Terug naar Ecclesianet.nl

Een halve eeuw onder theologen

Een halve eeuw onder theologen
Drs. M. den Admirant, eccclesia nr. 24, november 2002

Wie waren de spraakmakende theologen in de tweede helft van de twintigste eeuw? Wat hield hen en hun kerkelijke achterban vooral bezig? Hoe werd er gedacht over kwesties als bijbelgezag, verzoening en opstanding, over atoombewapening en de theologie van de revolutie? Deze vragen komen aan de orde in een begin 2002 verschenen boek, getiteld Vijftig jaar onder theologen *). Het bevat het verhaal van een zekere Piet, die na een opleiding op Nieuw Ruimzicht en een theologische studie te Leiden, remonstrants predikant werd. Zijn volledige naam blijft onvermeld, maar het is niet moeilijk te raden dat achter deze Piet de auteur, dr. E. P. Meijering (geb. 1940), schuilgaat. Van 1968 tot 1995 was hij (deeltijd-)predikant in verschillende remonstrantse gemeenten en van 1976 tot 2001 lector in de theologiegeschiedenis aan de Universiteit Leiden.

Berkouwer, Barth en Berkhof
In een vijftal hoofdstukken vertelt de auteur op boeiende wijze wat er in de achtereenvolgende decennia tussen 1950 en 2000 in de theologische wereld gaande was. De eerste door hem genoemde theoloog is de gereformeerde hoogleraar dr. G.C. Berkouwer. In zijn jongensjaren logeerde Piet graag bij zijn grootmoeder in Delfzijl. Zij las het Gereformeerd Weekblad, waarin Berkouwer vaak hoofdartikelen schreef. Piets grootvader en overgrootvader waren predikant geweest.
Bedoeld zijn blijkbaar ds. M. Meijering (1866-1948), die als gereformeerd predikant in Delfzijl had gestaan en ds. L. Meijering (1827-1889), die de christelijke afgescheiden gemeenten van Winschoten en 't Zandt had gediend. Piet wilde in hun voetsporen treden.
Tijdens zijn verblijf op Nieuw Ruimzicht en het christelijk streeklyceum te Doorn verruimde hij zijn blik op de kerkelijke en theologische wereld. Hij hoorde van professor Karl Barth en diens volgelingen in Nederland, onder wie de hoogleraar dr.K.H. Miskotte. Ook ontdekte hij dat er over de opstelling in de politiek verschillend werd gedacht door gereformeerden, confessionele hervormden als prof. dr. G.C. van Niftrik en voorstanders van de doorbraak, zoals dr. Miskotte en ds. Buskes. Piet bezocht de kerkdiensten op het vormingscentrum Kerk en Wereld. Daar gingen niet alleen de rechtzinnige predikanten H. Berkhof en F.J. Pop voor, maar ook vrijzinnigen als J.M. de Jong en J.M. van Veen. Af en toe woonde hij ook andere diensten bij zoals die van de Nederlandse Protestantenbond én een kerkdienst van de oud-gereformeerde dominee Du Marchie van Voorthuijsen te Leersum. Diens preek over de bekering van de kamerling maakte nieuwsgierig naar de gedachtewereld van deze predikant. Er volgde een gesprek met hem. Ds. Du Marchie nam geen blad voor de mond. De nieuwe bijbelvertaling noemde hij 'vergif', de vertalers waren volgens hem 'ongezalfde, goddeloze mensen'. Toen Piet hem vertelde dat volgens de uitverkiezingsleer van Karl Barth alle mensen uitverkoren zijn, riep hij verbijsterd uit: 'Dit is erger dan remonstrantisme!'.
In de Nederlandse Hervormde Kerk leek in 1959 de richtingenstrijd in alle hevigheid te ontbranden, nadat de vrijzinnige Leidse hoogleraar in de kerkelijke sociologie, dr. P.Smits, in een meditatie onder de titel 'Waarvoor stierf Jezus?' een zeer omstreden uitspraak had gedaan. In hetzelfde jaar liet Piet zich op aanraden van dr. Berkhof te Leiden inschrijven als theologisch student. Hij volgde o.a. de colleges van de remonstrantse godsdienstwijsgeer prof. L.J. van Holk en van prof. P. Smits. In die tijd las hij met levendige belangstelling de Kirchliche Dogmatik van Karl Barth. Hij woonde een lezing bij van de geleerde dorpsdominee Frans Breukelman, die Barths dogmatiek 'nóg grootser dan Calvijn en nog veel geweldiger dan Augustinus' vond. Breukelman was niet de enige rijzende ster in die jaren. In 1962 verscheen prof. Berkhof (sinds 1960 kerkelijk hoogleraar) op zijn college met een exemplaar van een proefschrift, getiteld De mensvormigheid Gods van de gereformeerde theoloog H.M. Kuitert. Berkhof voorspelde dat we van Kuitert nog veel zouden horen! De gereformeerde wereld was in beweging. Berkouwer had in zijn boek De triomf der genade in de theologie van Karl Barth diens afwijkingen van de gereformeerde traditie nog bestreden. Kuitert daarentegen nam belangrijke gedachten van Barth over. Later verdween Barth steeds meer van het toneel.

Protestbeweging en Getuigenis
In het midden van de jaren zestig voltrok zich een belangrijke verandering in theologisch Nederland. De maatschappelijke protestbeweging deed haar invloed gelden. Theologische termen kregen voor velen een andere betekenis. Zo werd het Koninkrijk van God opgevat als de ideale maatschappij van morgen, geloof als werken aan vrede en gerechtigheid. Er was een theologie van de revolutie in opkomst, waarvan G.H. ter Schegget de representant was. Hij wilde consequenties trekken uit Barths Kirchliche Dogmatik, wat voor hem een keuze in marxistische zin inhield. Geloof betekende: geloof in Gods revolutie, die recht moet verschaffen aan armen en verdrukten op de wereld.
Een reactie van orthodoxe zijde bleef niet uit. In oktober 1971 verscheen het Getuigenis. De hoogleraren dr. G.C. van Niftrik (die naar rechts was opgeschoven) en dr. G.P. van Itterzon behoorden met dr. W. Aalders tot de opstellers. Ethische theologen als dr. J.N. Bakhuizen van den Brink, dr. W.C. van Unnik en dr. Th.C. Vriezen betuigden hun instemming. Het Getuigenis wijt de achteruitgang van de kerken aan de politieke prediking. De liefde tot God mag volgens de opstellers niet opgaan in de naastenliefde. De rechtvaardiging moet voorafgaan aan de heiliging. De verzoening bestaat in het door Christus gebrachte offer voor de schuld en is dus iets anders dan de verzoening tussen volkeren. Vleeswording, kruis en opstanding zijn de onwrikbare fundamenten van het christelijk geloof. Het Getuigenis bleef niet onweersproken. In een brief uit het midden van de Hervormde Kerk werd de opstellers gevraagd hoe zij over bepaalde politieke vraagstukken van dat moment dachten. Ook ds. J.J. Buskes keerde zich met grote felheid tegen hen, omdat zij de conservatieve krachten in de kerk naar de mond zouden praten.
Niet alleen in de kerk, maar ook in de politiek voltrok zich in die tijd een polarisatie. Bij de verkiezingen van 1971 werd een progressief schaduwkabinet gepresenteerd en twee jaar later trad het linkse kabinet Den Uyl aan. Gepolariseerd werd er ook in de omroepwereld.
De NCRV, jarenlang het bolwerk van de orthodoxie in de ether, was heel ruim en open christelijk geworden. Voor één van haar programma's had ze als herkenningsmelodie de oude vrijzinnige tophit: 'God roept ons, broeders, tot de daad!'. Als tegenwicht tegen de NCRV werd de EO opgericht. De linkse omroepen VARA en VPRO kregen de TROS als tegenhanger, die een snelle groei doormaakte.
Twee theologen hadden in de jaren zeventig een bijzondere invloed in Nederland: de rooms-katholieke Schillebeeckx en de hervormde Berkhof. Schillebeeckx won de harten van velen door de besliste maar sympathieke wijze waarop hij zich tegen het kerkelijk leergezag verzette. Berkhof publiceerde in 1973 zijn boek Christelijk geloof, waarin hij 'de oude waarheid in nieuwe woorden' verkondigde (aldus Meijering). Het boek kreeg in de kerken brede instemming; alleen de uiterste rechterflank reageerde negatief. Toen in 1979 de kerkelijke discussie over de plaatsing van kruisraketten losbarstte, toonde Berkhof zich, zoals reeds in de jaren vijftig, een fervent voorstander van eenzijdige nucleaire ontwapening.

Kuitert en Van de Beek
Zowel in het midden van de Hervormde Kerk als bij gereformeerden en rooms-katholieken had intussen de politieke prediking haar intrede gedaan. Opmerkelijk was dat een politiek linkse theoloog als ds. Buskes zich op een gegeven moment tegen zulke actualistische prediking keerde. Hij vond het dwaasheid om te zeggen dat actuele onderwerpen in het centrum van de prediking moeten staan. Zelfs Kuitert, door Van Niftrik eens 'een omgekeerde Groen van Prinsterer' genoemd, omdat hij overal waar revolutie was, geloof (in plaats van ongeloof) aan het werk zag, wees in de jaren tachtig politieke prediking, behalve in een heel bijzondere noodsituatie, af. Met de verschijning van zijn boek Alles is politiek maar politiek is niet alles barstte er een theologische bom in kerkelijk Nederland. De linkse kerkelijke pers reageerde furieus. In een tv-debat met de Duitse theologe Dorothee Sölle gaf Kuitert te kennen dat zijn boek tegen de Christenen voor het Socialisme gericht was. In diezelfde tijd verklaarde hij in een interview met Trouw dat hij een nieuwe vorm van ketterjacht vreesde, nu niet met het dogma maar met ethiek en moraal tot inzet. Voor velen was niet meer het geloof in de lichamelijkheid van Christus' opstanding het criterium voor het christen-zijn, maar het beamen van de leus: 'Help de kernwapens de wereld uit, om te beginnen uit Nederland'.
In 1981 volgde dr. A. van de Beek in Leiden dr. Berkhof op als kerkelijk hoogleraar. Van zijn hand verscheen in 1984 een boek onder de titel: Waarom? Over lijden, schuld en God. Op de vraag, waarom God, als Hij goed en almachtig is, het kwade op deze wereld niet opheft, geeft Van de Beek het volgende antwoord. Vanuit het geloof in Gods almacht moeten we belijden dat ook het kwaad uit Zijn hand komt.
Maar vanuit het geloof in Gods goedheid moeten we zeggen dat God het kwade niet wil en dat Hij het in een nieuwe toekomst wil overwinnen. In de geschiedenis doet God keuzes en de beslissende keuze is die voor Jezus Christus. 'In Jezus Christus heeft God besloten met de wereld door te gaan. Alle dingen zullen hierbij meewerken ten goede, niet alleen de ontdekking van de penicilline, maar ook die van de atoombom'.
Een andere kerkelijke hoogleraar in Leiden, dr. F.O. van Gennep, veroorzaakte in orthodoxe kring veel commotie met zijn verklaring dat hij niet in de lichamelijke opstanding van Jezus geloofde. Maar zijn in 1989 verschenen cultuurhistorische studie De terugkeer van de verloren Vader vond veel weerklank. Van Gennep bepleitte in dit boek een terugkeer van de goddelijke Vader uit de joods-christelijke traditie, die geen autoritaire Vader is die onze vrijheid beknot, maar ons juist wil bevrijden door in Christus te tonen dat Hij met en in ons wil lijden, en daarmee laat zien dat de macht van het onrecht niet het laatste woord heeft. De opstanding van Christus en ook de andere bijbelse wonderen zag Van Gennep niet als reële, met de zintuigen waar te nemen gebeurtenissen, maar als gelijkenissen van hoe God met ons mensen wil zijn.
In de jaren negentig trok Kuitert met zijn publicaties opnieuw in brede kring de aandacht. Hij werd in zijn kritiek op het traditionele christelijke geloof steeds radicaler. In zijn boek Het algemeen betwijfeld christelijk geloof. Een herziening verwerpt hij leerstellingen als de drieëenheid, de twee naturen van Christus en de lichamelijke opstanding. Toch vindt Meijering dat voor dit boek met enige moeite nog wel de kwalificatie 'neo-conservatief' kan worden gebruikt. Door de buitenkerkelijke Versnel werd Kuitert zelfs nog als 'ouderwets en gereformeerd' bestempeld! Hieruit blijkt wel hoe betrekkelijk zulke termen zijn. In 1998 verscheen: Jezus. Nalatenschap van het christendom. Kuitert beweert in deze 'christologie' dat het geloof in God in het gedrang komt door de veel te grote aandacht die op een vaak onkritische manier aan Jezus wordt besteed. We moeten volgens hem terug naar de jood Jezus van Nazareth, die Gode alle eer gaf.
In een heel andere hoek van het theologische spectrum hield Van de Beek de aandacht op zich gericht. In zijn lijvige boek Schepping. De wereld als voorspel van de eeuwigheid (1996) stelt hij een onderwerp aan de orde dat in de theologie verdacht en moeilijk geworden was. God heeft gewild dat wij er zijn, aldus Van de Beek. Wij zijn er niet toevallig, maar vanwege de goedheid van God. Alles wat we zijn, alle mogelijkheden van het leven, ook die van protest tegen en van verdriet over het leven, zijn ons geschonken. We danken God voor verdrukkingen, voor slagen en voor strijd, omdat we daarin delen in de gemeenschap van de Gekruisigde. In 1998 publiceerde Van de Beek zijn werk Jezus Kurios. De christologie als hart van de theologie. Daarin wordt zo ongeveer het tegendeel betoogd van Kuiterts 'christologie', die in hetzelfde jaar verscheen. Als uitgangspunt kiest de auteur de Griekse kerkvaders Irenaeus, Athanasius en Cyrillus van Alexandrië. Zij bieden de theologische vertolking van het centrale gegeven uit het Nieuwe Testament: in Jezus is God midden onder ons. Van de Beek wijst op het onweersprekelijke feit dat juist de oudste geschriften in het Nieuwe Testament een hoge christologie bieden.

Veel is er de laatste halve eeuw in de wereld en in de kerken veranderd, maar er is ook veel hetzelfde gebleven. Dr. Meijering geeft het volgende voorbeeld. In het jaar 2000 hield hij een lezing voor de CSFR. In de discussie werd hem door een student in spijkerbroek gevraagd: 'Heeft Jona nu drie dagen in de vis gezeten of niet?'. Het antwoord was nuancerend: 'Het lijkt me heel onwaarschijnlijk, maar niet omdat ik het voor onmogelijk houd. Op literaire gronden vind ik het niet erg waarschijnlijk dat dit verhaal door de verteller historisch is bedoeld'. Veertig jaar geleden zou die vraag ook zijn gesteld, door een minder populair geklede student en zou misschien hetzelfde antwoord zijn gegeven. Het verschil is eigenlijk alleen dat het aantal mensen dat zoiets vraagt, zeer sterk is afgenomen.
Zo ook worden in de kwestie-Den Heyer in verband met de verzoening over en weer dezelfde argumenten gebruikt als in de kwestie-Smits in 1959, terwijl de gemoederen even hoog oplopen. Alleen is, aldus Meijering, het aantal mensen dat zich over de zaak opwindt, veel kleiner geworden. Hierbij moet mijns inziens toch een vraagteken worden geplaatst. Is de verminderde theologische interesse dan het enige verschil met vroeger? Wordt daarmee niet voorbijgegaan aan wat 'de stille revolutie' in de Gereformeerde Kerken in Nederland is genoemd? Deze revolutie heeft er immers toe geleid dat theologen in de genoemde kerken meningen verkondigen die een halve eeuw geleden in die kring volslagen ondenkbaar waren. In enkele decennia zijn de Gereformeerde Kerken, voorheen een bolwerk van rechtzinnigheid, radicaal veranderd zowel qua verschijningsvorm als qua karakter.

*) Dr. E.P. Meijering, Vijftig jaar onder theologen. Hoe het veranderde en gelijk bleef. Uitg. Meinema Zoetermeer, 2002, 212 p., paperback.