Terug naar Ecclesianet.nl

Een Vriendenboek Met Vragen

M. den Admirant

Onder de titel Dromer van een kerk verscheen begin 2002 een bundel opstellen, aangeboden aan dr. ir. J. van der Graaf  bij de beëindiging van zijn dienstverband met de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk. Jarenlang bepaalde hij als algemeen secretaris het gezicht van deze Bond. De bundel, een vriendenboek, werd hem aangeboden als blijk van grote waardering en als blijvende herinnering aan zijn werk ten dienste van de gemeenten en de kerk. Een vijftiental personen, niet uitsluitend uit de kring van de Gereformeerde Bond, verleende medewerking. De verschillende hoofdstukken weerspiegelen de veelheid van deelterreinen waarop Van der Graaf zich heeft bewogen: Israël, de Kerk, Samen-op-Weg, theocratie, prediking, gemeenteopbouw, werelddiaconaat, oecumene, Hongarije, media, cultuur, geloof en wetenschap, welzijn en onderwijs. De medewerkers is gevraagd, niet alleen te beschrijven welke bijdrage Van der Graaf de laatste dertig jaar inhoudelijk op elk van deze terreinen heeft geleverd, maar tevens de confrontatie met zijn visie en zo het gesprek met hem aan te gaan. Diverse auteurs leggen Van der Graaf dan ook bepaalde vragen voor, met het oogmerk de discussie gaande te houden. Aan enkele vragen willen we speciale aandacht schenken.

Israël
Na een levensschets, getiteld ‘Wie is toch deze man?’, van de hand van ds. A. Baas, volgt een bijdrage van prof. dr. C. Graafland over Van der Graafs aandeel in de bezinning rondom Israël en zijn daadwerkelijke betrokkenheid op het joodse volk in het nationale en politieke gebeuren van de staat Israël. Zijn belangstelling voor Israël is niet theoretisch en vrijblijvend. Bezinning en actie, woord en daad vormen daarin een eenheid.
    Van der Graaf  behoort tot de allereersten in zijn kring die tot een nieuwe geloofsvisie aangaande Israël kwamen. De opvatting dat de Kerk in de plaats van Israël is gekomen (de zogenaamde vervangingsleer) werd losgelaten. Hiermee ging gepaard een nieuw verstaan van de Schrift, met name van de profetieën in Ezechiël 36 en 37 en van Romeinen 9-11. Volgens Van der Graaf zijn Israël en het Koninkrijk Gods in de klassieke gereformeerde belijdenissen de grote afwezigen. Een aanvullend belijden aangaande Israël vindt hij ‘levensnoodzakelijk’. Toch meent prof. Graafland in Van der Graafs denken over Israël een ‘tweekantigheid’ te bespeuren. In de terugkeer van de Joden naar hun land is volgens Van der Graaf de belofte uit Ezechiël 36: 24 in vervulling gegaan. Maar hoe is het, zo vraagt Graafland, met de belofte in Ezechiël 37, waarin gesproken wordt over de geestelijke levendmaking van het volk? De vervulling daarvan blijft nog uit. Maar als ze eenmaal zal komen, zal ze dan betrekking hebben op hetzelfde Israël dat tot zijn land is teruggekeerd? Of zal ze beperkt blijven tot een overblijfsel naar Gods verkiezing, dat dan als een ‘geestelijk’ Israël kan worden beschouwd? Dezelfde vragen doen zich voor bij de uitleg van Romeinen 11: 26, waarin sprake is van ‘gans Israël’ dat zalig zal worden. De door Van der Graaf gegeven verklaring maakt duidelijk dat hij niet zover gaat dat het teruggekeerde volk in zijn geheel in dat behoud zal delen. Hij spreekt over een ‘pars pro toto’, een deel voor het geheel. Maar is dit deel in feite dan niet gelijk aan het door God tot eeuwig heil verkoren, dus het geestelijke Israël? Volgens Graafland blijven hier vragen over, waarop we geen duidelijk antwoord krijgen.

Kerkvisie
Enkele vragen heeft ook ds. H. Visser in een opstel over Van der Graafs kerkvisie. Achter het opschrift boven deze bijdrage is al een vraagteken geplaatst: ‘Een leerling van Hoedemaker?’. Van der Graaf is uitermate geboeid geraakt door de geestelijke houding van dr. Ph.J. Hoedemaker (1839-1910) in de kerkelijke strijd. Hoedemaker onderkende de gebreken van de Hervormde Kerk, die hij ‘een doodzieke moeder’ noemde. Toch bleef hij de kerk der vaderen trouw uit gehoorzaamheid aan Gods verbond met haar. In zijn afscheidsbrief aan de Confessionele Vereniging -uit welk schrijven Van der Graaf meer dan eens citeerde- schreef  Hoedemaker o.a.: ‘Ik ben een hervormde, die in de abnormale toestand waarin de kerk verkeert, niet de geringste aanleiding vindt om haar te verlaten’. Van der Graaf sloot  daarbij aan: ‘De kerk aanvaarden we in hoop op God, de kerk aanvaarden we ook in haar verscheurde gestalte, in haar gebreken’. Hoedemaker heeft de consequenties van zijn kerkelijk standpunt getrokken door zich binnen geen enkele kring of organisatie te laten opsluiten. Waarom is noch Van der Graaf, noch de Gereformeerde Bond, noch welke binnenkerkelijke organisatie ook, Hoedemaker daarin gevolgd? Ds. Visser stelt dan ook de vraag ‘of  het Kuyperiaanse organisatiemodel ons als hervormd-gereformeerden dieper in het bloed  zit dan het Hoedemakeriaanse kerkelijk besef’.
    Dr. B. Plaisier knoopt hierbij aan in zijn opstel over Van der Graafs worsteling met het Samen-op-Wegproces. ‘Van der Graaf, de man die de Gereformeerde Bond in de afgelopen jaren tot de sterkste modalitaire organisatie in de Nederlandse Hervormde kerk maakte, putte geregeld zijn inspiratie uit een brief, waarin het bestaansrecht van een bond of vereniging fundamenteel ter discussie werd gesteld’. Dit gedurig teruggrijpen op Hoedemaker is vooral een poging om de Gereformeerde Bond te blijven bepalen bij zijn roeping binnen het geheel van de kerk. Breken met de ‘kerk der vaderen’ wil volgens Van der Graaf  zeggen: veronachtzaming van Gods verbondshandelen en eigenmachtig een eigen kerk scheppen. De eenheid kan eigenlijk alleen worden hersteld door wederzijdse belijdenis van schuld en terugkeer naar de kerk der vaderen. Het Samen-op-Wegproces kwam bij Van der Graaf echter over als ‘maakwerk’ en als een breuk met de geschiedenis. Hij had de indruk dat Kuyper in dit verenigingsproces met terugwerkende kracht de overhand had gekregen. Volgens dr. Plaisier heeft Van der Graaf zich hierin te zeer laten bepalen door een visie op de geschiedenis die te weinig rekening houdt met de onverwachte bewegingen van de Geest.
    Hoe is de hartstocht van Van der Graaf  voor de eenheid van de kerk te rijmen met zijn felle verzet tegen Samen op Weg? Hoe verhoudt zich zijn liefde voor een gebroken en zieke Hervormde kerk en zijn afweer tegen een verenigende kerk, die toch ook deelt in deze gebrokenheid en ziekte. Kan God alleen de Hervormde Kerk genezen en is er voor de Gereformeerde Kerken geen hoop meer?
    Volgens dr. Plaisier heeft de opstelling van Van der Graaf het Samen-op-Wegproces ongetwijfeld met jaren verlengd. Toch is het slot van Plaisiers betoog opmerkelijk positief. ‘Het zou achteraf echter wel eens kunnen zijn dat de Verenigde Kerk uit dit debat rijker en ook meer toegerust voor de toekomst, is gekomen’.

Theocratie
Ir. L. van der Waal schenkt in een opstel, getiteld Theocratie, blijvend actueel, ruime aandacht aan de gedachten van Van der Graaf  over kerk en staat. In diens publicaties hebben de roeping van de kerk tot profetisch getuigen naar overheid en volk én de eigen taak van de overheid als Gods dienares steeds een centrale plaats ingenomen. In zijn geschrift De apostel ook profeet (2001) houdt Van der Graaf onverminderd vast aan de profetische roeping van de kerk, óók in een postmoderne tijd. ‘Het spreken van de kerk in de samenleving is meer urgent wanneer secularisatie en ontkerstening voortschrijden’. De roeping tot profetisch spreken in de prediking  is niet aan tijd of plaats gebonden. Volgens Van der Waal dringt zich hier echter een vraag op. Geldt de roeping tot profetisch spreken in de prediking op gelijke wijze voor het publieke spreken van de kerk tot overheid en volk via synodale boodschappen of herderlijke brieven? Geldt hier niet dat de profetie tijd en wijze moet weten? Terughoudendheid is temeer gewenst omdat het imago van de SoW-kerken ernstig te lijden heeft onder grote onderlinge verdeeldheid. Kan een kerk met ambtelijk gezag naar buiten spreken als ze haar eigen huis niet op orde heeft?
    Van der Graafs opmerkingen over christelijke partijen en organisaties roepen eveneens vragen op. Waar de theocratie wordt beleden, kan de christelijke organisatie geen vanzelfsprekendheid zijn, zo stelt hij. De kerk spreekt met ambtelijk gezag en heeft een eigen boodschap van Godswege. Ze kan in tegenstelling tot een politieke partij geen deel hebben aan het compromis. Christelijke organisaties zijn van nature gericht op de eigen groep, waardoor het gevaar dat het zicht op het geheel verloren gaat, niet denkbeeldig is. Met deze opvatting staat Van der Graaf in de traditie van Groen van Prinsterer, Hoedemaker en Van Ruler, die overigens wel de noodzaak van een christelijke partij erkenden. Van der Waal wijst erop dat de theocratische gedachte het in onze samenleving, waar de ruggesteun van de kerk ontbreekt, zwaar te verduren heeft. Dat is geen reden om haar prijs te geven. Maar het betekent wel dat de legitimatie voor het bestaan van christelijke partijen erdoor wordt versterkt.

Prediking
Van der Graafs beschouwingen over de prediking  komen aan de orde in een bijdrage van prof. dr. A. de Reuver onder het opschrift Ter plaatse waar men is. Een prediker dient volgens Van der Graaf  ‘te luisteren naar wat de tekst aan eeuwigheidswaarde behelst, maar ook naar wat ze voor onze tijd te zeggen heeft’. Professor De Reuver veronderstelt dat dit pleidooi voor het verstaan van de tijd vooral de bedoeling heeft om de tijd cultuurkritisch te weerstaan. Van der Graaf pleit er althans voor om de noodzaak van ‘het sterven aan onszelf’ vandaag zo te vertalen dat er ‘een streep gaat door de moderne mondigheid’ waardoor wij, moderne mensen, geen gezag van bovenaf willen aanvaarden en dus ook niet willen buigen voor de rechtmatige eisen van Gods geboden. Toch blijft het volgens De Reuver de vraag of er door deze therapie in de prediking ‘iets gebeurt’. Opmerkelijk is dat Van der Graaf de ontmaskering van de godloze mondige mens bijna geruisloos laat uitmonden in de rechtvaardiging van de goddeloze om niet. Maar de mondige mens is godloos en kerk-loos. Het woord ‘God’ zegt hem nagenoeg niets. En in de kerk, onder het Woord, is hij niet (meer). Om de prediking van de rechtvaardiging te horen, moet men naar de kerk worden geleid.
    Het thema prediking komt ook ter sprake in het opstel over gemeenteopbouw, van de hand van drs. B.J. van der Graaf, hervormd predikant te Gouda. Ds. van der Graaf is het met zijn vader eens dat de prediking het hart van de gemeenteopbouw is. Hij plaatst echter twee kanttekeningen. Ten eerste is hij er steeds meer van overtuigd geraakt dat de preek geen geïsoleerd gebeuren is, maar deel uitmaakt van de liturgie. En in de tweede plaats vindt hij het niet altijd zinvol, als telkens weer wordt teruggewezen naar de prediking van de ‘grote mannen’. Dezelfde dingen moeten we vandaag ánders zeggen, soms met andere accenten. Van der Graaf jr. stelt ook een vraag met betrekking tot de exegese. Laat de ‘religie van de belijdenis’, waarop zijn vader steeds de nadruk legt, wel een echte vrijheid van exegese toe, of wordt deze er uiteindelijk juist door gebonden?

Diaconale verantwoordelijkheid
Over Van der Graafs diaconale betrokkenheid, in het bijzonder zijn bemoeienis met het werelddiaconaat, handelt een bijdrage van dr. A. Noordegraaf. In de visie van Van der Graaf  hangen de bijbelse kernbegrippen barmhartigheid en gerechtigheid nauw met elkaar samen. De kerk moet in de naam van Christus barmhartigheid beoefenen en heeft tegelijk de roeping, gerechtigheid na te jagen. Tevens is er een nauwe verbinding van woord en daad. Zending kan niet zonder dienstbetoon, werelddiaconaat niet zonder verkondiging.
    De roeping tot het beoefenen van barmhartigheid en gerechtigheid overeenkomstig Gods gebod staat bij Van der Graaf ook in een theocratisch kader. Meermalen verwijst hij met instemming naar het synodale geschrift De politieke verantwoordelijkheid van de kerk (1964). In de lijn hiervan ziet hij deze verantwoordelijkheid vooral liggen op het terrein van het profetisch getuigenis, waarbij de kerk Gods rechten en inzettingen verkondigt aan overheid en volk. De kerk mag niet zwijgen als zij op sociaal onrecht stuit. Dan rijst echter, aldus Noordegraaf, de vraag wat de consequenties zijn voor het diaconaal handelen van de christelijke gemeente in situaties van onrecht en onderdrukking. Van der Graaf erkent dat internationale hulpverlening alles te maken heeft met politieke vragen. Tegelijk hamert hij erop dat diaconaat nooit mag verworden tot sociale en politieke actie, waardoor de revolutie in de kaart zou worden gespeeld. Dr. Noordegraaf geeft toe dat in de jaren zeventig en tachtig, toen neo-marxistische tendensen velen bekoorden, een kritische tegenstem hard nodig was. Toch heeft hij hier zijn vragen. Sluit diaconale verantwoordelijkheid altijd actie uit? Kan met het getuigenis worden volstaan? Wat houdt het concreet in dat God het recht der armen laat gelden? Sociale ethiek is volgens Noordegraaf  binnen de Gereformeerde Bond weinig ontwikkeld. Hangt dit misschien ook samen met de neiging om heel het Schriftgetuigenis te lezen vanuit de vraag van Luther: Hoe vind ik een genadig God? Armoede wordt dan al gauw versmald tot geestelijke armoede voor God. Hoe wezenlijk deze vraag ook is, in de Schrift heeft de gerechtigheid van God alles te maken met de intermenselijke gerechtigheid en met de bevrijding uit situaties van onderdrukking en tirannie.
    Dr. Noordegraaf besluit zijn bijdrage met de wens dat het Van der Graaf gegeven moge zijn om vanuit de Schrift en in verbondenheid met de theocratische belijdenis ons te dienen en te helpen in het doordenken van vragen op diaconaal gebied.

Zo liggen er ook nog andere vragen, bijvoorbeeld wat betreft de verhouding tussen geloof, wetenschap en technologie, een thema dat door prof. dr. ir. E. Schuurman is behandeld. Met een weerwoord op de meest essentiële vragen zou dr. ir. Van der Graaf mijns inziens velen een dienst bewijzen.
    Kort samengevat: een bundel met een gevarieerde inhoud in lezenswaardige opstellen, waarin de discussie niet wordt geschuwd.

N.a.v. Dromer van een kerk, opstellen aangeboden aan dr. ir. J. van der Graaf, onder redactie van drs. P.J. Vergunst. Uitg. Boekencentrum Zoetermeer, 2002, 251 blz., paperback. Prijs: E 18,50.