Terug naar Ecclesianet.nl

Een ontmoeting in Denemarken

Dr. H. Klink, Hoornaar

De afgelopen zomer brachten wij niet alleen twee weken in Frankrijk door. We waren ook een week in Denemar­ken. Het was niet de eerste keer dat we er in het dorp Ansager verbleven. Meer dan eens bezochten we een bevriende familie aldaar. Deze bracht ons al jaren gele­den in contact met de plaatselijke predikant, Karl Lund. Deze lutherse (staats)dominee, bleek indertijd tot mijn grote vreugde een geestverwant te zijn - hij had grote waardering voor Luther en voor de christendenker Sören Kierkegaard en de predikant-litterator Kaj Munk.

Wanneer ik in Denemarken kom, staat er altijd wel een ontmoeting met hem op de agenda. Lund is een on­dernemend iemand. Een plan is bij hem snel gevormd. Als het eenmaal post gevat heeft, zet hij door en brengt het tot uitvoering. Zo heeft hij samen met anderen aan de wieg gestaan van een onafhankelijke hogeschool voor christelijke jonge mensen.

Dit voorjaar nog nodigde hij me uit om een les te ge­ven aan de plaatselijke schooljeugd aan wie hij enkele uren per week godsdienstonderwijs geeft. Ik moest de jongens en meisjes iets vertellen over de kerk in Neder­land. Natuurlijk nam ik zijn aanbod aan. Ik vertelde de jonge mensen iets over de geschiedenis van de kerk in ons land en over het plaatselijke kerkelijke leven in Hoor­naar. Tijdens de les deed zich óók de gelegenheid voor om te vragen naar hún kerkelijke betrokkenheid. Wisten zij wel wie Luther was en Kaj Munk, dé grote verzetsheld uit de Tweede Wereldoorlog? Nu: van Luther hadden ze wel eens gehoord en ook de naam Kaj Munk kenden ze. Allemaal. En dat niet alleen omdat zijn naam zo nu en dan in de media genoemd wordt als het gaat over de Tweede Wereldoorlog of over de Deense litteratuur. Maar óók, omdat de zoon van Kaj Munk, Arne Munk, de laatste jaren van zich heeft doen spreken, onder an­dere door zijn actie tegen abortus provocatus.

Na afloop van dit lesuur nam Karl Lund me mee naar de pastorie waar we een kop koffie dronken. Ik vertelde hem van mijn grote zorgen over de kerkelijke situatie in Nederland, na de fusie van de drie kerken. We spraken over de kerk in Denemarken. Het gesprek ging over de problemen die hij had met de grote ma­te van vrijzinnigheid in de kerk. De Deense staatskerk is aan een enorme erosie onderhevig. Er zit geen elan meer in… Dat heeft tot gevolg dat er overal in den lande op particulier initiatief kleine gemeenten gevormd wor­den, die in korte tijd een redelijk grote bloei beleven. Het kerkvolk dat nog trouw is, voelt zich sterk door deze ge­meenten aangetrokken. En ook de gemeente van Karl Lund betaalt daaraan haar tol. In de staatskerk vindt men doorgaans geen bijbelse prediking, geen ‘brood voor het hart’, geen mensen van jonge leeftijd, met wie de ei­gen kinderen kunnen omgaan.

Zo kwam het gesprek op Arne Munk, de zoon van Kaj Munk, die zich in de discussie over dit uithollings­proces niet onbetuigd laat. Ik vertelde dat ik wel eens met de gedachte gespeeld had om als ik in Denemarken was, Arne Munk een bezoek te brengen. Ook al omdat ik over zijn vader in ons blad Ecclesia geschreven had. Karl Lund was meteen enthousiast. Hij kende Arne Munk enigermate. Hij pakte zijn agenda en gaf me zijn tele­foonnummer. Van een afspraak kwam het dit voorjaar nog niet. Maar voorafgaand aan de zomervakantie, trok ik de stoute schoenen aan en belde Arne Munk, die vol­ledig open stond voor een afspraak. En zo kwam het er­van hem in Vedersö te bezoeken.

Het huis waar Arne Munk in Vedersö woont, ligt bijna op werpafstand van de pastorie waar hij zijn eerste kin­derjaren doorbracht. Voor wie nooit in Vedersö geweest is, kan ik voor een schilderachtige beschrijving van de omgeving verwijzen naar een artikel van Kaj Munk dat hij ooit schreef voor een landelijk blad in Denemarken. Het is opgenomen in de bundel Actuele eeuwigheid, on­der de titel ‘Het leven in de pastorie van Vedersö.’

Toen Kaj Munk dit artikel schreef kon hij niet ver­moeden dat de plaats waarover hij uitweidde in januari 1944 het toneel zou worden van een dramatische ge­beurtenis. Op 4 januari van dat jaar reden enkele wa­gens van de Duitse bezetter het pad op; een vijftal man­nen drongen het huis binnen en vroegen naar de pastor. Toen zijn vrouw Lise Munk op de vraag waar haar man was een ontwijkend antwoord gaf, liepen enkelen van hen de trap op. Toen ze terugkwamen, trad hij hen in de hal tegemoet. Daarop namen ze hem hardhandig mee, om hem nog in diezelfde nacht lafhartig dood te schie­ten…

De kinderen van Kaj Munk zijn van deze inval getui­ge geweest. Na de oorlog bezocht de Nederlandse bi­ograaf Johan Winkler mevrouw Munk meerdere malen. Zij vertelde hem wat zich die avond op 4 januari 1944 had afgespeeld. Winkler besluit zijn biografie met een weergave van deze gebeurtenis en tekent erbij aan hoe de kinderen deze avond doorbrachten. Arne Munk ty­peert hij als een uiterst gevoelige jongen. Hij was boven op bed gaan liggen toen de Duitsers in huis gekomen waren: ‘hij zei maar niets, hij huilde maar.’

Welnu, deze jongen die Winkler had ontmoet toen hij nog klein was en die hij omschreef als een ‘gevoelige jongen’ zouden wij nu als een man van ongeveer zeven­tig gaan ontmoeten, op nog geen honderd meter van de pastorie waar zich dit alles afspeelde. Het werd een iet­wat onwezenlijke ontmoeting. Op het laatst van het ge­sprek, toen we afscheid namen, bracht hij de gebeurte­nissen die Winkler beschrijft even ter sprake. Hij sprak over zijn moeder - ze heeft het gered met maar liefst vijf kleine kinderen. Ze verhuisde met haar kinderen naar Kopenhagen. Daar groeide Arne Munk op en daar had hij tot voor kort gewoond. Hij vertelde met bewondering over haar innerlijke kracht en moed. “Daar hangt al­les van af“, zei hij, en met een gebaar, dat zijn woorden ondersteunde, zei hij met veel nadruk: “ja, daar hangt alles van af in het leven.“

Het was een wat wonderlijke ontmoeting. Wonderlijk vanwege het markante karakter van deze man. Hij leek me een zachtmoedige man, maar vooral werd hij ge­kenmerkt door een zekere mate van fierheid. Als het om principes ging, reageerde hij alert en ferm. Hij wist op een heel plezierige manier de conversatie te leiden. Hij stelde veel vragen. In de antwoorden die hij gaf op ón­ze vragen lag soms een vleug van goedmoedige ironie, een heel enkele keer ook iets van geforceerde humor. Hij bleek een begaafd en belezen man, een man met een kritische zin. In dat opzicht deed hij denken aan zijn va­der. Deze stond bekend als een groot mensenvriend, maar tegelijk als iemand die wars was van opsmuk. Kaj Munk was gevoelig van karakter en daardoor kwets­baar, wat hem soms juist kritisch deed zijn naar anderen.

Naast hem zat zijn vrouw. Zij zei niet veel, maar als het om toeristische adviezen ging, was zij bij de tijd en allerbehulpzaamst. Een derde geprekspartner was hun dochter. Zij studeerde in Kopenhagen. Ze vertelde dat zij zich van jongs af aangetrokken voelde tot de Rooms-ka­tholieke kerk, waar zij ook lid van geworden was.

Het gesprek dat volgde werd vooral bepaald door wat Arne Munk aan de orde stelde. Twee dingen blijven in de herinnering steken. Allereerst informeerde hij naar de situatie van de kerk in Nederland. Hij bleek erg geïnte­resseerd in ons land en stelde enkele vragen, die zeer to the point waren. Ik vertelde hem daarover, onder an­dere over de fusie van de kerken. Het gesprek bracht ik op de toenemende invloed van de evangelicalen in het kerkelijke leven. Zijn opmerkingen daarover waren even krachtig als veelzeggend: ‘Wat ik zo betreur is de enor­me invloed van het Amerikanisme in de kerk. Het evan­gelicale komt vooral uit Amerika. Waar is het eigene van Europa?’

Deze opmerking trof me. Onwillekeurig kwam me een lezing in gedachten die Romano Guardini in de vijftiger jaren gehouden heeft over de betekenis van Europa in de wereld. In deze lezing zet hij de verschillen tussen Eu­ropa en Amerika op een rij. Hij deed dit een tiental ja­ren ná de Tweede Wereldoorlog, waaruit Amerika als grootmacht te voorschijn kwam, terwijl Europa nog sterk afhankelijk was van Amerikaanse hulp. Guardini’s ana­lyse ging als volgt: Het grote Europa was door de oor­log bijkans krachteloos geworden. Zelfs het Verenigd Ko­ninkrijk moest veel van zijn prestige inboeten. Guardini vraagt zich af welke rol Europa in de wereld van zijn dagen nog kán spelen en eventueel dient te spelen. Hij typeert Amerika als een jong land, een land vol van be­loften. Het is ook een immens land, waar streek op streek ‘veroverd’ werd op de natuur. Oorlogen won men, eco­nomisch verovert het de wereld, de wereldorde herstelde men. Het is om die reden ook een land vol optimisme. Europa is daarentegen oud geworden. Het heeft een dramatische periode achter de rug: twee wereldoorlo­gen en dat na de spanningen van de 19e eeuw tussen o.a. Frankrijk en Duitsland. Europa is oud geworden en is na de opgedane crises op zoek naar zijn identiteit. De vraag is daarom zo nijpend omdat zich in Europa na de Verlichting en de Franse Revolutie een uitdrukkelijk stre­ven voordoet om van Europa een seculier werelddeel te maken. Dit secularisatieproces is hier sterker dan aan de andere kant van de oceaan, al kende men daar óók fa­natieke revolutionairen als Tom Paine, wier invloed niet onderschat moet worden. Al deze factoren werken eraan mee, dat de Europese identiteit in het gedrang komt. Dit vormt één van de belangrijkste oorzaken van de toene­mende Amerikanisering, ook in de kerk. Aldus Guardini.

De vraag die wij met Arne Munk bespraken was: wat betekent de kerk nog in dit seculiere Europa? Heeft zij nog een actuele en werkelijke boodschap? Deze vra­gen kwamen als vanzelf aan de orde. Wie zou ze niet stellen, wanneer men door het Deense landschap gere­den heeft en in elk dorp een keurige dorpskerk heeft zien staan, waarvan men weet: ze worden met belastinggeld onderhouden, maar op zondag nauwelijks meer be­zocht? Als men daartegenover het jeugdige, vaak op­timistische geloofsleven van de evangelischen stelt, die deel uit maken van de vrije groepen en die wèl raad lij­ken te weten met de moderne tijd, die helder zijn in hun boodschap en die bijbels zijn in hun denken, is het niet verwonderlijk dat veel oprechte christenen de overstap naar vrije gemeenten maken. De evangelicale geloofsbe­leving heeft elan. Het past bij de tijd en spreekt aan. De opmerking van Arne Munk was veelzeggend: ‘Wat ik zo betreur is de enorme invloed van het Amerikanisme in de kerk. Het evangelicale komt vooral uit Amerika. Waar is het eigene van Europa?’

In die paar woorden lag een geweldige vraag: niet dat het evangelicale terrein wint is een probleem, maar vooral dat het dit zo gemakkelijk kan doen en dat de ou­de Europese kerken de kracht en het elan lijken te mis­sen om leiding te geven. Dáár ligt het probleem. En dit probleem signaleerde en betreurde deze zoon van Kaj Munk, de predikant die ooit zo van de volkskerk hield en….zo doortastend was! De kritische vraag van Arne Munk geeft te denken.

Het gesprek kwam op een vrij ‘natuurlijke’ manier op Nederland, vooral door de weinige, maar zeer rake vragen die mijn gesprekspartner stelde. Uit deze vra­gen sprak verbazing over ons land. Hij was goed op de hoogte van onze situatie. Zo wist hij van de de gebeur­tenissen rond Pim Fortuyn; van het huidige kabinet; van de moord op Van Gogh en van diens spraakmakende documentaire ‘Submission’, die hij verfoeide. Toen hij al die gebeurtenissen noemde, stelde hij de vraag: “Wat is dat toch bij jullie? Wat heeft zich eigenlijk in Nederland voorgedaan? Zó ken ik dit land niet!“

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat zijn vragen voor ons iets beschamends hadden. Vooral toen hij uitlegde waarom die vragen zo bij hem leefden: “De Nederlan­ders die ik als kind leerde kennen, zij die op bezoek kwamen bij mijn moeder om over vader te praten - het waren allemaal mensen die respect afdwongen.“ Hij noemde de naam van Te Winkel en van enkele ande­ren. “Het waren moedige, ferme mensen, mensen uit één stuk, geworteld in christendom en moraal. Als zodanig spraken ze met mijn moeder. Ze hadden grote bewonde­ring voor de moed van mijn vader. Dat was in de jaren vijftig. Zo staat mij Nederland voor ogen. Goede herin­neringen heb ik aan hen.Vanwaar deze enorme afglij­ding en kentering. Hoe komt dit?“

Het was alsof hij erop gewacht had, dit eens te kun­nen vragen aan iemand uit Nederland. Ik probeerde hem wat inzicht te geven in de ontwikkelingen die zich in Nederland hadden voorgedaan. Ik geloof dat ik er wel in slaagde, maar nogmaals: het had iets beschamends. Nooit heb ik zozeer de afstand gevoeld tussen hoe Ne­derland wás en hoe Nederland nú is, met zijn oeverloze tolerantie en zijn morele verval. Nooit voelde ik de af­stand zo, als daar in Vedersö, toen ons gevraagd werd, daarover ‘verantwoording’ af te leggen.

Ik vertelde iets over de revolutionaire jaren zestig, over de invloed in de kerk van het socialisme, over de apos­tolaatstheologie die mede door het barthianisme vrij spel had, over de opkomst van de bevrijdingtheologie enz. Het SoW-proces kwam ter sprake. Toen ik daarover het een en ander gezegd had, liet ik doorschemeren, dat ik niet kón veronderstellen dat mijn gesprekspartner, deze ontwikkelingen niet ook in zijn éigen land zou herken­nen - was er één land in Europa waaraan deze dingen voorbij gegaan waren? Dit was toch geen specifiek Ne­derlands probleem? Natuurlijk gaf hij mij daarin gelijk. Desalniettemin: de oeverloze tolerantie in ons land op moreel gebied, waarin in t.v. programma’s de spot ge­dreven kan worden met leden van de koninklijke familie, waarin een minister zelfs op moet passen wat hij zegt, als hij daar kritiek op heeft, de furore om Van Gogh, van wie een soort volksheld gemaakt wordt enz. - het verbaasde de heer Munk in grote mate. Is dát Neder­land? Heeft men dan niet dóór, dat dit nergens op uit kán lopen?

Ook Arne Munk moest toegeven dat datgene wat zich in Nederland levensgroot voordoet een Europees probleem is. Europa lijdt aan een identiteitsprobleem omdat men in tal van landen - tot in Spanje toe - het christendom vaarwel zegt en zienderogen seculier wordt. En terwijl dit plaatsvindt, klopt de Islam aan de deur. Zo is er aan de ene kant de invloed uit Amerika, die vooral na de Tweede Wereldoorlog geweldig is toegenomen en aan de andere kant de toenemende invloed van de Islam. En Europa zelf? Het antwoord op die vraag restte…

Ik heb al vermeld dat Arne Munk, toen we afscheid namen, met het zicht op het ouderlijk huis aan de over­kant van de straat iets vertelde over het verlies van zijn vader. Enigszins geëmotioneerd sprak hij over zijn moe­der en haar doorzettingsvermogen. “Daar komt het op aan“, zei hij “of je dát hebt: moed.“

Welnu, onderweg naar huis dacht ik aan die woor­den. Moed, dát had niet alleen zijn moeder gehad, maar óók zijn vader - moed om te belijden, zelfs tegen­over de bezetter. Hij deed het op een zuivere manier. Zijn ziel was door Christus gevormd en voelde de dingen zuiver aan. En juist daarom kón hij het niet laten gebeu­ren dat alles wat hem dierbaar was, zou wegzakken in het moeras van de secularisatie. In preken, toneelstukken en geschriften liet hij het licht van het Woord vallen op de situatie in Denemarken en Europa. Vanaf zijn eerste preek.

Waar was zijn ziel zó gevormd geworden? Waar had hij die wijsheid en trouw opgedaan? Het antwoord op die vraag is even eenvoudig als veelzeggend: uit zijn ‘ouderlijk’ huis, het huis van zijn tante in Laaland, bij wie hij opgroeide na de dood van zijn beide ouders, waar­van hij in één van zijn preken zegt: “Als ik terugdenk aan het christendom in dat ouderlijk huis, dan staat het weer voor me, met zijn typische geest van de Indre Mis­sion, verheugd en blij. Moeder hield mij bij het avondge­bed dat mijn eerste moeder mij had geleerd; zij zorgde ervoor dat ik naar de zondagsschool ging en naar de kerk. Maar ik kan mij niet herinneren dat zij mij ooit met God bang gemaakt heeft. En ik kan mij niet herinneren dat zij ooit tegen mij heeft gepreekt of mij tot iets gods­dienstigs heeft gedwongen. Alles wat met God te maken had, herinner ik mij nu als iets feestelijks en gezegends, ons psalmgezang op Kerstavond met vaders lieveling­psalm voorop…. Dan was het welhaast alsof de leeuwe­rikken meezongen in het koor der zaligen: Prijs de Heer, want Hij is goed en Zijn goedertierenheid duurt tot in eeuwigheid…“

Ligt in deze eenvoudige verwijzing niet het antwoord op de vragen over de kerk en Europa die die middag zo indringend ter sprake kwamen? Uit zulke eenvoudige godsdienstoefeningen thuis heeft Kaj Munk de inspiratie van zijn leven opgedaan. Hij kwam erdoor in aanraking met de majesteit van Christus, die werkelijk de Goede Herder is en Zijn gemeente leidt, ook door barre tijden heen, zelfs als het de Duitse bezetting gold. Moet die ge­loofsbeleving niet juist in een tijd van afval en secularisa­tie de ónze worden, zodat wij uitgetild worden boven de deplorabele situatie waarin Europa verkeert en de lucht inademen van de eeuwigheid? Van déze geloofsbeleving heef ook Arne Munk iets meegekregen. Het verklaart zijn betrokkenheid en moed.

Het gedrenkt zijn in deze geloofsbeleving kan tot in vele generaties zijn vruchten afwerpen. Dat wees onze ontmoeting in Vedersö met de zeventigjarige kleinzoon van deze eenvoudige familie uit Laaland uit. Het stemt tot nadenken èn vreugde dat vanuit dit christelijke en Euro­pese erfgoed ook dáár, vlakbij de oude pastorie van Ve­dersö, nog wordt gedacht en gewerkt.