Terug naar Ecclesianet.nl

Gezegend bestaan

Ds. J.G. BARNHOORN, Nunspeet

Van de hand van Drs. M.D. Geuze, een van mijn Nunspeetse collega's, verscheen enige tijd geleden bij Uitg. J.J. Groen en Zn. te Heerenveen een boekje, getiteld: "De Zegen van Pinksteren", een "Handreiking voor bezinning op en gebed om het werk van de Heilige Geest". Een boekje, dat een brede kring van lezers op het oog heeft: het blijkt bestemd "voor de gemeente, in het bijzonder voor die gemeenteleden die op grond van de Bijbel verlangen naar een leven door de Heilige Geest en naar een gemeenteleven, gevuld met de kracht van de Heilige Geest, tot eer van God, tot opbouw van Zijn gemeente en tot de komst van Gods Koninkrijk voor Israël en de volkeren" (pag. 7).

Gebedsbij eenkom sten

Nu verdient een "handreiking" als deze in principe ook een brede lezerskring, omdat op de keper beschouwd geen enkel meelevend gemeentelid het zonder een dergelijk verlangen kan stellen. En toch ... wij weten helaas wel beter. Alleen al het pleidooi, door de auteur (in Hoofdstuk 5: "Een afgebeden zegen") voor het houden van gebedsbijeenkomsten gevoerd, is ruimschoots voldoende om ons bij de armoede van ons gemeentelijke leven te bepalen. Lijden gebeds-kringen in de praktijk niet al te vaak een kwijnend bestaan, in leven gehouden door kleine groepjes mensen, die, veelal als hobbyisten gezien, zich geroepen weten, de nood van anderen in het gebed aan de Here God voor te leggen?

Nee, wanneer hier, op dit aangelegen punt, het kerkelijk leven de thermometer wordt aangelegd, dan realiseren wij ons, dat de nood der kerk niet in de eerste plaats aan de secularisatie, aan het ontstellend grote aantal kerkverlaters van met name de laatste decennia, valt af te lezen. Men zal, om deze nood werkelijk te kunnen peilen, in de eerste plaats oog moeten krijgen voor de verstarring in de kringen van hen, die tot de alleszins meelevende gemeenteleden gerekend willen worden.

Opzet
De pennevrucht van Ds. Geuze is bescheiden van omvang : zij telt nauwelijks honderd pagina's. Maar in deze bladzijden komt ontzaglijk veel aan de orde, mede door de vele verwijzingen naar de Bijbel, die men voor een goed gebruik van wat ons hier geboden wordt dan ook steeds binnen handbereik dient te hebben. Het boekje is onderverdeeld in een twaalftal hoofdstukken, elk met een gebed en een aantal "vragen voor persoonlijke overweging of gesprek" afgesloten. Reeds wanneer men deze vragen aandachtig leest, reapseert men zich, dat het de gemeente alleszins ten goede zou komen, deze diepborende studie in Bijbel- of gesprekskring uitvoerig aandacht te geven.

Betrokkenheid
Wij mogen wel zeggen, dat de leer van de Heilige Geest in de loop der eeuwen verhoudingsgewijs weinig aandacht ontvangen heeft. Hoe komt dat eigenlijk? Gewoonlijk wordt deze vraag beantwoord met een verwijzing naar het "ongrijpbare" van het Pinksterwonder: de uitstorting van de Heilige Geest op alle vlees. Wij zeggen dan wel, dat wij niet goed weten, wat wij ons hierbij moeten voorstellen. Maar is dat wel zo? Ligt de oorzaak niet veeleer ergens anders?
Immers: mochten wij al in de waan verkeren, in Bethlehems stal, bij het kruis en in de hof van Jozef van Arimathea toeschouwers te kunnen blijven, op het Pinksterfeest wordt ons deze illusie zonder meer ontnomen. Wanneer de discipelen, na Christus' opstanding nog beangst achter gesloten deuren wegschui-lend, door de uitstorting van de Heilige Geest de ridderslag van het apostelschap ontvangen hebben, weten zij zich geroepen, de wereld in te trekken. Maar het geldt hier bepaald niet een triomftocht. Integendeel zelfs: "de weg van het stervende tarwegraan geldt ook voor Jezus' discipelen in de navolging van Hem. Het gaat erom, dat wij eigen voordeel en veiligheid om Christus' wil prijsgeven en Jezus volgen en trouw zijn tot in de dood, ondanks de haat van de wereld. Het eigen "ik"-leven moeten wij verliezen om voor en met de Heere Jezus te leven. Voor Jezus è
n Zijn discipelen geldt door lijden tot heerlijkheid" (pag. 35), zo wordt ons door de schrijver voorgehouden.

De inhoud van de zegen
De zegen van Pinksteren. Wat verstaan wij hieronder eigenlijk? Ds. Geuze zegt ervan: "Deze zegen is de doop in of de vervulling met de Heilige Geest van Christus' gemeente. Het is een zegen tot inwoning van en toerusting door de Geest. De gelovigen worden ondergedompeld in de volheid van de Heilige Geest, de Geest van de Heere Jezus Christus. Hun leven komt onder Zijn heerschappij, Zijn leiding te staan (Rom. 8 : 14). God de Heilige Geest komt in hen wonen en smeedt hen samen tot Zijn tempel (I-Kor. 3 : 16,17; II Cor. 6 : 16; Ef. 2 : 22)..." En iets verder heet het: "De zegen van Pinksteren houdt vooral in: toerusting van de gemeente met de gaven van de Geest tot dienst; tot opbouw van de gemeente en tot getuigenis (zending, evangelisatie) en dienstbetoon (diaconaat) in de wereld; om het grote gebod (Matth. 22 : 37 - 39) en de grote opdracht (Matth. 28 : 19) te vervullen" (pag. 11).

Gemeente-zijn
Het stemt ons dankbaar, dat collega Geuze het aspect van het gemeente-zijn zo sterk accentueert. De veel gehoorde bewering, dat men ook wel "op z'n eentje, zonder een band met de kerk, geloven kan, is goed beschouwd niet meer dan een slag in de lucht. Nog altijd geldt het bekende woord van de kerkvader Cyprianus, dat men God niet als Vader kan hebben, wanneer men de kerk niet als zijn moeder beschouwt. God laat zich van zijn kerk - een woord, afgeleid van het Griekse "kuriakè
", d.i.: "van de Here"! - niet isoleren. Hij is, om zo te zeggen, niet los verkrijgbaar. Alleen ... zijn wij ons er nog wel van bewust, wat het betekent, van de kerk, de gemeente van Christus, deel uit te maken? Wordt de kerkverlating niet mede veroorzaakt door een schrijnend tekort aan gemeente-zijn in onze gelederen? Is de klacht, dat in de kerk "alles als los zand aan elkaar hangt", veelal niet alleszins gerechtvaardigd?

Vragen
Bij alle waardering voor hetgeen Ds. Geuze ons voorlegt, roept zijn boekje ook enkele vragen bij ons op, en wel allereerst die van het al of niet eenmalig karakter van bepaalde gebeurtenissen, ons in het Nieuwe Testament beschreven. Geldt bijvoorbeeld de toezegging, door Jezus bij zijn hemelvaart aan de discipelen gegeven: " ... gij zult met de Heilige Geest gedoopt worden, niet vele dagen na deze" (Handelingen 1 : 5; vgl. Lucas 3 : 16), niet uitsluitend de kring van de twaalven? En mogen wij de belofte van bijzondere ervaringen, zoals deze blijkens Marcus 16 : 17v. de discipelen na Jezus' heengaan in het vooruitzicht werden gesteld, ook zonder meer op anderen betrekken? En een wellicht niet minder belangrijke vraag in dit verband: wanneer collega Geuze de doop in of vervulling met de Heilige Geest zo nadrukkelijk van "het begin van het christenleven" onderscheidt (vgl. pag. 60), bestaat dan niet het gevaar, dat op zichzelf gelovige mensen, die de ervaring van deze doop, als een onmisbare aanvulling op het werk van bekering en wedergeboorte, missen, tot wanhoop gebracht worden? Bovendien vragen wij ons af, of op deze manier persoon en werk van de Heilige Geest niet te zeer verzelfstandigd worden, ook al weet de auteur van "De Zegen van Pinksteren" zich er ten volle van overtuigd, dat het de Geest van Christus is, die aan gemeente en enkeling geschonken wordt.

Voortgaande werking
Tot zover onze vragen, die overigens niets afdoen van onze overtuiging, dat Ds. Geuze in zijn uiterst waardevolle studie een groot manco in het gemeentelijk leven signaleert. Er ï
s inderdaad alle reden om te stellen, dat men in de kerk in het algemeen gesproken weinig of geen rekening houdt met een voortgaande werking van de Heilige Geest. Een werking overigens, die niet alleen ons persoonlijk bestaan en het leven van de gemeente betreft, maar o.i. een veel verder strekkende actieradius heeft.

Zo achten wij b.v. de vraag gerechtvaardigd, of men juist in die kringen, waarin de kerkgang nog alleszins redelijk is te noemen, de Heilige Geest in feite niet monddood gemaakt, op non-actief gesteld heeft door Hem het vermogen te ontzeggen, de Heilige Schrift in eigentijdse bewoordingen te vertalen en het psalmboek "in onze eigen taal, waarin wij geboren zijn" (Hand. 2 : 8) te herdichten om de gemeente op een verantwoorde wijze van "de grote daden Gods" (vers 11) te laten zingen. Het komt ons overigens voor, dat wij ons met deze kanttekening voegen in het spoor, door Ds. Geuze zelf getrokken, wanneer hij dankbaar gewaagt van het ontstaan van nieuwe liederen "in tijden van opwekking door de Heilige Geest", waarbij hij bovendien stelt, dat "vervulling met de Heilige Geest vernieuwing van de eredienst betekent" (pag. 78), - een thema dat, onze aandacht ten volle waard, slechts tot onze schade verwaarloosd kan worden.

Waardering
Ter afsluiting van de impressie, die wij onze lezers in het voorgaande hebben willen geven, kunnen wij slechts de wens uitspreken, dat "De Zegen van Pinksteren" de brede lezerskring, die het op het oog heeft, ook inderdaad bereiken mag. Gedachtig aan de treffende karakterisering (op pag. 41 van zijn boekje) van het Pinksterfeest als een feest, dat is "omringd door gebeden" (pag. .41), zouden wij de, bede willen uitspreken, dat het lezen - en herlezen - van dit mooie boekje velen tot zegen moge zijn.