Terug naar Ecclesianet.nl

Een meesterwerk

Drs. J.G. Barnhoorn, Ecclesia nr. 19, september 2002

Het is al weer geruime tijd geleden, dat Uitgeverij Eburon te Delft een Nederlandse vertaling van De Ster van de Verlossing (*), het hoofdwerk van de Joodse denker Franz Rosenzweig, het licht deed zien. Een boek van een zó ongeloof­lijke diepgang, dat de bestudering ervan een uiterste aan concentra­tie vergt. En dan te bedenken, dat het in niet meer dan enkele maanden is geschreven, toen de schrijver als frontsoldaat in de Balkan gelegerd was, waar hij zijn gedachten toevertrouwde aan veldpostpapier en briefkaarten, die hij stuk voor stuk naar huis stuurde, waar zijn moeder een en ander "in het net" over­schreef.

Levensloop
Voordat wij iets over het boek gaan zeggen, eerst een en ander over de persoon van de schrijver.
Franz Rosenzweig werd in december 1886 in het Duitse Kassel uit liberaal-joodse ouders geboren. Nadat hij eerst enige jaren medicijnen had gestu­deerd, koos hij voor de geschiedenis en de filosofie, waarvoor hij zich eerst in Berlijn, daarna in Freiburg liet inschrijven. In 1912 promoveerde hij op een proefschrift over de grote wijsgeer Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831). Na in de jaren 1913-1914 te Berlijn, onder leiding van Hermann Cohen, Joodse studies te hebben gevolgd werd hij na het uitbreken van de eerste wereldoor­log bij het Rode Kruis ingedeeld om in het begin van 1915 als vrijwilliger in het Duitse leger dienst te nemen. Hij werd als veld-artillerist naar de Balkan gezonden, waar hij tot het einde van de oorlog gelegerd zou blijven. In augustus 1918 begon hij aan de Stern te schrijven. In maart 1920 trouwde hij met Edith Hahn.
Eind 1921 openbaarden zich bij hem de eerste verschijn­selen van een ernstige ziekte. Nog vóórdat er een jaar was verlopen, bleek hij niet meer tot spreken en schrijven in staat. In de herfst van 1923 waren al zijn ledematen volledig verlamd. Niettemin werkte hij, bijgestaan door zijn vrouw, gestaag verder. Zo vertaalde en herdichtte hij een groot aantal hymnen en verzen van de bekende Joodse dichter en wijsgeer Jehuda Halevi (eerste helft twaalfde eeuw), terwijl hij zich vanaf het voorjaar van 1925, samen met Martin Buber, voor een nieuwe vertaling van de Hebreeuwse Bijbel inzette. Daarnaast schreef hij, tot in zijn laatste levensjaar toe, een groot aantal artikelen op velerlei gebied, totdat, op 10 december 1929, de dood aan zijn leven een einde maakte.

Inhoud
In de Ster van de Verlossing, Rosenzweigs levenswerk, is het zogenaamde nieuwe denken aan het woord. Het boek "bundelt een analyse van de westerse cultuur en haar godsdienstigheid, joodse existentie-filosofie en een betoog over de samenhang van mens, God en wereld. Rosenzweig wilde bewust als jood geloven, filosoferen en leven en wijst met zijn geleerdheid en scherpe mensenkennis de enkeling op indrukwek­kende wijze een weg van de dood naar het leven", zo lezen wij op de achterzijde van het stofomslag.
De Ster, waarvan het gebod van de liefde als het hart beschouwd kan worden, wordt gekenmerkt door een opvallend strakke compositie. Het bestaat uit drie delen, die ieder voor zich drie boeken omvatten, elk met een inleiding en een "uitleiding": een soort van conclusie, waarin vooruitge­gre­pen wordt op wat komen gaat.
In het eerste deel (De elementen of de altijd-durende vóórwereld), waarin Rosenzweig zich tegen de filosofen keert, wordt uiteenge­zet, wat er te zeggen valt over God, mens en wereld, de drie niet te herleiden oerver­schijnselen van de werkelijk­heid, - de elementen, waaraan Israël en Europa zich in hun reflectie de eeuwen door georiënteerd hebben.
In het tweede deel (De baan of de altijd-vernieuwende wereld), waarin de schrijver zich keert tegen de theologen, die het thema van God en zijn openbaring (hun eígen thema) uit het oog verloren hebben, worden de relaties tussen God, mens en wereld getekend. God treedt in relatie tot de wereld (de schepping) en tot de mens (de openba­ring). De verlossing krijgt gestalte, doordat de mens, door de openbaring aangesproken, met de wereld in relatie treedt.

God, mens en wereld vormen samen een driehoek. Dit is ook het geval met schepping, openbaring en verlossing. Deze beide driehoeken worden - de eerste met de top (God) naar boven, de tweede met de top (verlossing) naar beneden -nu zó op elkaar gelegd, dat zij een ster vormen: de Davids­ster. Deze ster, de ster van de verlossing - een vuur, dat voortdurend brandt - en de stralen, die van haar uitgaan, vormen het thema van het derde deel van het boek (De gestalte of de eeuwige bovenwereld), dat zich richt tegen de "tirannen van het Hemelrijk": zij, die erop uit zijn, de komst van het Rijk te vertragen of te bespoedigen. In dit deel wordt de verhouding tussen jodendom en christendom getekend. Als de ster (Jodendom) en de stralen, die heel de wereld bestrijken (Christen­dom), zijn zij de beide noodzake­lijke gestalten van Gods openbaring, de twee wegen naar de volein­ding, waarin de tweeheid zal zijn opgenomen in de eenheid van God. Zij vullen elkaar aan. Beiden staan zij, ieder op eigen wijze, in dienst van God.

Op pag. 219 van De Ster, in het tweede boek van deel II (het boek, dat over de openba­ring, de kern van het werk, handelt), komen wij een passage tegen, die door Rosenzweig zelf als "de kernzin, het middelste woord van het hele boek" werd beschouwd: "Want waarlijk, de naam is niet, zoals het ongeloof altijd weer in trotse, hardnekkige leegheid blijft beweren, galm en rook, maar woord en vuur. De naam moet genoemd worden, van de naam moet beleden worden: ik geloof hem". Vanuit dit midden, de openbaring, die altijd heden, tegenwoordi­ge tijd is, moet men teruglezen naar wat ervóór staat: het boek, dat over de schepping, en het eerste deel, dat over de vóór-wereld gaat, terwijl de openbaring gevolgd wordt door het boek over de verlossing en door het derde deel, dat achtereenvolgens over het leven, de weg en de waarheid handelt.

Een van de meest in het oog lopende trekken van de Ster is de typisch joodse wijze van denken over de verlossing, waarin niet, als in het christe­lijk geloof, de verhouding tussen God en de wereld in het geding is, maar de relatie tussen wereld en mens. Omdat de wereld niet bij machte is, zichzelf te redden, wendt zij zich tot de mens, opdat deze haar de helpende hand zal bieden, terwijl de mens wordt verlost, doordat hij aan de wereld werkt: de mens kan niet verlost zijn, wanneer de wereld niet verlost is. Voor Rosenzweig - een Jood! - is de gedachte van een verlost mens in een onverloste wereld ondenkbaar. Een gedachte, die aan het dagelijkse leven een geweldige spankracht verleent: in plaats van, met voorbijzien van het heden, naar de toekomst te vluchten, beseft de mens, dat hij hier-en-nu een taak heeft. Hierdoor krijgen de "gewone" dingen van het dagelijks leven een eeuwig gewicht: "alles van God en van de mens en van de wereld hangt ervan af".

Herontdekking van het Jodendom

Uit het bovenstaande is, dunkt mij, wel duidelijk geworden, dat men in het bestek van enkele bladzijden onmogelijk recht kan doen aan een boek als Rosenzweigs Ster van de Verlossing. Dr. S. Gerssen schrijft in de publicatie, die hij destijds aan Rosenzweig heeft gewijd: "een brochure te willen schrijven over een zo groot denker als Rosenzweig is eigenlijk een daad van overmoed". Een uitspraak, die allesbehalve verwonderlijk is, wanneer men bedenkt, dat zelfs iemand als prof. K.H. Miskotte heeft bekend, dat hij nooit met Rosenzweig is klaargeko­men.  Waarom dan toch in ons blad de aandacht op hem gevestigd? Ons antwoord kan kort zijn: "Het verhaal van Franz Rosenzweig is het verhaal van een herontdekking van het jodendom" (Nahum Glatzer). En om het jodendom kunnen wij als christenen niet heen. Vandaar, dat wij ons gerechtigd achten, Rosenzweigs meesterwerk - dat, zoals terecht is opgemerkt, net als veel andere boeken hemelhoog geprezen, maar weinig gelezen is - onder de aandacht van onze lezers te brengen.

Aan het einde van deze bespreking een woord van hulde jegens de vertaler van het boek, de heer A.P.J. van Ligten, die het werk ook van een inleiding en van aantekeningen heeft voorzien, terwijl de uitgever onze erkentelijkheid voor de fraaie uitvoering van het boek verdient.

Voor hen, die zich nader in het werk Rosenzweig wensen te verdiepen, geven wij tenslotte nog enkele titels door van boeken, aan deze unieke denker gewijd:
Prof. Dr. K.H. Miskotte, Het wezen der Joodse Religie (1932) en een drietal artikelen in de bundel Geloof en Kennis (1966).
Prof. Dr. H.J. Heering, Franz Rosenzweig. Joods denker in de twintigste eeuw (1974).
Dr S. Gerssen, Franz Rosenzweig (een boekje, uitgekomen in de serie Verkenning en Bezinning (Jrg. 13, Nr 3, december 1979).
A. Sevenster, Sabbatsrust voor een zondagskind (1998). Een boek, dat de neerslag is van colleges, door de auteur jaren achtereen aan het seminarie der Ned. Hervormde Kerk voor predikanten gegeven. 

*) Het boek (ISBN 90 5166 774 4), bij de boekhandel of recht­streeks bij de uitgever (Oude Delft 224, 2611 HJ Delft. Tel.: 015 - 2 131 484) te bestellen, kost 31,55 Euro's.