Terug naar Ecclesianet.nl

De wereld waarin de eerste christenen leefden

Ds. I. J. Wisse, Rijnsburg

 

Van Minucius Felix, een christen die omstreeks 200 leefde en in Rome woonde, is een geschrift bewaard waarin hij een verzonnen twistgesprek weergeeft, een gesprek tijdens een wandeling op het strand bij Ostia (de havenplaats van Rome) tussen de heiden Caecilius en de christen Octavius. Op grond van de heidense traditie verdedigt Caecilius zijn oude geloof dan o.a. zo: “Omdat ons lot onzeker en onze natuur onbetrouwbaar is, hoeveel eerbiedwaardiger en beter is het dan om de leer van onze voorouders als meesteres in de waarheid te aanvaarden, de overgeleverde godsdienstige gebruiken in ere te houden, de goden, die je door je ouders als kind intiem hebt leren aanbidden, te vrezen in plaats van hen nader te leren kennen; hoeveel eerbiedwaardiger en beter is het dan om de ouden te geloven dan zich over de goddelijke wezens een eigen mening te willen vormen“.

Deze Caecilius staat dus afwijzend tegenover het christendom, dat volgens hem een dwaze godsdienst is. Men vereert daarin een misdadiger wiens leven aan een kruis is geëindigd. Bovendien zijn de onderlinge relaties van de christenen bedenkelijk. Ze houden van elkaar voordat ze elkaar kennen. Hij uit eveneens de beschuldiging, die ook wel tegen de Joden werd ingebracht, dat de christenen de kop van een ezel aanbaden.

Het zal hiermee duidelijk zijn, dat toen het evangelie van Jezus Christus zijn loop in de wereld van die dagen begon, er twee levensbeschouwingen recht tegenover elkaar stonden. Maar van vervolging van de christenen was nog niet dadelijk sprake. Integendeel, zolang het erop leek, dat het christendom een joodse sekte was, genoten zijn aanhangers hetzelfde privilege, dat de Joden ten deel was gevallen, die bijvoorbeeld geen keizeroffers hoefden te brengen. Ook de christenen waren daarvan vrijgesteld. Maar dat duurde niet zo lang. Al gauw werden de christenen als staatsgevaarlijk beschouwd. Dat was gezien hun houding tegenover de antieke cultuur en alles wat hiermee samenhing begrijpelijk. Daar was dadelijk al het feit, dat ze weigerden goddelijke eer aan de Romeinse keizer te bewijzen. Zij verwierpen trouwens elke aanbidding van goden en godinnen en erkenden slechts de éne God, de Schepper van hemel en aarde en de Vader van Jezus Christus. En ook vielen ze op door hun andere manier van leven. Nergens werd de diepe kloof tussen het christendom en de antieke cultuur zo zichtbaar als in het leven van elke dag. De christenen stonden afwijzend tegenover schouwspelen als circus, theater, gladiatorengevechten. Ze deden niet mee aan allerlei feesten, die vaak verband hielden met de heidense religie. Het christendom betekende zodoende een breuk met allerlei godsdienstige en sociale gewoonten en gebruiken. Allerlei openbare ambten konden door christenen niet worden bekleed, ook al weer, omdat ze nauw waren verbonden met heidense praktijken. Een gedoopte christen werd ook geen soldaat: de onvoorwaardelijke soldateneed streed met de onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan God. In het leger vonden namelijk allerlei militaire plechtigheden plaats waarbij heidense offers moesten worden gebracht. Bekeerde een soldaat zich tot het christelijk geloof, dan mocht hij wel in militaire dienst blijven. Maar dat bezorgde hem allerlei gewetensconflicten en menig bekeerde weigerde dan ook verdere dienst.

Het gevolg was, dat de houding en levensstijl van de christenen ergernis opriepen. Ze wezen volgens de doorsnee- burgers alles af: de goden, de staatscultus, de tempels, de beelden, de offers, de keizerverering, de feesten, de spelen, de lijkverbranding, abortus, homoseksualiteit, het te vondeling leggen van kinderen. Kortom, ze vormden een gevaar voor de samenleving. Ze waren een bedreiging voor de cultuur, vijanden van de beschaving. Mensen, die zichzelf buitensloten en ook buitengesloten moesten worden.

Keizerlijke edicten gingen de christelijke godsdienst daarom verbieden. Dit alles leidde tot vervolging van de christenen. Niet in die zin, dat er sprake was van systematische vervolgingen. Het waren niet zozeer de keizers, die daartoe opdracht gaven als wel de provinciale bestuursambtenaren aan wie de uitvoering van de edicten was overgelaten. En laatstgenoemden gingen vaak daartoe over wanneer er volksrellen hadden plaats gevonden.

Tertullianus, een vroegchristelijk schrijver uit omstreeks 200, brengt de ontstane situatie zó onder woorden: “Men zegt, dat wij nutteloos zijn in de dingen van het dagelijks leven, maar hoe zit het dan ten aanzien van mensen, die samen met u leven, hetzelfde voedsel, dezelfde kleding, dezelfde levenswijze, dezelfde levensbehoeften hebben als u? Wij zijn immers geen brahmanen (Hindoese heiligen) of Indische naaktlopers, bosbewoners en levensontvluchters! Wij zijn ons ervan bewust dank verschuldigd te zijn aan God, de Heer, de Schepper; geen enkele vrucht van Zijn werken verwerpen wij. Wel zijn we op onze hoede voor overdaad en misbruik. Daarom wonen we met u samen in deze wereld, niet zonder deel te nemen aan de markt, niet zonder de vleeshal, niet zonder de baden, de winkels, de kantoren, de herbergen, de weekmarkten en allerlei ander handelsverkeer. Wij komen met u in aanraking door de scheepvaart, in het leger, in de landbouw, in de handel en stellen ook onze kunstvaardigheid en arbeid tot uw beschikking. Hoe wij dan nutteloos kunnen schijnen voor de zaken van u, met wie en van wie wij leven - dat begrijp ik niet“ (Verweerschrift 42).

Wat bovendien in dit alles nog een rol speelde, was het feit, dat de werfkracht van het evangelie tegen zoveel weerstand in, ontzaglijk is geweest. Ondanks de verdrukking groeide de kerk. Tertullianus drukte het zó uit: “Een zaad is het bloed van de christenen“ (Verweerschrift 50). En dat deed de Romeinse bestuurders weer naar strengere maatregels zoeken.

Niet minder treffend dan deze beroemd geworden en veel aangehaalde woorden van Tertullianus, is een andere beeldspraak, een halve eeuw ouder, van Justinus, de Martelaar (100 -165), die hetzelfde weergeeft: “Wij worden onthoofd en gekruisigd en voor de beesten geworpen en met boeien en vuur en alle mogelijke andere folteringen gekweld en u ziet, dat wij onze belijdenis niet loslaten, maar dat, naarmate dergelijke dingen gebeuren, het aantal van hen, die door de naam van Jezus gelovig worden en God vrezen, toeneemt. Zoals wanneer iemand de ranken van de wijnstok, die vrucht gedragen hebben, snoeit, opdat hij nieuwe ranken, die zullen bloeien en vruchtdragen, doet uitspruiten, zo gaat het ook met ons. Want de door God en Christus, de Heiland, geplante wijngaard is Zijn volk“ (Dialoog met Trypho 110).

Hoe de christenen in onderscheid met de niet-christenen zich in die tijd gedroegen, wordt ook treffend verwoord in de Brief aan Diognetus (eind tweede eeuw):

“Ze wonen in hun eigen land, maar als vreemdelingen. Ze delen in alles mee als burgers, maar hebben alles te lijden als vreemdelingen. Elk vreemd land is hun vaderland en elk land is hun vreemd. Ze trouwen als ieder ander. Ze krijgen kinderen, maar ze leggen hun nageslacht niet te vondeling. Ze delen hun tafel, maar niet hun bed. Ze leven in het vlees, maar niet naar het vlees. Ze vertoeven op aarde, maar ze zijn thuis in de hemel. Ze gehoorzamen de vastgestelde wetten, maar in hun eigen leven overtreffen ze de wetten. Ze houden van allen, maar ze worden door allen vervolgd. Men weet niets van hen, maar ze worden veroordeeld. Ze worden ter dood gebracht, maar ze worden levend gemaakt. Ze zijn arm, maar ze maken velen rijk. Ze komen alles te kort, maar ze hebben in alles overvloed. Ze worden onteerd, maar die ontering strekt hun tot roem. Ze worden belasterd, maar ze worden gerechtvaardigd. Ze worden gesmaad en ze zegenen. Ze worden beledigd en ze bewijzen eer. Als ze goed doen, worden ze gestraft als boosdoeners. Als ze gestraft worden, verheugen ze zich alsof ze tot leven kwamen“ (5, 5 -16).

In zijn eerste Verweerschrift brengt Justinus, de Martelaar, die ik even eerder reeds citeerde uit een ander geschrift van hem, de levenswijze van de christenen zó onder woorden: “Vroeger gingen wij op in ontucht, maar nu hebben wij alleen belangstelling voor kuisheid. Vroeger hielden wij ons bezig met magische praktijken, maar nu hebben wij ons toegewijd aan de goede en eeuwige God. Vroeger stelden wij het verwerven van geld en bezit boven alles, maar nu brengen wij zelfs ons bezit bijeen en laten iedere behoeftige daarin delen. Vroeger haatten en vermoordden wij elkaar en stelden wij ons huis vanwege hun afwijkende tradities niet open voor wie niet tot dezelfde volksgroep behoorde, maar nu, na de komst van Christus, leven wij met elkaar als disgenoten en bidden wij voor onze vijanden“ (I, 14, 2 -3).

Von Harnack zet in zijn Mission und Ausbreitung des Christentums (Zending en verbreiding van het christendom) op een rijtje waardoor de eerste christenen in hun dagelijks leven in positieve zin opvielen. Dat waren:

1. het geven van aalmoezen met inbegrip van wat nodig was voor een goed functioneren van het gemeente-zijn;
2. de financiële ondersteuning van voorgangers en missionarissen;
3. het omzien naar weduwen en wezen;
4. de zorg voor zieken, zwakken en arbeidsongeschikten;
5. de zorg voor gevangenen en gestrafte tewerkgestelden;
6. de zorg bij sterfgevallen;
7. de zorg voor slaven;
8. de zorg bij grote calamiteiten;
9. de zorg voor recht op arbeid;
10. de zorg voor rondtrekkende broeders (gastvrijheid) en arme en bedreigde gemeenten.

 

Wanneer we het bovenstaande goed in ons opnemen, dan moeten we tot de conclusie komen, dat de christenen in de toenmaals heidense wereld een opvallende verschijning waren. Ze waren overal vertegenwoordigd. Wat hun aantallen betreft kunnen alleen grove en onzekere schattingen worden gedaan. Tegen het einde van de eerste eeuw zullen er in het gehele Romeinse rijk misschien nog geen tienduizend christenen zijn geweest, een uitermate kleine minderheid dus. Maar toch bleven ze niet onopgemerkt.

Er zou echter nog meer over die periode te vertellen zijn. Maar laat dit voldoende zijn om ons af te vragen óf en hóe er ook in de tegenwoordige tijd, nu de onkerkelijkheid in ons midden al maar toeneemt en er voor het principieel christen-zijn nauwelijks ruimte is, voor de gelovigen uitdagingen en gelegenheden zijn om zich in het leven van elke dag kenbaar en zichtbaar te maken.