Terug naar Ecclesianet.nl

De verborgenheid van Gods Koninkrijk

Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een schat, verborgen in een akker, die een mens ontdekte en ver­borg, en in zijn blijdschap erover gaat hij heen en ver­koopt al wat hij heeft en koopt die akker.

Mattheiis 13 : 44

Dat is al dadelijk een moeilijk punt voor ons: het Ko­ninkrijk van God is verborgen! Het ligt niet voor iedereen te kijk in de etalage en het ligt ook niet op straat voor het oprapen. Het is geen zichtbare, maar een onzichtbare werkelijkheid. Wij kunnen het niet zien, maar moeten het geloven. En vaak ook nog re­gelrecht tegen de schijn van de dingen in. Dat valt ons vaak zwaar en soms brengen wij het ook niet eens op!

In dat opzicht hebben de koninkrijken van deze we­reld veel voor op het Koninkrijk van God. Want die trek ken zich niet uit de openbaarheid terug, maar ma­nifesteren zich juist voor aller oog. Niemand kan ze over het hoofd zien. Want door hun vertoon van macht, hun wapengekletter en hun pracht en praal vallen zij ieder in het oog. Ze zijn zonder meer specta­culair!

Toch behoeft het ons niet te verwonderen, dat het Koninkrijk van God allesbehalve opzienbarend is. Want de Koning Zelf kwam incognito op aarde. Hij werd geboren in een beestenstal en neergelegd in een voerbak voor het vee. Hij hield Zijn koninklijke in­tocht in de hofstad niet op een prachtig paard, maar op een eenvoudig ezeltje. En Hij sneuvelde niet als een dappere veldheer in een roemrijke dood, maar Hij stierf tussen een paar boosdoeners aan een kruis. Een oogverblindend Rijk zou niet passen in Zijn stijl!

En het is ook nog wel de vraag of de verborgenheid van Zijn heerschappij niet eerder een voordeel dan een nadeel betekent. Want de apostel Paulus heeft ge­zegd: "De zichtbare dingen zijn tijdelijk, maar de on­zichtbare zijn eeuwig". Die uitspraak is ook hier van toepassing. De zichtbare rijken van deze wereld zijn tijdelijk, maar het onzichtbare Rijk der hemelen is eeuwig. De afloop van de geschiedenis zal het uitwij­zen!

 

"Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een schat, verborgen in een akker", verzekert Jezus ons in onze gelijkenis. Die schat heeft daar misschien al heel lang gelegen zonder dat iemand het wist. De oorspronke­lijke eigenaar heeft hem ooit in de grond verstopt om hem te beveiligen tegen vijanden of dieven. Dat was oudtijds gebruikelijk toen er van banken en kluizen nog geen sprake was. Maar na verloop van tijd is de man gestorven en heeft hij zijn geheim meegenomen in het graf.

Niemand weet ervan. Ook de pachter of dagloner, die de akker bewerkt, heeft er geen vermoeden van. Totdat hij bij het omspitten of ploegen van de grond op een hard voorwerp stuit. Hij zal wel gedacht heb­ben aan een stuk steen en begint te graven. Hij kan zijn ogen niet geloven als hij ziet wat er te voorschijn komt. Een aarden kruik vol goudstukken en sieraden, naar wij mogen aannemen. Maar in elk geval een kostbare schat. Wat een ongedachte verrassing!

Hij is zo overgelukkig met zijn vondst, dat hij maar een wens meer heeft: die schat in zijn bezit te krijgen! Maar dan zit er voor hem niets anders op dan die ak­ker te kopen. Want dan mag hij ook alles wat daartoe behoort, het zijne noemen. Maar hij beschikt niet over voldoende geldmiddelen om de kostprijs te kun­nen betalen. Welnu, dan doet hij zijn hele hebben en houden van de hand om het benodigde bedrag bijeen te krijgen.

De mensen in zijn omgeving zullen wel hun hoofd geschud hebben over zijn onbegrijpelijke manier van doen. Het is ook een heel offer, dat hij brengt. Maar het valt hem helemaal niet zwaar. O nee, hij heeft al­les over voor de vervulling van zijn hartewens. En als hij de schat goed en wel in handen heeft, krijgt hij geen ogenblik spijt, maar voelt hij zich de koning te rijk. Met recht: een gelukkige vinder!

 

En zo hoort u dan uit Jezus' eigen mond, dat het Ko­ninkrijk van God inderdaad een verborgenheid is. Niet een verborgen zaak zonder meer, maar een ver­borgen schat in de volle zin van het woord. Een schat van zo'n oneindige waarde, dat een doodarm mens daarmee in een slag schatrijk wordt. Wie hem ont­dekt, wordt er zo door overweldigd, dat hij hem niet meer wij! missen en dat hij al het zijne daarvoor graag van de hand doet. De ervaring van tallozen heeft dat bewezen. Laat ons een paar getuigen daarvan oproe­pen.

Allereerst: de latere apostel Paulus. Onderweg naar Damascus valt hem een ontmoeting met de verhoogde Christus ten deel. Dat was wel het laatste dat hij ver­wachtte, want hij was Zijn verklaarde vijand. Door de majesteit van Koning Jezus wordt hij neergeworpen, maar door Zijn goedgunstigheid wordt hij weer opge­richt. Hij ontdekt de verborgen schat van Gods Ko­ninkrijk en die is hem zoveel waard, dat hij al het zijne daarvoor resoluut prijsgeeft. Met de hand op zijn hart verklaart hij achteraf: "Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Je­zus, mijn Here, dat alles te boven gaat!"

Vervolgens: de grote componist en musicus Johann Sebastian Bach, wiens werken na bijna drie eeuwen nog steeds voor velen terecht "het einde" zijn. Het is mij niet bekend hoe en wanneer hij de schat in de ak­ker gevonden heeft. Maar dat hij die inderdaad ge­vonden heeft, staat boven aIle twijfel vast. U behoeft alleen maar te luisteren naar de ontroerende versre­gels: "Wohl mir, dasz ich Jesum habe. O, wie feste halt' ich Ihn!", om daarvan overtuigd te worden.

En tenslotte: Isaac do Costa, de bekende voorman uit het Reveil van de vorige eeuw. Ais geboren Jood leerde hij Jezus kennen en erkennen als de beloofde Messias. Dat betekende het beslissende keerpunt in zijn leven. Hoe blij en dankbaar hij daarvoor was, gaf hij kort en krachtig weer in de geladen woorden: "Ik zag Hem, ik gaf mij. De hel is geweken, de hemel ging op door Zijn woord in mijn ziel!"

Dat zijn drie voorbeelden van bekende personen, die gelukkige vinders werden van de grootste schat. Vol blijde verwondering konden zij de psalmist nazeg­gen: "Hoe groot is het goed, dat Gij hebt weggelegd voor wie U vrezen!" Een zondaar en bedelaar die aan alles gebrek heeft, wordt daardoor een koningskind wie het aan niets meer ontbreekt!

 

Natuurlijk kunnen wij tenslotte de vraag niet ontwij­ken of wij zelf ook een van die gelukkige vinders zijn. Dat spreekt niet vanzelf, ook al zijn wij nog zulke ker­kelijke en kerkse mensen. Immers: hoe vaak zou de land arb eider uit de gelijkenis niet heen en weer gelo­pen hebben over de akker zonder dat hij er erg in had, dat daarin een schat op hem te wachten lag! Pas op de grote geluksdag van zijn leven werd hij dat gewaar. Misschien kwam dat wel doordat hij zijn spa of zijn ploeg even dieper de grond in liet gaan dan tevoren. Welnu, zo kunnen wij ook honderd keer in de bijbel lezen en naar de kerk gaan zonder dat wij de schat van het Godsrijk in het vizier krijgen. Als het ons niet ont­breekt aan geestelijke diepgang, dan toch wel aan het nodige geestelijke gezichtsvermogen.

In het psalmboek vinden wij de bede: "Ontdek mijn ogen, opdat ik aanschouw de wonder en uit Uw wet". Dat hebben wij ook nodig: opening, verlichting van onze ogen, om de wonder en van Gods Rijk te aanschouwen: het volle heil, dat Hij in Christ us voor ons heeft bereid! Professor Simpson, de uitvinder van de chloroform, die vroeger gebruikt werd voor nar­cose, moet eens gezegd hebben: "De grootste ontdek­king van mijn leven was, dat ik Jezus leerde kennen als mijn Heer en Heiland". Wie hem dat van harte kan nazeggen, is de gelukkige vinder van de verborgen schat, die rijk maakt in tijd en eeuwigheid.

 

Ds. S. P. Nijdam