Terug naar Ecclesianet.nl

De lacune in het reveil

Dr. J.W. KÏRPESTEIN, Kampen

DE LACUNE IN HET REVEIL

Hoe deze lacune gevuld diende te worden, valt onder meer te lezen in het eerste deel van het Verzameld Werk van D. Chantepie de la Saussaye (1818-1874), vorig jaar uitgegeven door uitgeverij Boekèncentrum uit Zoetermeer.

Volgens Daniël Chantepie de la Saussaye ontbrak het de Reveilbeweging aan een wetenschappelijke theologie. De leraarsgave zag hij nauwelijks tot ontwikkeling komen. Het Reveil richtte zich op het bewaren van het overgeleverde dogma. Doordat het geen goede theologische fundering van zijn overtuiging kon geven, stond het Reveil toch ook weer wat hulpeloos tegenover het rationalisme van zijn tijd. Het gebrek van deze opwekking bestond voor Chantepie in "eene dogmatische onbewegelijkheid, voortgesproten uit miskenning der waarde en der regten der menselijk rede en pligt, inzonderheid de theologische" (geciteerd bij Caspar Honders, Liturgie, Barsten en Breuken, Kampen 1988, blz. 64).

De leer werd teveel om zichzelf gekoesterd en te weinig geëerbiedigd als een monument van de vrije, levende en doorgaande werkzaamheid van de Heilige Geest. Chantepie legde de vinger bij de zwakke plek in zijn Gedachten over het wezen en de behoeften van de kerk uit 1855. Deze prachtige brochure is opgenomen in het eerste deel van het Verzameld Werk van deze theoloog van het Reveil, die ook beschouwd wordt als de vader van de ethisch-irenische richting in de Nederlandse Hervormde Kerk.

In de leer is, aldus Chantepie, het volmaakte nog niet gekomen. Dit te veronderstellen betekent dat de "wassende" Gemeente verward wordt met de "voltooide". Wanneer dat gebeurt is er sprake van stilstand. En stilstand is zedelijke achteruitgang, (blz. 253). Het dogma en de belijdenis getuigen volgens Chantepie van een worsteling, van een verovering en zijn als zodanig historisch bepaald. De worsteling echter gaat door. De Gemeente die zich in de liturgie, in de hymnen, de lofzangen en geestelijke liederen, door Woord en Sacrament met Christus verbonden weet, zoekt naar de taal waarmee zij verantwoording aflegt tegenover de wereld.

"De Gemeente is nog niet gekomen in eene sfeer die aan haar wezen en behoeften beantwoordt, zij is nog nief in de hemel. Met andere woorden: zij kan God nog niet verheerlijken gelijk zij wil; ja, zij kan zelfs niet komen tot de volkomen erkentenis van de heerlijkheid Gods, omdat zij haar ziet als in een duistere rede. Zij heeft nog niet haar taal welke is de taal des hemels; zij ontleent haar taal aan de wereld, zoekt die vormen, door eene andere gedachtegang ontstaan, met de hare te vervullen, breekt ze door, maar komt niet tot volkomen vormen, die haar eigen zijn. Haar loflied is de menselijke onvolmaakte nagalm van het loflied des hemels. (...) Zij leeft op de aarde, in de wereld. Zij is niet alleen een onvolkomenheid, een nog niet gekomen zijn tot de volheid des levens; maar ook eene onzuiverheid, een met bestanddelen des doods bezoedeld zijn. Wel zijn deze bestanddelen in beginsel van haar gescheiden, wel is door het woord Gods in de duistere chaotische massa der menschelij-ke levenskrachten licht en daarmee scheiding tusschen licht en duisternis gekomen. Deze scheiding is echter geen volstrekte: licht en duisternis staan naast elkaar en zoeken elkaar te verdringen", (blz. 245)

Deze taal van de Gemeente is dus beweeglijk. Daarin weet zij zich geleid door de onveranderlijke trouw van. de Heilige Geest. De Gemeente is gebonden aan Woord en Sacrament. "Het Sakrament openbaart de Kerk, stelt haar zigtbaar als lichaam van Christus, zo als het Woord het teeken is harer geestelijkheid en haar als het bezielde lichaam van Christus kenmerkt", (blz. 233) Het getuigenis is niet voor eens en altijd afgelegd. Het geschiedt telkens opnieuw en ook in verschillende vorm. Het strijdtoneel wisselt met de tijd. Al ontwikkelt zich de taal van de Gemeente, toch drukt zij altijd weer iets blijvends en onveranderlijks uit. (blz. 248) Zij hecht zich aan het Woord Gods. Door de verbondenheid met de bron, Gods Woord, wordt de taal van de Gemeente in de wereld scheppend. Deze taal van de Gemeente behoudt bij alle verandering, waaraan zij onderhevig is, haar eigen identiteit en eigen gezag.

De belijdenis is een daad waardoor de Gemeente zich op de aarde vestigt en als lichaam openbaart. Zonder belijdenis is en blijft de Gemeente onzichtbaar en vormt zij geen Kerk. "Terwijl zij met de wereld strijdt", schrijft Chantepie, "en in die strijd het woord vindt om haar leven uit te drukken, verovert zij zich door dit woord een plaats in de wereld", (blz. 250) De belijdenis heeft een stellend, een thetisch karakter. Dit thetische karakter van de belijdenis is niet te scheiden van haar vormende karakter, omdat de belijdenis zelf vrucht is van een doorgaand vormingsproces. Tegelijkertijd is de belijdenis een eendrachtig spreken, omdat de ene universele betrokkenheid van de Gemeente op haar Heer erin herkenbaar is.

Twee grote gevaren ziet Chantepie in dit verband opdoemen. De Kerk kan verstenen en ontbinden. Het eerste gebeurt wanneer de Kerk de leer stereotypeert. Zij maakt zich los van het geloof van de Gemeente. De Gemeente zal hier ook aan lijden. De vorming door Woord en Sacrament begint te kwijnen. Chantepie schetst in grove lijnen hoe een Gemeente in verval kan raken.

"Ware het denkbaar dat Woord en Sacrament zonder geloof bleven bestaan, dan zouden zij, van de Geest verlaten, niet meer kunnen dienen tot verbindingskanalen tussen den Heer en zijn ligchaam. Ware het denkbaar... Wat echter denkbaar is en ook werkelijk bestaat, is: de gestadige toenadering tot dien toestand. De prediking van het Woord kan alzoo van alle kracht beroofd worden, dat het ondanks en in tegenstelling van de werking der prediking is, indien het Woord nog enige kracht uitoefent, en dat die kracht, immers voor de grote menigte, door de verlammende werking der prediking vernietigd wordt. De H.Geest kan zodanig uit eene Gemeente geweken zijn, dat de belofte des Geestes, in de doop gegeven, zich tot een minimum reduceert, namelijk de herinnering dat er een Heilige Geest bestaat. De gemeenschap met Christus kan zo zijn uitgestorven, dat het Heilig Avondmaal hoogstens bestaat uit eene herinnering aan zijn eenmalig aanwezig geweest zijn", (blz. 238v.)

Het tweede gevaar is het gevaar van ontbinding. Het verleden wordt verloochend en verwoest. De ontwikkeling stagneert evenzeer. Men zoekt een Christus die het tegenbeeld is van de historisch gegevene en door de Gemeente beledene. Men behoudt het Sacrament maar als zinnebeeld van heel andere gaven. De liturgische vormen worden zinledige ceremoniën, (blz. 236) Ontkend worden al de vroegere levensopenbaringen van de Gemeente. Het licht breekt pas door nadat alle banden met het verleden doorgesneden zijn. Christus mag bijvoorbeeld niet opstaan uit de doden. Alle verklaringen, hoe fantastisch ook, die dit feit weerspreken worden eerder geloofd, dan het eenvoudige getuigenis van de Gemeente.

De vormingsopdracht betekende voor Chantepie het vastmaken van de roeping en verkiezing van de Gemeente. Wetenschap bestond voor hem in de verlichting van het verstand. Zo voert de Heilige Geest de Gemeente door de tijd en bewaart Hij haar temidden van de gevaren waaraan zij blootgesteld is. De voortgaande vorming is het teken dat zij wast. In het Reveil heeft Chantepie grote invloed gehad op dr. J.H. Gunning jr., die ondermeer predikant is geweest in Den Haag. Opmerkelijk is dat mr. G. Groen van Prinsterer in Den Haag vaak bij Chantepie's leerling Gunning ter kerke ging. Groen en Gunning waren zich met Chantepie van de lacune van het Reveil bewust.