Terug naar Ecclesianet.nl

De waarde van de kennis van Latijn

Ds. H. Smits, Bedum

 

Ds. H. Smits te Bedum behoort tot hen die het zeer  betreuren dat de kennis van de Latijnse taal niet meer voor toekomstige predikanten wordt vereist.

Om zijn liefde voor deze taal nog  eens gestalte te geven, schreef hij een brief in het Latijn aan dr. W. Aalders, gevolgd door een vrije vertaling in het Nederlands en een korte beschouwing over de betekenis van de kennis van de Oudheid. De redactie vond het aardig een en ander aan de lezerskring van Ecclesia  door te geven.

 

 

Collega collegae suo salutem

 

De necessitate Usus Linguae Latinae in Studiis Philosophiae et Theologiae

 

Theologiae qui olim dederunt operam, antiquam munus sacri ministe­rii obire liceret, gradum Doctoris petere, et specimen studiorum in lucem edere lex iussit. Discipulus saepe tenuitatis suae probe sibi erat conscius, quam in elaborando suo opere nimis saepe senserat et cuius adeo multa supererant vestigia. Qualecunque tarnen esset, opusculum, ut discipulus sperare audebat, aliquantulum seriam pro viribus suis testabatur diligentiam nec ab hac parte quidem eum accusabat apud viros nobilissimos, qui doctores ei et in via doctrinae duces exstiterant, si forte acci­deret, ut propter veteris discipuli memoriam hoc opusculum evol­verent. Illi fortasse soli erant, qui id inspicerent; at saltem benevolis occurreret oculis, quod mihi factum est anno Domini

1986.

Hodie lingua Latina quae opes exercuit, abolita est.

 

O tempora, o mores !

 

Vale!

 

Ab Hendrik Smits haec litterae scriptae sunt

 

Vertaling:

 

Over de noodzaak van het gebruik van het Latijn bij de studiën

in de wijsbegeerte en de godgeleerdheid.

 

 

Hun, die oudtijds zich wijdden aan de studie in de godgeleerdheid, beval de wet, voordat men het ambt van Dienaar des Woords op zich mocht nemen, naar de graad van doctor te staan en een proeve van bekwaamheid in de wetenschapsbeoefening het licht te doen zien, en wel in het Latijn. De student was zich dikwijls maar al te zeer bewust van zijn geringheid, die hij bij het uitwerken van zijn proef­schrift al te zeer had ervaren en waarvan er in hoge mate vele sporen nog overgebleven waren.

Hoe het ook mocht zijn, het werkstuk, zoals de student durfde hopen, in hoe geringe mate ook, getuigde in verhouding tot zijn inspan­ningen van ijver en daarom stond hij zeker niet in dat opzicht in staat van beschuldiging bij de zeer edele heren, die zich als zijn leermeesters en leidslieden op de weg van de wetenschap aan hem hadden betoond. Zo hoopte men dat het mocht gebeuren, dat zij dit werkstuk ter lezing zouden openen ter herinnering aan hun vroe­gere leerling. Zij waren misschien de enigen, die het inzagen; het zou dan toch onder hun welwillende ogen komen.

 

Heden ten dage is door de synode van de PKN het Latijn afgeschaft, dat vele eeuwen lang zijn invloed heeft doen gelden ter inlei­ding in de humaniora

 

0 tempora! 0 mores! (Cicero,Orationes in Catilinam I 1,2)

 

Tot zover de vertaling.  Ds. Smits vervolgt:

 

Mijn schrijven in het Latijn wil nog meer zeggen dan een scher­pe kritiek op het handelen van de synode.

De vraag is: wat zijn de gevolgen?

Om die vraag te kunnen beantwoorden, moet van het volgende axio­ma uitgegaan worden om te kunnen verstaan welk een kwalijke daad het is om tot het afschaffen van het Latijn over te gaan.

Hier volgt het axioma

 

Voor de historicus en de filoloog is bronnenstudie wat voor de vertegenwoordiger der natuurwetenschap het experiment is.

 

Dit is een elementaire waarheid die dikwijls door de mensen van de natuurwetenschap niet wordt begrepen.

     Zeer ten onrechte menen zij dat in de historische wetenschappen geen strenge, exacte methode bestaat, die aan haar beoefenaars de hoogste eisen stelt. De 20e eeuw, om daarbij te blijven, stond tegenover de Oudheid anders dan men in de 16e eeuw stond. Om­dat de methode van onderzoek is gezuiverd en verfijnd, daar de bronnen door de subtiele arbeid van generaties van geleerden thans beter toegankelijk zijn dan ze dat twee, drie eeuwen geleden waren, omdat moderne filologen en historici tal van feiten en samenhangen hebben ontdekt die toen ongekend en onbegrepen wa­ren. Het is met de studie van deze dingen niet zoals buiten­staanders dikwijls menen: "dat het daar allemaal net nog zo is als eeuwen geleden".

     De tijd die de natuurwetenschap heeft voortgebracht, heeft ook de filologie en de wetenschap der ge­schiedenis gevormd. Daarom kunnen wij de studie van de Oudheid, - waartoe ik ook gemakshalve de Oud-Semitische wereld reken -­ beoefenen met betere middelen en beter inzicht dan zij die vóór ons waren. Het is er ver van af dat wij aan de studie van de An­tieken i.c. de Grieks-Romeinse wereld zouden zijn ontgroeid. Veeleer zijn wij er nu eerst rijp voor geworden.

 

Maar doelbewust ontneemt de synode de theologische student het lezen van de bronnen in het Latijn. Dit is een verarming die mij met ontzetting vervult. Zo wordt de theologische student los­gemaakt van de studie van de klassieke Oudheid, van de histori­sche grondslagen van onze Westerse cultuur. Daarbij denk ik aan de wijsbegeerte, die tot de propaedeuse behoort van de theologische opleiding. En ik denk aan de theologie zelf, die op historisch ­filologische grondslag moet worden opgebouwd.Deze stelling impliceert dat de theologie berust op bronnenstudie, waaraan het gymnasium een voorscholing heeft gegeven, die ons de klassieke texten grondig heeft leren lezen. Althans, dat behoort zo te zijn.

 

Tenslotte nog dit: de teksten geven alle aanleiding te zoeken naar achtergronden: historische, geografische, litteraire, archeologische, wijsgerige, godsdienstige. Dan 'ziet' men de levende wereld die achter de teksten staat.

 

Echter:

Wanneer zullen wij het beleven, dat na het Latijn, ook het Grieks en het Hebreeuws zullen worden afgeschaft?