Terug naar Ecclesianet.nl

Een troonrede met kroonbede

Drs. M. den Admirant, eccclesia nr. 20, september 2002

'Moge u vanuit uw persoonlijke overtuiging inspiratie en kracht vinden voor uw verantwoordelijke werk. Ik wens u daarbij Gods zegen toe'. Aldus besloot koningin Beatrix op dinsdag 17 september jl. haar troonrede in de verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Anno 2002 is zo'n bede in een geseculariseerd land als het onze niet meer vanzelfsprekend. In de tijd van de paarse kabinetten kwam ze in de troonrede niet voor. Dat de Koningin ditmaal de volksvertegenwoordigers Gods zegen bij hun werk toewenste, verdient dan ook onze aandacht. Wij kunnen spreken van troonrede met een 'kroonbede'. Het gaat namelijk om een bede van de Kroon, met andere woorden: een bede van de Koningin en de verantwoordelijke ministers.

De troonrede is een belangrijk staatsstuk, waarin de regering haar beleidsplannen ontvouwt. Merkwaardig is dat de term in de grondwet niet voorkomt. Wel is in artikel 65 bepaald dat jaarlijks op de derde dinsdag van september door of namens de Koning in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid wordt gegeven. Vóór 1983 was er in de grondwet alleen sprake van het openen van de zitting van de Staten-Generaal door de Koning. Toch is het al vanaf 1814 gebruikelijk dat het nieuwe vergaderjaar van de volksvertegenwoordiging wordt geopend door het uitspreken van een troonrede (of een 'openingsrede' als het staatshoofd niet zelf de opening verricht). Tot 1848 was de troonrede een stuk waarop vooral de persoon van de koning (Willem I en na hem Willem II) in vrij belangrijke mate zijn stempel drukte. Sedert de grondwetsherziening van 1848 valt echter al het doen en laten van de Koning onder de ministeriële verantwoordelijkheid. Zeker geldt dit ook ten aanzien van de troonrede.
Reeds van het begin af zijn in de troonrede twee gedeelten te onderscheiden. Ten eerste de passages waarin wordt weergegeven wat er in de afgelopen periode in Nederland en elders in de wereld is voorgevallen. Ten tweede het gedeelte waarin plannen of maatregelen op het terrein van wetgeving en bestuur worden aangekondigd.
Tot ver in de twintigste eeuw werd de troonrede bijna altijd besloten met een zinsnede waarin Gods zegen over de werkzaamheden van de Staten-Generaal werd ingeroepen. Toen in het jaar 1869 zo'n bede ontbrak en een kamerlid daarover een kritische opmerking maakte, verontschuldigde de liberale minster Van Bosse zich voor deze 'noodlottige vergissing'. In het daaropvolgende jaar werd de troonrede besloten met de woorden: 'Schenke God op onzen arbeid Zijn onmisbaren zegen!'.
In haar eerste troonrede, van 20 september 1898, sprak de jonge koningin Wilhelmina reeds aan het begin de wens uit dat de werkzaamheden van de Staten-Generaal onder Gods zegen zouden mogen strekken tot welzijn van het Koninkrijk. Gedurende haar lange regeringsperiode besloot de vorstin haar toespraken bij de aanvang van het nieuwe parlementaire jaar altijd met een bede. Opmerkelijk is de troonrede van 21 september 1937, uitgesproken onder verantwoordelijkheid van het vierde ministerie-Colijn. De volgende passages uit de rede laten er geen twijfel over bestaan dat een christelijk kabinet aan het bewind was: 'Te midden van de geestelijke verwarring in de wereld, waaraan ook ons volk niet geheel ontkomt, is steeds dringender de eis, dat in wetgeving en bestuur vóór alles Gods wet tot opperste richtsnoer worde genomen.
In zijn algemeen karakter zal het regeringsbeleid het kenmerk dragen van een doelbewust streven naar beveiliging en versteviging van de positief Christelijke grondslagen onzer samenleving. Aldus zal een beleid kunnen worden gevoerd, dat -met vermijding van toespitsing van tegenstellingen- ook door zijn innerlijke redelijkheid instemming vordert. Het karakter van dit beleid zal tot uiting komen met name in werkdadige zorg voor een gezonde ontplooiing van het huwelijks- en gezinsleven, bescherming van de publieke eerbaarheid, onthouding door de Overheid van aanmoediging van alles wat tot ontheiliging van de wekelijkse rustdag aanleiding geeft, en krachtige handhaving van het gezag. Eerbiediging van de vrijheid van godsdienst en van geweten, en handhaving van de rechtmatige volksinvloed op het landsbestuur blijven hechte pijlers van ons volksbestaan'.
Ook tijdens de regeringsperiode van koningin Juliana werd de troonrede jarenlang met een bede besloten. Maar in 1973, toen het kabinet-Den Uyl was aangetreden, volstond de vorstin 'met het uitspreken van de hoop dat wij daartoe de kracht zullen ontvangen'. Pas tien jaar later, onder premier Lubbers, keerde de bede terug: 'Van harte wens ik u toe dat Gods zegen op uw werk rust'. Ze verdween echter weer in 1994. In de tijd van de kabinetten-Kok werd aan het slot van de troonrede gesproken van 'het vertrouwen dat velen met mij u wijsheid toewensen en om zegen voor u bidden'.
Deze formulering werd beschouwd als een compromis tussen de uitdrukking van het pluriforme karakter van ons volk en de persoonlijke wens van koningin Beatrix, die de troonrede uitspreekt als staatshoofd.
Dat het in juli aangetreden kabinet-Balkenende de bede weer een plaats in de troonrede heeft gegeven, stemt velen in het christelijk volksdeel van Nederland tot dankbaarheid.