Terug naar Ecclesianet.nl

Een stem uit Engeland

Dr. H. Klink, Hoornaar

 

In het vorige nummer van Ecclesia haalde ik een recente belevenis op van een gesprek dat ik aanhoorde in een AC-restaurant, daags voor de verkiezingen. Naast mij aan een tafel spraken twee vrouwen heel luidruchtig over allerlei zaken waar je als buitenstaander niets mee te maken hebt en die je al hoogst onbehoorlijk ervaart. Iedereen maakt zulke dingen mee, in treinen en bussen. Ongegeneerd spreken mensen, heel luid soms, over dingen waar een ander met enige gêne naar hoort. Je schudt inwendig je hoofd, je glimlacht even en probeert je ervoor af te sluiten. Ondertussen komt onwillekeurig de gedachte bij je op: waar gaat het heen met ons land? Hoeveel mensen zijn niet stuur en richting kwijt! Zoals gezegd: soms haal je je schouders erover op en sluit je je ervoor af. Maar er zijn momenten dat het je ráákt, omdat je ziet dat de verloedering van de samenleving zulke grote afmetingen aanneemt, zó hevig wordt, dat zij heel veel verwoest, waar het mensenleven wèl bij vaart, sterker: waar het afhankelijk van is: cultuur, gezin, kerk.

Dat viel me deze week op, toen ik in het Reformatorisch Dagblad van woensdag 22 maart een artikel van dr. K. van der Zwaag las over de Engelse arts Anthony Daniels. Hij schrijft onder het pseudoniem Theodore Dalrymple. In dit artikel kwam diens laatste boek ter sprake Beschaving of wat er van over is. In het boek beschrijft hij de teloorgang van het gezin en de gevolgen daarvan voor kinderen, die straks weer als volwassenen zorg moeten dragen voor de vorige èn de volgende generatie. Je vraagt je bij lezing van het boek bijna wanhopig af wat dáár van terecht moet komen. Ik citeer uit het artikel waar het gaat over de onderklasse van de samenleving: “Hun levens zijn leeg en doelloos, zij leven voor de kick van het moment: spanning, seksueel geweld, drank- en drugsgebruik. Vooral funest is het ontbreken van stabiele gezinnen: de meeste kinderen worden geboren in gezinnen, waarin het woord ‘vader’ geen betekenis meer heeft, behalve dan in de strikt biologische zin. Veertig procent van de kinderen in Groot-Brittannië wordt buiten het huwelijk geboren. Echtscheiding is eerder norm dan uitzondering.

Dalrymple constateert dat meer dan de helft van de Engelse huizen geen eettafel meer heeft. Schokkend citaat: “Ik vroeg de jongeman of zijn moeder ooit voor hem had gekookt. ‘Niet sinds mijn stiefvader verscheen. Zij kookte voor hem, weet je, maar niet voor ons kinderen.’ Ik vroeg hem wat zij - hij en zijn broertjes en zusjes - gegeten hadden en hoe ze het gegeten hadden. ‘We aten gewoon wat er was’, zei hij. ‘We gingen op zoek als we honger hadden.’ ‘En wat was er dan?’ ‘Brood, cornflakes, chocola en dat soort dingen.’ ‘Dus je zat nooit aan tafel om samen te eten?’ ‘Nee.’ Hij vertelde me zelfs dat hij de laatste vijftien jaar nooit met anderen aan tafel had gezeten. Eten was voor hem een noodzakelijk kwaad, iets wat je bijna stiekum deed en zeker geen sociaal gebeuren was.’ De jongen in kwestie trof zijn geld aan op straat, eerder een jager-verzamelaar dan iemand die leeft in een hoogontwikkelde samenleving…“

Het relaas van de sympathieke Londense arts riep me in herinnering een bezoek van ons gezin enkele jaren geleden aan het Engelse Torqay, de prachtige badplaats in het zuiden van Engeland. In de weken ervoor vertelde ik dr. W. Aalders van onze vakantiebestemming. Hij kende de plaats goed en haalde herinneringen op: Torqay was een chique badplaats, waar een gezellige sfeer heerste, die ondanks het ietwat mediterrane karakter toch typisch Engels was. Het gesprek onderstreepte eens te meer hoezeer hij gesteld was op Engeland. Met een zekere verwachting gingen mijn vrouw en ik en de kinderen op een avond naar de stad. En inderdaad: het is een prachtig gelegen stad. Alleen…, we kwamen midden in het uitgaansleven van de Engelse jeugd terecht. Toen ben ik geschrokken. De straten waren stampvol met opgeschoten jongelui. Voor een groot deel waren ze dronken. Er werd gejoeld, geschreeuwd en gedreigd. Jonge meisjes, tieners nog, liepen of stonden uitdagend gekleed in groepjes bij elkaar, nagezeten door jongens. Hun ogen spiedden rond, gulzig bijna: of ze gezien werden. Natuurlijk werden ze dat. De jongens kwámen ervoor. De sfeer in het stadje was bijna dreigend, mondain tot in de uiterste graad. Je voelde je er onveilig. We kwamen er ontgoocheld vandaan. Is dit Engeland? Ja, je hoorde van hooligans en van de ongeregeldheden van Engelse jeugd in vakantieoorden. Maar ervan horen of het zien is nog iets anders. Dalrymple lijkt te zeggen: ja, dit is Engeland. Thuisgekomen in Nederland heb ik dáár weinig van verteld aan dr. Aalders. Ik wilde zijn goede herinneringen aan enkele decennia geleden niet verstoren en bovendien: ik wist hoezeer hij zich het aan zou trekken, dat de verloedering in Engeland, waar hij altijd een zekere verwachting van had, zo ver was doorgedrongen.

De vraag dringt zich op: hoe komt dit toch allemaal? En: valt er nog íets aan te doen? Dalrymple zegt over het eerste veel behartigenswaardig. Als hij de schuld érgens neerlegt, dan is dat vooral bij de intellectuele bovenklasse van Engeland. Bij schrijvers als D.H. Lawrence. Hij wijst op het boek Lady Chatterlys’s Lovers. Daarin is seksuele obsceniteit tot norm verheven en openlijk wordt de draak gestoken met kuisheid. Het boek werd razend populair onder Britten. Een kwart van de huishoudens kreeg het in bezit. “De geest was helemaal uit de fles, het aanbod had de vraag gecreëerd en al etende kreeg men trek.“ Hij wijst op schokkende exposities en op de media en intellectuelen. Én… hij ziet het allemaal beginnen in de jaren zestig, de zogenaamde culturele revolutie.

Maar nu de tweede vraag: valt er nog iets aan te doen? Deze vraag wordt niet voor het eerst gesteld. In Engeland zelf heeft deze vraag ooit John Henry Newman en zijn vrienden ernstig bezig gehouden. Dat was in de jaren dertig van de negentiende eeuw. Newman zag dat het liberalisme bijna onstuitbaar in opkomst was en het baarde hem ernstige zorgen, temeer omdat er van de officiële kerk weinig te verwachten viel. Hij heeft toen zijn vrienden bij elkaar geroepen en zij hebben zich enkele dagen beraden op wat er te doen viel. Vanuit oprechte zorg! Samen hebben ze nagedacht over de vraag in welke tijd zij leefden, wat hun roeping daarin was, ze hebben gebeden en… het plan opgevat om te gaan schrijven. Zodoende verschenen er enkele jaren lang ‘tracts’, traktaten. Het ene viel gelukkiger uit dan het andere, was aansprekender dan het andere. Maar elk van deze traktaten werd gedragen door een krachtige geest, een geest die er veel voor over had om Engeland niet te laten verworden. De ‘tracts’ riepen veel weerstand op, maar vonden ook veel, heel veel weerklank. En de beweging die toen ontstond, wat er verder ook over te zeggen zou zijn, is voor Engeland tot veel zegen geweest. De tracts werkten als een zoutend zout en de beweging heeft ertoe geleid dat er een ruimte ontstond, waarbinnen het christelijke geloof opbloeide, in de prediking, in liederen en in oprechte vroomheid, waar ook kínderen zeer van hebben geprofiteerd! Is er, zo vraag ik me af, niet álle reden, in Engeland en in Nederland voor een dergelijke bezinning, studie en ijver door hen, die in het spoor van deze en andere 19e eeuwse Reveilmensen willen gaan?