Terug naar Ecclesianet.nl

De Ramp

Dr. H. Klink, ecclesia nr.3, februari 2003

Hoewel ik de watersnoodramp van 1953 niet heb beleefd, ben ik geboren en getogen in een gebied dat zwaar door de Ramp getroffen is, een gebeurtenis die bij degenen die de Ramp meemaakten onuitwisbaar in de herinnering staat geschreven. Nu het 50 jaar geleden is dat de watersnoodramp zich voltrok, haal ik enkele herinneringen uit de natijd daarvan op in ons blad Ecclesia.

Als kleine jongen liep ik eens door mijn geboortedorp Stellendam. Ik waagde mij voor mijn gevoel een eind van huis. Meestal speelden we in de straat waar wij woonden. Nú was dat niet het geval. We hielden ons op in de buurt van de begraafplaats. Toen ik bij de ingang ervan stond, zag ik een stenen plaat, met daarop tal van namen. Het betrof de namen van de tientallen inwoners van de plaats Stellendam, die in de nacht van de ramp, 1 februari 1953, waren verdronken. Het waren er 61 op een inwonersaantal van bijna 1800 mensen. Wat een rij met namen, besef je later. Hoeveel mensen - jongeren, ouderen, kinderen - zijn niet omgekomen in die gedenkwaardige nacht, in het donkere water.
Ja, ik wist daar wel het nodige van af. Ik kan me geen tijd heugen dat ik er niet van af wist. Je groeide als kind automatisch op met twee woorden, die je in gesprekken opving: 'de ramp' en 'de oorlog'. Vaak werden de beide woorden gebruikt als tijdsaanduiding. Je hoorde de mensen zeggen: "voor de oorlog gebeurde er dit", of: "na de ramp heeft dat en dat plaatsgevonden". Soms was het anders. Je hoorde de mensen zeggen: "die is toen verdronken", of "dat zijn we kwijt geraakt tijdens de ramp."
Het waren inderdaad tijdsaanduidingen, waar een wereld achter zat: een wereld van verdriet en leed voor velen. Want niet alleen Stellendam was getroffen. Het gold voor heel veel dorpen op Goeree Overflakkee, maar ook in Zeeland en andere streken van Zuid-Holland. Thuis waren we in het bezit van het fotoboek De Ramp. Ik herinner me dat het nog al eens tevoorschijn kwam. Je mocht er in bladeren. En dan zag je al die dorpen, die je bekend voorkwamen: je eigen dorp, Middelharnis, Nieuwe Tonge en vooral Oude Tonge, waar niet minder dan 306 mensen verdronken.
Ik hoorde dan ook de verhalen van mijn ouders. Hoe ze in Stellendam de één thuis, de ander bij iemand anders op een zolder van een huis hadden gezeten, in angstige spanning: "hoe hoog zou het water komen?" Ze hadden nog verkering en wisten van elkaar niet of ze veilig waren. Op het nippertje is één van beiden aan de verdrinkingsdood ontsnapt. Later troffen ze elkaar. Een geluk viel hen ten deel dat anderen niet gegeven was.

Ja, de woorden 'de ramp' en 'de oorlog' maakten deel uit van het dagelijkse taalgebruik. Toch werd er niet veel geklaagd. De Flakkeeënaars zijn over het algemeen ijverige mensen. De blik moest vooruit. Maar uit de herinneringen die keer op keer als het een gedenkjaar is, worden opgehaald, blijkt dat de ramp diepe sporen heeft nagelaten.
Dat werd in de jaren dat de Deltawerken nog niet voltooid waren soms heel duidelijk. Als het stormde en het was hoog water, was er dijkwacht, ook op de dijk vlak bij ons thuis. Als kind merk je veel op. Ik zag mijn moeder eens bezorgd door het gordijn van de kamer waarin ik sliep naar buiten kijken en, ook al probeerde ze dat te verbergen, je merkte enige spanning en bezorgdheid. En dan vroeg je: "Moeder, is het net zo erg als toen?"
"Nee, zo is het niet", was dan het antwoord. "Bovendien zijn er dijkwachten en… het is vandaag geen springvloed, zoals toen." Zo verzekerde ze de kinderen - èn zichzelf. Moeder was gerust, je ging, vertrouwend op haar woord slapen, maar enige spanning was er toch wel.
Diezelfde spanning is er, zo werd onlangs op het journaal vermeld, bij zware storm nog steeds. Ondanks de Deltawerken. Als er een storm woedt, vraag je je onwillekeurig af: wie kan er op tegen het geweld van de schepping? Als de elementen te keer gaan?

In de kerk waar ik zondag aan zondag zat, zijn twee borden aangebracht, een ter linkerzijde en een ter rechterzijde van het front, waar de preekstoel staat. Ze zijn geschonken door de toenmalige godsdienstonderwijzer en voorganger de heer W. Bouwman. Altijd weer trekken ze de aandacht.
Op de borden stonden sober en toch sierlijk ingegraveerd twee kleine pijlen. Ze gaven aan hoe hoog het water gekomen was. Het was 3 meter 25. De teksten zijn welsprekend. Op het ene bord staat te lezen uit Amos 5: 8b "Die de wateren der zee roept en giet ze uit op de aardbodem, HEERE is Zijn Naam." Het tekent in één zin de majesteit van God, zoals die sprak uit de orkaanachtige wind en het bulderen van de zee, waar geen dijk tegen bestand was. Op het andere bord staan vol troost voor al de inwoners van het dorp bij wie de schrik er goed in zat, de woorden uit Spreuken 8: 29: "Toen Hij de zee haar perk zette opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden."