Terug naar Ecclesianet.nl

De onverwachte verschijning van Gods Koninkrijk

En weet dit: Indien de heer des huizes geweten had in welke nachtwaak de dief kwam, hij zou gewaakt heb­ben en in zijn huis niet hebben laten inbreken. Daarom, weest ook gij bereid, want op een uur dat gij het niet verwacht, komt de Zoon des mensen.

MattheĆ¼s 24 : 43 en 44

Vaak leest men in een rouwadvertentie, dat iemand na een langdurige ziekte toch nog plotseling overleden is. De nabestaanden zagen al geruime tijd van tevoren het levenseinde van hun familielid aankomen. En toch werden zij er tenslotte nog door overvallen. Zo is het ook gesteld met het einde van onze wereldtijd. Het blijft lang uit en het komt tenslotte toch nog onver­wachts. Veel mensen worden er dan ook door over­rompeld. Jezus heeft in Zijn prediking op beide aspec­ten de nadruk gelegd.

In de slotverzen van Zijn rede over de laatste dingen beklemtoont Hij sterk de onverwachte verschijning van Gods Koninkrijk. Zoals de mensen van de begin­tijd ineens overvallen werden door de zondvloed, zo zullen ook de mens en van de eindtijd overvallen wor­den door de komst van de Zoon des mensen. Twee mannen, die samen aan het werk zijn op het land, zul­len ineens voorgoed gescheiden worden. En met twee vrouwen, die samen het koren malen, zal het net zo gaan. De een zal aangenomen en de ander zal achter­gelaten worden "Waakt, want gij weet niet op welke dag uw Heer komt!"

Jezus verduidelijkt en onderstreept dat onverwachte karakter van Zijn wederkomst in een korte, maar tref­fende gelijkenis. Een huisheer gaat 's avonds naar bed zonder dat hij iets vermoedt van komend onraad. Hij doet de deur op slot en dooft het licht. Hij voelt zich volkomen veilig en slaapt dan ook weldra de slaap van de geruste. Waarover zou hij zich zorgen maken? Al­les is toch in orde!

Maar op een gegeven moment wordt hij wakker door een verdacht gestommel en gerommel. Wat kan dat zijn? De enige mogelijkheid is, dat een inbreker kans heeft gezien om ongemerkt zijn huis binnen te dringen. Hij staat dadelijk op om te verhinderen, dat de booswicht zijn snode plannen uitvoert. Maar hij komt te laat, want de schelm gaat er in allerijl met zijn buit vandoor.

Als de huiseigenaar geweten had in welke nacht­waak of op welk uur de dief bij hem zou willen inbre­ken, zou hij hem wel tijdig hebben tegengehouden, zodat hij niet van zijn bezittingen werd beroofd. Hij zou de hele nacht in de kleren zijn gebleven. Maar zulke figuren hebben niet de gewoonte om hun arge­loze slachtoffers van tevoren een berichtje te sturen wanneer zij van plan zijn om hun slag te slaan. Een mens kan niet genoeg op zijn qui-vive zijn!

Jezus komt als een dief in de nacht! Dat betekent na­tuurlijk niet, dat Hijzelf lijkt op een dief. Hij dringt de wereld niet binnen als een inbreker, die onrechtma­tig wegrooft wat hem niet toekomt. Integendeel! Hij is de wettige Eigenaar van de aarde met al haar vol­heid. Hij heeft alles wat bestaat geschapen en hero­verd op een boosaardige geweldenaar. Hij kan dus zelfs een dub bel recht op Zijn eigendom laten gelden!

Nee, Jezus Zelf lijkt in het minst niet op een dief, maar Zijn komst lijkt op de komst van een dief: vol­komen onverwacht en onberekenbaar! Het is opval­lend hoe vaak dit beeld in het Nieuwe Testament te­rugkeert. Paulus houdt het de christenen in Thessalonica voor. "Gij weet zelf zeer goed, dat de dag des Heren zo komt als een dief in de nacht" Pe­trus herinnert er zijn lezers aan: "Maar de dag des Heren zal komen als een dief'. En in het boek Open­baring horen wij tot tweemaal toe de verhoogde Christus Zelf: "Ik zal komen als een dief!" Zou er wel een uitspraak van Jezus zo vaak herhaald worden als juist deze? Blijkbaar kan deze oproep tot waak­zaamheid niet vaak genoeg tot ons gericht worden, omdat wij in dit opzicht zo licht in gebreke blijven!

Vroeger werd een testament vaak ingeleid met de be­ginformule: "Aangezien niets zo zeker is als dat wij moeten sterven, maar niets zo onzeker als het uur waarop wij van het aardse moeten scheiden, zo heb ik" - en dan volgde de laatste wilsbeschikking van de erflater. Deze woorden kunnen ook letterlijk worden toegepast op de komst van de grote Koning en Zijn Rijk. Het feit dat het zal gebeuren, staat vast, maar de tijd waarop het zal gebeuren, blijft voor iedereen verborgen. De ervaring heeft keer op keer uitgewezen, dat geen enkele voorspelling uitkwam en dat geen en­kele berekening klopte. Professor Gunning sprak daarover een wijs woord: "Als wij Christus op een dag verwachten, kunnen wij ons vergissen. Maar als wij Hem elke dag verwachten, kunnen wij ons niet vergissen! "

Het is alleen de grote vraag of wij Hem wel voort­durend verwachten. Veelzeggend is wat er eens ge­beurde op een verjaarsvisite ergens in Nederland. On­der de bezoekers was ook een predikant. En misschien was het aan hem te danken, dat de oppervlakkige gesprekken tenslotte een ernstige wending namen. Er ontstond een gedachtewisseling over de wederkomst van Christus. Toen het al laat geworden was, maakte de dominee er een eind aan. Hij vroeg aan elke aanwe­zige op de man af: "Verwacht u Hem nog deze nacht?" De antwoorden waren unaniem ontkennend. Het weerwoord sloeg in als een bom: "In zo'n nacht zal Christus nu juist komen: als niemand Hem ver­wacht!"

Jezus komt als een dief in de nacht! Het is de bedoe­ling, dat wij dit woord niet naast ons neerleggen, maar dat wij het ter harte nemen. Wij mogen onszelf niet in slaap sussen met de veronderstelling, dat het onze tijd nog wel zal uitduren. Maar wij moeten ons haasten om Hem in geloof als onze Redder te voet te vallen en Hem in gehoorzaamheid als onze Koning te erkennen. Het is later dan u denkt. Daarom valt er geen tijd te verliezen. "Verbeid de komst des Heren, o mens, bereid u voor!" Hoe erg moet het zijn om niet klaar te zijn voor de grote ontmoeting!

Toch is het niet de bedoeling, dat het woord over Jezus' onberekenbare komst uw leven lang als een dreigend zwaard van Damocles boven uw hoofd zal blijven hangen. Wie met Jezus in het reine is geko­men, behoeft niet meer zijn dagen in angst en vrees door te brengen. Voor hem is de wederkomst geen ge­beuren om tegen op te zien, maar om naar uit te zien. Een zaak van blijde verwachting!

Paulus schrijft aan de Thessalonicenzen, dat de dag des Heren hen die zich er niet op voorbereid hebben, zal overvallen als een plotseling verderf. Hij laat daar evenwel meteen een bemoediging op volgen: "Maar gij, broeders, zijt niet in de duisternis, zodat die Dag u als een dief zou overvallen. Want gij zijt allen zonen van het licht en zonen van de dag!" Toch vindt hij het nodig om de gelovigen voor te houden: "Laten wij dan ook niet slapen gelijk de anderen, maar wakker en nuchter zijn!" Welke christen kan het stellen zon­der het voortdurende gebed: "Here, houd mijn hart in waakzaamheid altijd voor Jezus' komst bereid!"

Ds. S. P. Nijdam