Terug naar Ecclesianet.nl

Een verloren Evangelie

Ds. J.G. BARNHOORN, Nunspeet

Vóór mij op mijn bureau, ligt een klein boekje, dat een intrigerende, pretentieuze titel draagt: "Het verloren evangelie Q", en dat ons, aldus de ondertitel, "dichter bij de bron" bedoelt te brengen. Bij welke bron? Bij de bron van het (eigenlijke) onderwijs van Jezus en dus bij "de historische Jezus" zelf, zoals de Nieuw-Testamentische wetenschap hem nu al ruim anderhalve eeuw lang in het vizier tracht te krijgen. Maar, zo zal men geneigd zijn te vragen, worden wij in de vier evangeliën, die ons in het Nieuwe Testament zijn overgeleverd, al niet voldoende over persoon en werk van Jezus ingelicht? Nee, dat is niet het geval, zo meent, met vele anderen, de Amerikaanse geleerde Marcus Borg, onder wiens redactie "Het verloren evangelie" tot stand gekomen en vervolgens in een Nederlandse vertaling, voorzien van een inleiding van de Kamper hoogleraar Dr. C.J. den Hëyer, door uitgeverij Meinema te Zoetermeer op de markt gebracht is. Om de "echte" Jezus te leren kennen moeten wij achter de ons uit de Bijbel bekende evangeliën teruggaan.

Verwantschap Synoptici
Wanneer men de vier evangelië
n, die het Nieuwe Testament telt, met elkaar vergelijkt, wordt men onmiddellijk getroffen door een groot onderscheid tussen de geschriften van Mattheüs, Marcus en Lucas aan de ene kant en het Evangelie naar Johannes anderzijds. Het laatste heeft onmiskenbaar een heel andere structuur dan de drie eerste, die een grote onderlinge overeenkomst vertonen. Vandaar de naam "synoptische evangeliën": geschriften, die zó sterk aan elkaar verwant zijn, dat het ene niet is los te denken van het andere. Het is heel goed mogelijk ze bij, met ("syn") elkaar, om zo te zeggen "in één oogopslag", te zien ("optisch"). Ziet men het éne, dan krijgt men vanzelf ook het andere in het oog.

Nu is men omstreeks het midden van de vorige eeuw tot de ontdekking gekomen, dat deze samenhang tussen de synoptische evangeliën zó evident is, dat zij ook in hun ontstaansgeschiedenis van elkaar afhankelijk moeten zijn. Mattheüs en Lucas blijken elk voor zich een grote hoeveelheid stof aan het evangelie naar Marcus ontleend te hebben, zodat niet Mattheüs, zoals men tot dusver had aangenomen, maar Marcus voor het oudste evangelie gehouden moet worden.

Twee-bronnen-hypothese
Dit is echter niet de enige ontdekking, die men gedaan heeft. In 1838 heeft Christian Weisse, docent aan de Universiteit van Leipzig, aangetoond, dat Mattheü
s en Lucas bij het schrijven van hun evangelie behalve de schriftuur van Marcus ook een andere gemeenschappelijke bron gebruikt moeten hebben, - een bron, die men, naar de eerste letter van het Duitse woord "Quelle" (bron), de Q-bron genoemd heeft. Deze Q-bron bestaat voornamelijk uit meer dan tweehonderd "logia", d.i. woorden, spreuken van Jezus - waaronder de Bergrede en het Onze Vader - die vermoedelijk door enkele van Jezus' eerste volgelingen in Galilea vrij kort na de dood van hun Meester, en wel in de jaren vijftig, gebundeld zijn: in de tijd, waarin ook de oudste van Paulus' brieven zijn geschreven, hetgeen inhoudt, dat deze "logia" beduidend ouder dan de Nieuw-Testamentische evangeliën moeten zijn. En men stelt zich voor, dat de volgelingen van de rabbi uit Nazareth deze spreukenverzameling als een handboek bij zich gedragen hebben, als een gids, die hun de weg naar het leven wees: een soort van "instructieboek" als, naar kort geleden door de Amerikaanse geleerde John Kloppenburg is aangetoond, in Jezus' dagen ook door leerlingen van'andere rabbi's gebruikt werd.

Geen lijdensgeschiedenis
Nu is het meest kenmerkende van dit "eerste christelijke evangelie" echter hierin gelegen, dat er geen enkel verhaal over Jezus' geboorte en over zijn lijden, sterven en opstanding in voorkomt, terwijl o.m. ook de ons uit de Nieuw-Testamentische evangelië
n bekende gegevens over door Hem verrichte wonderen ontbreken. In de woorden, ons hier overgeleverd, maken wij kennis met "de historische Jezus", die naar het oordeel van Borg voor de leden van de "Q-gemeenschap" als een wijsheidsleraar, een radicale cultuurcriticus, een religieuze extaticus, een genezer en geestenbezweerder gegolden moet hebben, en als een wijsgeer, die - als de personificatie van de Wijsheid Gods in de traditie van koning Salomo staande - het land is doorgetrokken om een apocalyptische eschatologie uit te dragen.

Het Evangelie van Thomas
Nu betreft het hier niet meer dan een hypothese: dat er ooit een schriftelijke Q-bron heeft bestaan, is nooit wetenschappelijk vastgesteld, laat staan, dat er ooit een exemplaar van een dergelijk geschrift gevonden zou zijn. Vandaar, dat de titel van het hier door ons besproken boekje ons in feite op een dwaalspoor brengt: van een "vondst" als in het geval van de in 1945 te Nag Hammadi gevonden handschriften of de twee jaar later ontdekte Dode Zee-rollen is bij dit "verloren evangelie" beslist geen sprake. Het gaat hier om niet meer dan een reconstructie van materiaal, dat bij Mattheü
s en Lucas wel, in het Marcusevangelie echter niet voorkomt. Geen wonder dus, dat de Q-hypothese de jaren door naast bijval ook veel scepsis en zelfs bestrijding ten deel gevallen is.

Kort na de Tweede Wereldoorlog echter, in december 1945, is hierin verandering gekomen door de vondst van een aantal. vroeg-christelijke handschriften, die bij het Egyptische Nag Hammadi, aan de Boven-Nijl, uit het woestijnzand te voorschijn zijn gekomen. Eén van deze geschriften was het zog. Evangelie van Thomas, dat - voor zover het de oudste gedeelten betreft naar alle waarschijnlijkheid uit de eerste helft van de tweede en volgens sommige geleerden zelfs uit het midden van de eerste eeuw afkomstig - net als de Q-bron een verzameling van spreuken van Jezus bleek te bevatten, terwijl ook hier geboorte- en lijdensverhaal ontbreken. Geen wonder, dat de papieren van de Q-bron in een ijltempo in waarde stegen en men zelfs van "het verloren evangelie" ging spreken. Al met al echter blijken er ook nu nog altijd geleerden te zijn, die zich niet gewonnen geven, zij het dat hun aantal volgens Borg uiterst klein is.

Scepsis
Het zal nauwelijks verbazing wekken, dat behalve Marcus Borg in zijn inleiding tot het hier door ons besproken boekje ook Prof. den Heyer in zijn "Introductie tot de Nederlandse uitgave" en Thomas Moore, die een nabeschouwing geschreven heeft, aan dit "verloren evangelie" een uitzonderlijk grote waarde toekennen. Zo spreekt laatstgenoemde over "het verloren evangelie Q" als over "de beste poging van de wetenschappers om de zuivere stem van de Jezus uit het Evangelie weer te geven" en over "een buitengewone kans om het goede nieuws van het mysterieuze koninkrijk dat Jezus aankondigde, onbevooroordeeld, als een onbekend geluid en met een nieuw begrip te benaderen". Een uitermate hooggestemd oordeel, waarop overigens wel een en ander valt af te dingen. Immers, zelfs wanneer wij de vraag, of er wel ooit een geschreven Q-bron heeft bestaan, buiten beschouwing laten, is en blijft er alleszins reden tot scepsis, wanneer men beweert, met "de historische Jezus" in aanraking te zijn gekomen. Hoe hoog wij de betekenis van "het verloren evangelie" ook moeten aanslaan, wij zullen ons terdege moeten realiseren, dat wij ook hier met een vorm van overlevering te maken hebben: elk Jezusbeeld draagt de sporen van de traditie, die ons met dit beeld in aanraking brengt. Van een on-middellijke confrontatie met de persoon van Jezus van Nazareth kan ook hier naar onze mening nooit ofte nimmer sprake zijn.

Consequenties
Overigens moeten wij ons niet ontveinzen, dat een publicatie als "het verloren evangelie Q" - dat, aldus Marcus Borg, "in de ogen van de meeste wetenschappers ... het eerste christelijke evangelie" zou zijn - ons met een vraagstuk van een ongekende importantie confronteert. Wanneer inderdaad bewezen zou kunnen worden, dat wij in de Q-bron worden geconfronteerd met "een Jezus die minder verborgen en beladen is door latere tradities, minder genuanceerd door de goedbedoelde doelstellingen van instituten ..." (Thomas Moore), dan ligt de verbijsterende conclusie voor de hand, dat, waar deze bron met geen woord rept over het verzoenend lijden en sterven van Christus, de passages in het Nieuwe Testament, die hierop betrekking hebben - op de keper beschouwd dus nagenoeg het gehele Nieuwe Testament! - niet meer dan een vorm van "gemeentetheologie" zouden behelzen, zodat in feite heel de dogmatische bezinning van de kerk der eeuwen op drijfzand gebouwd zou blijken. Een conclusie, die ons naar mijn stellige overtuiging tot minder dan "de beklagenswaardigste van alle mensen" (I Corinthe 15,19) degradeert. Niettemin menen wij - hoewel ervan overtuigd, dat een evangelie, dat geen weet van kruis en opstanding heeft, in feite geen evangelie genoemd kan worden -de lezers van ons blad de kennismaking met het hier door ons besproken boekje wel degelijk te kunnen aanbevelen, al ware het slechts met het oog op de zo vaak gehoorde klacht, dat de wereld er in tweeduizend jaar Christendom bepaald niet op vooruitgegaan is. Een klacht, die als vanzelf de vraag doet rijzen, hoe het er met onze eertijds gekerstende cultuur, die in vrijwel al haar geledingen het offer van Golgotha heeft uitgebannen, zou hebben voorgestaan, wanneer men het in. de twintig eeuwen, die achter ons liggen, alléén met'dit "verloren evangelie" had moeten stellen. Zou een "Blijde Boodschap" zonder de Christus als "een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor die der gehele wereld" (I Johannes 2 : 2) ook maar enige kans gehad hebben, de wereld te overwinnen? Daarom: "Neem en lees", maar dan wel in het besef, dat wij ons hier op "het gladde ijs van hypothese en reconstructie" bevinden.