invloed op Von Gerlach. Stahl was een uitgesproken luthers jurist, een gezien man, ook aan het hof. In de eerste helft van de 19e eeuw was de invloed van deze conservatieve politici op de Pruisische regering groot. Zij publiceerden veelal in de al genoemde Kreuzzeitung, die tot ver buiten de grenzen gelezen werd.

De Alliantie onder druk
In zijn bekende boek Das andere Preussen (Berlijn,1964) schetst de Joodse Hans Joachim Schoeps, hoe Von Gerlach zich in het midden van de 19e eeuw veel moeite getroostte om de Heilige Alliantie in stand te houden. De alliantie kwam immers steeds meer onder druk te staan. In 1848 stak in Europa opnieuw de wind van de revolutie op. Het liberalisme won in verschillende landen terrein, o.a. in Frankrijk en Nederland. Mede door toedoen van Von Gerlach en Stahl weerstond de koning van Pruisen - het Pruisen van Kohlbrugge - de druk om een nieuwe grondwet te aanvaarden. Hetzelfde geldt voor de vorsten van Oostenrijk en Rusland. Toch verslechterde hun verstandhouding na 1848 uitermate.
Er is voor deze ontwikkeling geen hoofdschuldige aan te wijzen. Volgens Von Gerlach liet geen van hen zich richten door het ideaal van het christelijk Europa. Dat verwijt betrof de tsaar, die zijn invloed op de Balkan wilde vergroten om een sterkere positie ten opzichte van de Turken te verkrijgen. Hij streefde naar een Russische hegemonie op de Balkan. Daardoor kwam de vrije doorgang over de Donau in gevaar. Dit bracht de keizer van Oostenrijk in verlegenheid. Ook Frankrijk bracht de keizer in het nauw.
Napoleon III steunde de revolutionaire beweging in Italië, waardoor Oostenrijkse bezittingen in het noorden van Italië in gevaar kwamen. Engeland, waar de liberale Palmerston aan het roer stond, maakte het er niet beter op. Samen met Frankrijk begon het op de Krim een oorlog tegen Rusland (1854).

Door deze verwikkelingen werd de Pruisische regering zwaar op de proef gesteld. Welke positie moest zij kiezen? Zou zij de Fransen en de Engelsen in hun strijd tegen Rusland steunen? Dan zou het verbond met Rusland verbroken worden. Zou zij zich keren tegen Engeland en de 'onchristelijke Turken' en de zijde van Rusland kiezen? Dan zou Pruisen in oorlog komen met een protestants land. In dat geval zou Pruisen bovendien niet alleen met Engeland en Frankrijk, maar ook met Oostenrijk in conflict komen, dat zich door de politiek van de tsaar op de Balkan bedreigd voelde.
Nu lag er voor Pruisen iets zeer aanlokkelijks in een conflict met Oostenrijk. Oostenrijk was de machtigste staat in de Duitse bond. De keizerskroon was al sinds eeuwen voorbehouden aan de Habsburgers, die als aartshertogen regeerden over Oostenrijk. Wanneer Pruisen de gelegenheid aangreep en zich tegen het toch al zo in het nauw gebrachte Oostenrijk zou keren, zou het ongetwijfeld de hegemonie in de Duitse Statenbond verkrijgen. Zou de Pruisische regering deze kans grijpen? Von Gerlach en Stahl drongen bij de koning aan dit niet te doen. De koning moest zich strikt neutraal opstellen en geen partij kiezen. Zij stelden zich uit christelijke overtuiging op dit standpunt. Pruisen moest zichzelf verloochenen. Von Gerlach won het pleit. Pruisen bleef koersen op een christelijk, niet revolutionair Europa. Het strekt Frederik Willem IV tot eer, dat hij het advies van Von Gerlach opvolgde en geen partij koos. Eigenbelang diende niet de koers te bepalen. Dat zou immers het einde betekenen van de Heilige Alliantie en het nog resterende christelijk karakter van Europa in groot gevaar brengen.

Het roer om - Otto von Bismarck
Ondanks de neutraliteit van Pruisen bleef het in Europa gisten. De situatie was uiterst precair en de druk op de koning van Pruisen om zich te laten gelden, was zeer groot. Veel hing er in Pruisen af van de opstelling van de conservatieven. Vooralsnog bleven zij bij hun standpunt van neutraliteit. Dit bleef zo, totdat er binnen hun gelederen een man opstond, die de geschiedenis van Europa zou bepalen: Otto von Bismarck (1815 - 1898). Aanvankelijk was Bismarck een loyaal lid van de conservatieve partij, wier christelijke principes hij van harte deelde. Hij betoonde zich een warm voorstander van Von Gerlachs christelijk-germaanse staatsidee. In 1848 sprak hij het als zijn overtuiging uit dat alleen door de Heilige Alliantie verhoed werd dat Europa ten prooi viel aan allerlei roofoorlogen.
Het verdrag van de drie christelijke vorsten kon volgens Bismarck het begin zijn van een samenwerking van alle Europese volkeren op christelijke grondslag.
Maar de zeer getalenteerde Bismarck bleek niet uit hetzelfde hout gesneden als Von Gerlach en Stahl. Al heel snel nadat de nieuwe koning Wilhelm I hem in 1862 benoemd had tot kanselier van Pruisen, bleek dat hij de christelijke principes van de conservatieven liet voor wat ze waren.
Eenmaal aan de macht, verloochende hij tot ontsteltenis van Von Gerlach dit principe. Tegenover het principe van een christelijk Europa stelde Bismarck onomwonden het eigenbelang van Pruisen Wat nuttig was voor Pruisen was per definitie goed.
Afspraken met andere vorsten konden verbroken worden als het staatsbelang dat eiste. De stabiliteit in Europa, het handhaven van het christelijke Europa, het afstemmen van de politiek op de Tien Geboden, het werd door Bismarck ondergeschikt verklaard aan het belang van Pruisen.
Zonder scrupules gaf hij toe dat zijn enige doel was: machtsuitbreiding van Pruisen.
Zijn handelen was ernaar.
Hij overtroefde zijn eigen koning. In 1864 veroverde hij Sleeswijk op de Denen, in hetzelfde jaar annexeerde hij Holstein. In 1866 annexeerde hij midden-Duitse landen als Hannover. Daartoe had hij het op een akkoordje gegooid met Napoleon III. Toen hij zijn doel bereikt had, zocht hij in 1870 een voorwendsel om Frankrijk binnen te vallen.
Na de val van Parijs (1870) kroonde hij in de Spiegelzaal van Versailles de koning van Pruisen tot keizer van het Heilige Duitse Rijk. De vernedering van Oostenrijk was daarmee compleet.

Wat hier geschetst wordt, is een ontstellende geschiedenis. Bismarck brak met de christelijke politiek zoals Von Gerlach die had voorgestaan. Hij voerde, wat hij noemde een Realpolitik. De realiteit van het ogenblik, gerelateerd aan het belang van Pruisen, was bepalend voor het beleid dat in Pruisen gevoerd werd. Het betekende niet minder dan dat de vonk van het liberalisme naar Pruisen was overgeslagen en daar een uitslaande brand veroorzaakte. Hoe diepingrijpend Bismarcks omslag was en uit welk ander principe hij handelde, valt o.a. op te maken uit de volgende ontboezeming van de kanselier: "De leugen is de olie in de diplomatieke machine." Schoeps stelt dat Bismarcks optreden in concreto betekende dat de laatste resten van het oude Europese staatssysteem opgeruimd werden. Het begon met de vernietiging van de Duitse Bond, het eindigde met de vernedering van Oostenrijk en Frankrijk. De oude Von Gerlach heeft Bismarck om deze reden met verwijten overladen. Geen wonder. Hij moest machteloos toezien hoe zijn levenswerk door een vroegere geestverwant werd afgebroken en hoe de stabiliteit en het christelijke gehalte van Europa in groot gevaar kwamen. In het laatste artikel dat hij voor de Kreuzzeitung schreef (1866), waarschuwt hij: "Hoeden wij ons voor de afschuwelijke dwaalleer, alsof de geboden van God niet ook op het gebied van de politiek, van de diplomatie en van oorlogsvoering richtsnoer zijn, alsof deze gebieden geen hogere wet kennen dan het patriottistische egoïsme. Er is een hogere macht dan de macht: het recht. Het goddelijk recht."

Een apocalyptisch gebeuren
In de ogen van Von Gerlach trokken in het christelijke Europese huis, waar ooit door het christelijk geloof een boze geest uit verdreven was, door toedoen van het nationalisme van Bismarck zeven bozen geesten binnen, die erger waren dan de eerste. Von Gerlach wist wat hij zei, toen hij Bismarck typeerde als een antichrist! Het mag veelzeggend genoemd worden dat de toch altijd omzichtige Groen van Prinsterer Von Gerlachs typering overnam.
Evenals Von Gerlach zag hij in dat de gevolgen van Bismarcks optreden voor Europa desastreus zouden zijn. De toenadering van de volken waarover hij als jonge man reeds geschreven had en waarvan hij hoge verwachtingen had gekoesterd, werd teniet gedaan. "Nu", schreef Groen in 1870 in een persoonlijke aantekening, "is er géén concert européen meer. Nu is er in Europa geen Europees tribunaal meer. De bepalingen van 1815 zijn verscheurd, er is geen evenwicht meer in Europa."
Het protestantse land bij uitstek dat tot nu toe vanuit christelijk standpunt weerstand had geboden tegen de revolutionaire tendensen in Europa was zélf liberaal geworden! Als Jeremia's klaagzang over Jeruzalem klinkt het als Groen schrijft: "Pruisen is overgegaan tot het nieuwe recht!!"
Groen zag heel goed in dat deze overgang betekende dat in Europa voortaan het recht van de sterkste zou gelden. Een anti-christelijke geest zou vaardig worden over de volkeren.
Met alle gevolgen van dien. Groen heeft gepeild welke gevolgen deze omslag, dit overgaan tot het "nieuwe recht" voor Europa zou hebben. In 1870 geeft hij een boek uit met de omineuze titel L' Empire Prussien et l' Apocalypse. En in overeenstemming met de geest van dit boekje voorspelde hij al in 1867 tijdens een bijeenkomst van de Evangelische Alliantie in Amsterdam wat Europa "door de weldoeners der eeuw, door de verlichte vorsten en regeringsleiders" te zien zouden krijgen. Een zee van ellende zou over Europa gaan.
Want de vonk van de revolutie (het liberalisme) was van Frankrijk overgesprongen naar Pruisen, het machtige land, dat midden in Europa lag...

Groens voorspelling is uitgekomen. Het vuur dat in Pruisen ontstoken werd, heeft heel Europa in brand gezet. Schoeps zegt in 1964 "Er zijn er niet velen die gemerkt hebben dat in 1866 de grote beslissing viel, toen Bismarck deze weg in sloeg, een weg, waarvan aan het einde de wereldoorlogen van 1914 en van 1939 staan." Met andere woorden: er loopt een regelrechte lijn van Bismarck naar de Eerste en de Tweede Wereldoorlog. Groen was één van die weinigen, die de rampen die aanstaande waren, voorzagen.
Hij stelde: vanaf nu geldt voor de volkeren van Europa: "Ieder voor zich!" De dramatische gebeurtenissen die hieruit voort vloeiden, zouden Europa, ja de hele wereld, in apocalyptische wateren brengen.

Eugenio Corti, een Italiaans christen en romanschrijver wijst in een geschriftje La responsabilité de la culture occidentale dans les grands massacres du XXe siècle op de verantwoordelijkheid van Europa voor de hele wereld.
Zeer veel nadruk legt hij op de voorrechten die God aan Europa geschonken heeft en in het bijzonder aan het zeer begaafde Duitse volk. Deze voorrechten en talentent hadden ten goede kunnen komen aan de hele wereld. Dat was het waarop Groen in 1826 nog hoopte. Terugziend moet gezegd worden dat aan de schoot van Europa door ongeloof en Godverzaking het revolutionaire, liberale denken is ontsprongen, dat in de vorm van allerlei ideologieën als een vloedgolf over de wereld is geslagen. Met alle gevolgen van dien. In 1814 brak de Eerste Wereldoorlog uit, als een regelrecht gevolg van het door Von Gerlach en Groen verfoeide nationalisme.
In 1933 kwam Hitler in Duitsland aan de macht. Het nationaal socialisme won terrein. Het gevolg was een tweede wereldbrand. In 1917 nestelde het communisme, dat afkomstig is uit Europa, zich in Rusland en na de Tweede Wereldoorlog in China en Cambodja enz.
Vanaf die tijd vormde het een voortdurende bedreiging voor de wereldvrede. Door toedoen van de nazi's en van de communisten in Rusland en China verloren in een eeuw tijd maar liefst resp. 25, 60 en 153 miljoen mensen het leven. Dat maakt een totaal van 238 miljoen mensen.

De Verenigde Staten op het wereldtoneel
Europa is door los te raken van de verankering in het goddelijk recht tweemaal bijna te gronde is gegaan.
Vanzelfsprekend heb ik daarbij de beide wereldoorlogen op het oog. Een derde dreiging bleef niet uit: die van het communisme ten tijde van de Koude Oorlog. Drie keer kon het zichzelf niet trekken uit het moeras waar het in geraakt was. Drie keer moest die redding van buitenaf komen.
Drie keer hadden de Verenigde Staten van Amerika daarin het leeuwendeel. Tot drie keer toe brachten zij er Europa politiek, economisch en moreel bovenop.
Illustratief voor de situatie waarin Europa zich meer dan eens bevond, is de loopgravenoorlog in Noord Frankrijk tijdens de Eerste Wereldoorlog. Maandenlang zat er geen beweging in het front. De oorlog kostte dagelijks vele, vele mensenlevens. Honderden, duizenden soldaten kwamen om. Slachtoffer van wat Groen noemde het "nieuwe recht." In zijn boek Im Westen nichts Neues schetst Erich Maria Remarque de hopeloze situatie. Dagelijks berichtte de radio in Duitsland: Im Westen nichts Neues ("Van het westelijk front geen nieuws."). De vreselijke dingen die zich in werkelijkheid dagelijks aan het front voordeden, vormden geen nieuws meer. Het zat in Europa vast. Muurvast.
De lezer ondervindt er de beklemming van bij het lezen van het boek. Totdat hij op het eind ervan merkt dat er verandering op til is! Alsof de mist optrekt! Alsof er een frisse wind opsteekt! We schrijven dan 1917, enige tijd nadat president Woodrow Wilson van Amerika Duitsland de oorlog verklaarde. Naar Europa gezonden Amerikaanse militairen zetten de Duitse linies onder zware druk. Ze zagen kans de linies in korte tijd te doorbreken. Zo kwam er een einde aan een zinloze, dwaze oorlog, die honderdduizenden slachtoffers eiste. Amerika haalde Europa uit het slop.
Na de oorlog wilde Wilson zijn handen niet van Europa aftrekken. Heel duidelijk zag hij dat er een nieuw machtsevenwicht geschapen moest worden, op grond van een nieuw rechtsbewustzijn, op grond van het goddelijk recht.
Wilson betoonde zich een waar geestverwant van de door hem zo bewonderde Edmund Burke. Als men naar hem had geluisterd zou er met steun van Amerika een wereldbond van volkeren opgericht zijn. Wilsons opvattingen werden gedeeld door de jonge Duitse politicus Konrad Adenauer, die evenals Von Gerlach gedreven werd door het ideaal van een verenigd Europa op christelijke grondslag, waarin overigens de macht van Pruisen beknot werd! Helaas: zover kwam het niet. Frankrijk dat veel te lijden had gehad van de Eerste Wereldoorlog was uit op revanche en vernederde op zijn beurt Duitsland en stelde onmogelijke vredeseisen. Het "nieuwe recht", van 'ieder voor zich' beheerste nog steeds de Europese politiek. Wilson voorspelde dat er door de onheuse behandeling van Duitsland binnen twintig jaar opnieuw sprake zou zijn van een Europese oorlog.
Uit protest tegen de halsstarrige opstelling van Frankrijk onttrok hij zijn steun aan een volkerenbond. Nog geen 12 jaar betrad Hitler het Duitse podium.

Het eerste gebod - de betekenis van Karl Barth
Nu was het opnieuw Deutschland über alles. Maar het adagium klonk nog veel wranger in de oren dan in de tijd van Bismarck.
We vragen ons af of er in de jaren voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog door de kerk een even krachtig getuigenis gegeven werd van het goddelijk recht als eertijds door Groen van Prinsterer en Von Gerlach. Helaas moet vastgesteld worden dat de kerk het voor een groot gedeelte liet afweten. Van de stemmen die in en vanuit de kerk ter waarschuwing klonken, is de meest bekende wellicht die van de Zwitserse theoloog Karl Barth, die in de jaren dertig van de 20e eeuw doceerde in Bonn. Samen met anderen tekende hij ferm protest aan tegen Hitlers optreden. Hij deed dat met een beroep op Gods geboden en vooral op het eerste gebod. In een terugblik schrijft hij (in 1938): "Het ging ons daarom dat wij naast God geen andere goden mochten hebben." Hitler diende zich aan als de redder die de voorzienigheid naar voren had geschoven, naar wie iedereen moest luisteren! "Wij", aldus Barth, "hielden eenvoudigweg vast dat God boven alle goden staat, en dat de Kerk in Volk en samenleving onder alle omstandigheden en tegenover de Staat haar eigen taak heeft, haar eigen boodschap en orde, die haar voorgeschreven wordt in de Heilige Schrift. Ondanks het feit dat velen het zelfs in de kerk anders zien, en ondanks de eisen door het nationaal socialisme gesteld, is het zo dat de keuze voor de vrijheid van de kerk niet alleen een religieuze keuze is, maar ook uit de aard der zaak een politieke keuze." Evenals Groen rond 1870 signaleerde Barth dat velen in Europa niet in staat waren om te onderkennen waar het werkelijke gevaar vandaan kwam. Hun machteloosheid kwam voort uit het feit dat ze, aldus Barth, "niet inzien dat het nationaal socialisme de bewuste, radicale en systematische overtreding is van het eerste gebod!!"

Churchill, Roosevelt en de Tweede Wereldoorlog
Slechts weinigen zagen zo scherp als Karl Barth. Vandaar dat hij toen Hitler Tsjecho-Slowakije bezette de andere Europese landen opriep om hem met geweld te bestrijden! Enkele maanden later brak de Tweede Wereldoorlog uit. Een grote catastrofe was het gevolg. Opnieuw was Europa niet in staat om op eigen krachten orde vrede en veiligheid te herstellen. Vanzelfsprekend werd er oorlog gevoerd en was er verzet tegen Hitler. Maar dit verzet zou waarschijnlijk vruchteloos geweest zijn als daar niet opnieuw de Verenigde Staten waren, die bij de oorlog betrokken raakten. Dit gebeurde mede door toedoen van Winston Churchill. In Washington wees hij in september 1943 het congres op het feit dat God de Verenigde Staten groot had gemaakt, om zijn gehoor vervolgens voor te houden: "De prijs van grootheid is verantwoordelijkheid."
President Roosevelt verklaarde kort daarop Duitsland de oorlog. Opnieuw was het vooral door het doortastende optreden van de Verenigde Staten dat Europa werd gered. Hitler werd verslagen. De fouten die men maakte na de Eerste Wereldoorlog werden nu niet gemaakt. Duitsland werd door de Verenigde Staten in de arm genomen. Opnieuw woei er een frisse wind over Europa. Na de Tweede Wereldoorlog behoedden de Verenigde Staten Europa bovendien voor het dreigende en oprukkende communisme. Soms meer ondanks dan dankzij de Europese bevolking, die zich door voor een deel door het socialisme en communisme zand in de ogen liet strooien. Dat laatste gold helaas, zelfs voor Karl Barth die voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog, terecht het boegbeeld was voor de kerken. Europa en de Verenigde Staten - het protestantse staatsrecht

Waaraan is het te wijten dat Europa tot twee- of driemaal toe zo dicht bij de afgrond gestaan heeft?
Groen zou geantwoord hebben: het is te wijten aan de ideologieën die op Europese bodem zijn ontstaan. En ideologieën zijn producten van ongeloof. Hoe komt het dat Churchill en de Engelsen, evenals Roosevelt en de Amerikanen, niet alleen de materiële kracht, maar ook de morele moed bezaten om hun verantwoordelijkheid te nemen en Europa te helpen? Mag ik proberen een antwoord te formuleren? Ik doe het vragenderwijs.
Is het niet opvallend dat vanaf 1789 Groot-Brittannië en de Verenigde Staten van Amerika veel en veel minder gevoelig waren voor de revolutionaire, liberale denkbeelden dan Frankrijk, Duitsland, Italië, Oostenrijk, Nederland en Rusland? Is het niet omdat in Amerika nog een krachtig besef leefde van wat recht is? Is het niet omdat er in deze landen meer bewaard is gebleven van het besef dat de staat verantwoording schuldig is aan God en dat zij rekening dient te houden met diens geboden? Is er in Engeland en Amerika niet meer bewaard gebleven van wat Calvijn bedoelde, toen hij stelde dat er een direct verband bestaat tussen het natuurrecht, de wet van God, het geweten en het Evangelie, terwijl in Europa de band tussen het Woord van God en het staatsrecht meer en meer werd doorgesneden, hetgeen Groen en Von Gerlach zo diep betreurden? Heeft het puritanisme dat Engeland en Amerika stempelde de bevolking niet meer doordrongen van de calvinistische notie van het belang van het Eerste Gebod? Is het niet zo dat juist in de 18e eeuw, toen in Frankrijk de revolutionaire ideeën vat kregen op de mensen, er in Engeland en Amerika sprake was van een réveil van het christelijk geloof (The Great Awakening)? En last but not least: heeft God er niet voor gezorgd dat er op het cruciale moment van de Franse Revolutie in Engeland een bijkans profetisch politicus zijn stem verhief en waarschuwde tegen de geest van de revolutionairen? Een politicus wiens invloed van onberekenbaar is in zowel Groot-Brittannië als in Amerika?
Zeker, Engeland kende in 1688 zijn zogenaamde Glorious Revolution. Koning Karel I werd door onze stadhouder Willem III onttroond. Maar deze 'revolutie' was geen revolutie in de eigenlijke zin van het woord. Het was geen revolutie maar een opstand, juist tot behoud van het recht dat verankerd was in God.
Ook Amerika kende zijn revolutie. Op 4 juli 1776 verklaarde het zich vrij van het moederland, Engeland. Deze 'Revolutie' vond plaats drie jaren voor de Franse Revolutie. Maar welk een verschil tussen beide! Frankrijk, waar het aantal slachtoffers van de Revolutie en de Napoleontische oorlogen in de miljoenen loopt, wist geen bevredigende toestand van politieke vrijheid te bereiken. Ja, de vruchten van de Franse Revolutie waren desastreus voor heel Europa en uiteindelijk voor de hele wereld. De Engelsen en Amerikanen wisten daarentegen wèl een bevredigende toestand van politieke vrijheid te bereiken en… tot drie keer toe bevrijdden zij de wereld van groot onheil. Hoe komt dit?

Laat Groen, nee laat Stahl, die door Groen wordt geciteerd, het antwoord geven: "Men beweert wel dat het christelijk beginsel in de staat de vrije politieke ontwikkeling - en dat is het ideaal van onze tijd - belet. Het tegendeel is waar. Waarom is het aan de Engelsen en Noord Amerikanen gelukt om een bevredigende toestand van politieke vrijheid te bereiken, en waarom is dit aan de Fransen steeds mislukt? Om veel oorzaken. Maar er is een hoofdoorzaak. Namelijk deze: in Engeland en Amerika was de vrijheidsbeweging gepaard, vanaf het begin, met christelijk geloof. In Frankrijk was ze tegen het christelijk geloof gericht. De vrijheid was in Engeland en Amerika met de adem van de Puriteinen, in Frankrijk met die van de encyclopedisten en Jacobijnen bezield." Daar ziet u het verschil: de drang tot vrijheid ging in het Engeland van de 17e eeuw en in het Amerika van de 18e eeuw gepaard met religieus geloof, d.w.z. met eerbiediging van Gods wet. Vooral aan deze beide landen, die gestempeld werden door vrijheid èn geloof, hebben wij onze vrijheid te danken. Ik zal niet gemakkelijk een documentaire over het leven van Churchill vergeten, die de E.O. enkele jaren geleden voor de t.v. heeft uitgezonden. In één van de afleveringen was te zien hoe Churchill en Roosevelt elkaar ontmoetten op een oorlogsbodem op de Middellandse Zee. Voordat ze afscheid namen, werd er op het dek van het schip door alle aanwezigen, matrozen en scheepslui, officieren en onderhandelaars een psalm aangeheven. Daarin werd God geprezen en het vertrouwen in Hem uitgezongen. Een treffender illustratie van wat christelijk staatsmanschap inhoudt, ken ik nauwelijks. Zij gaven er blijk van te beseffen dat zij stonden in de traditie van het christelijk geloof, dat alleen garant staat voor vrijheid en recht en een waarborg vormt tegen elke vorm van ideologie. Europa is christelijk of het is niet Het rechtsbesef dat in Engeland en Amerika, dankzij o.a. Edmund Burke is bewaard en zijn vruchten heeft voortgebracht kan óns in West Europa niet vreemd zijn! Het is immers een vrucht van West-Europese bodem. Het is een rechtsbewustzijn dat via Europa (met name Engeland) in de Verenigde Staten wortel heeft geschoten. We kunnen stellen: via Amerika en Engeland waar het beter bewaard is dan in Europa, heeft het in de recente geschiedenis Europa (het moederland) bewaard voor chaos en ondergang. Via Amerika en Engeland kwam het weer terug naar dit werelddeel, waar het ooit tot bloei kwam, maar waar dat ándere vrijheidsdenken - een vrijheid zonder God - zoveel verwoestingen heeft aangericht.
Ik zou zeggen: is er niet alle reden om onze levensboom, die door het ongeloof zo verkommerd en verdroogd is, weer te planten bij dit rechtsbewustzijn, dat via Europa Amerika bereikt heeft en dat vooral te danken is aan het calvinisme!? Welnu, door toedoen van Churchill en Roosevelt is Europa gered. En uitgerekend zij pleitten in de geest van Groen van Prinsterer en Von Gerlach voor een verenigd Europa dat geschoeid is op christelijke leest. Dat deed Churchill o.a. in 1946 tijdens een toespraak in Zürich. Konrad Adenauer deed het al in 1919. Hij herhaalde zijn pleidooi in 1946. Méér dan de eenheid van Duitsland vormde de eenheid van Europa zijn grote ideaal. Een christelijk Europa, wel te verstaan.

Ten slotte

Tot slot: De eenheid van Europa heeft inmiddels in vérgaande vorm zijn beslag gekregen. Eerst op economisch gebied, vervolgens ook meer en meer op staatkundig en politiek terrein. Daardoor zijn catastrofes voorkomen. Meer dan 50 jaar is er in West-Europa vrede geweest.
Het communisme, dat zo'n geweldige bedreiging vormde, heeft in Oost-Europa inmiddels afgedaan. Veel Oost-Europese landen hebben inmiddels kenbaar gemaakt toe te willen treden tot de Europese Unie.
Is Europa op weg om het christelijke Europa te worden, waar Churchill over sprak en waar Adenauer op hoopte? De tendens in Brussel en Straatsburg boezemt niet altijd vertrouwen in. Toch leert de geschiedenis dat het cruciaal is voor de toekomst van Europa of dit vanouds christelijke werelddeel terug zal keren tot zijn wortels en het eerste gebod zal eerbiedigen.
Aan de christenen de taak om hun getuigenis in de geest van Groen, Burke, Von Gerlach en Adenauer bij het licht van de Bijbel en de historie te laten horen. Als het ooit, mede door hun toedoen, zover zou komen - en de geschiedenis leert ons: "Europa is christelijk of het is niet" - dan zouden Groen van Prinsterer en Von Gerlach, jaren nadat zij hun brood uitwierpen op het water, het alsnog vinden.