Terug naar Ecclesianet.nl

De laatste levensjaren en de dood van Augustinus

Ds I.J. Wisse, ecclesia nr.3, januari 2003

De kerkvader Augustinus heeft een druk leven gehad, zeker toen hij bisschop in Hippo Regius was. Ondanks zijn zwakke gezondheid, die hem nogal eens ongemakken bezorgde, was hij toen haast dag en nacht bezig. Wat er zoal op hem afkwam, zegt hij in preken, die hij hield op de verjaardag van zijn ambtswijding: "Onruststokers berispen, kleinmoedigen troosten, zwakken ondersteunen, tegensprekers weerleggen, zich hoeden voor belagers, onwetenden leren, luien wakker schudden, ruziezoekers in bedwang houden, verwaanden op hun plaats zetten, twistenden tot bedaren brengen, armen helpen, verdrukten bevrijden, goeden aanmoedigen, slechten verdragen, en … allen liefhebben" (Sermo 340, 1). "Altijd weer preken, disputeren, berispen, geestelijk opbouwen, voor iedereen klaarstaan: dat is een zware last, een zware druk, een zwaar werk". "Als het aankomt op vrij zijn van beslommeringen, daar is geen mens meer op gesteld dan ik. Want niets is beter, niets is zoeter dan het doorvorsen van de goddelijke schat, ver van alle lawaai". "Maar het evangelie jaagt mij schrik aan. Ik zou immers kunnen zeggen: wat heb ik er aan om de mensen tot hinder te zijn, om de slechten te zeggen: doet dít nìet, doet dát wèl, houdt daarmee op? Hoe komt het, dat ik tot een last ben voor anderen? Het is het evangelie, dat mij schrik aanjaagt" (Sermo 339, 4).

Vier jaar vóór zijn dood hadden zijn gemeenteleden ermee ingestemd - in dezelfde samenkomst als waarin zij accoord waren gegaan met de aanwijzing van Eraclius als zijn toekomstige opvolger - dat hij bepaalde werkzaamheden reeds nu aan hem mocht overdragen. Om iets dergelijks had hij al enkele jaren eerder verzocht, maar daar was bitter weinig van terechtgekomen. Of dat deze keer beter gerealiseerd werd, is ons niet bekend. Wel weten we, dat Augustinus in ieder geval na deze samenkomst in 426 nog heel veel werk heeft verzet.
Gedurende drie jaar kon hij meer tijd doorbrengen in zijn bibliotheek. Toen heeft hij een begin gemaakt met zijn geschriften nog eens kritisch door te lezen en alles te corrigeren wat hem onhoudbaar leek. Op de planken lagen op dat ogenblik 93 door hem geschreven werken, verdeeld over 232 banden; verder stapels correspondentie alsook stenografisch opgenomen preken.
Hij had ook een herziening van zijn brieven en preken willen geven, maar dit plan heeft hij niet meer kunnen verwezenlijken. Enkel zijn geschriften heeft hij kunnen doornemen. Hele nachten was hij hiermee bezig.
Hij legde dat neer in twee delen, die op zichzelf ook weer een boekwerk vormden: de zogeheten "Nalezingen" (Retractationes). Daarin gaf hij een korte samenvatting van de inhoud en vermeldde hij tevens waarin hij zich indertijd had vergist en waarover hij in de loop van de jaren anders was gaan denken. Hij deed dat met een grote nauwkeurigheid. Zo ontdekte hij bijvoorbeeld, dat hij, sprekend over de gevleugelde schepselen in Genesis, vergeten had de sprinkhanen te noemen. Ook rangschikte hij zijn werken in een chronologische volgorde en gaf hij aan hoe de beginwoorden luidden. Dat hij zich tot deze "Nalezingen" zette, had twee redenen: hij begreep, dat na zijn dood zijn geschriften zouden worden gelezen én anderen spoorden hem tot die herziening aan.

Intussen braken er roerige tijden aan. De Vandalen, een groep Germaanse stammen, afkomstig uit het Oostzeegebied, staken in 429 via Spanje over naar Noord-Afrika waar zij, sporen van vernieling en verwoesting achterlatend, in oostelijke richting oprukten. Veel mensen sloegen op de vlucht om elders een goed heenkomen te zoeken. Ook werden veel geestelijken vermoord en werden kerkgebouwen leeggeroofd en in brand gestoken.
De gevolgen hiervan waren ook in Hippo Regius merkbaar. Heel wat Romeinse burgers en geestelijken hadden hun toevlucht genomen binnen de muren van de stad. In die dagen preekte Augustinus vaak voor een volle kerk waar welgestelden en bedelaars elkaar ontmoetten.

In augustus 430, drie á vier maanden vóór zijn overlijden, kwam de bisschop ziek te bed te leggen, met hoge koorts. Geveld door zijn laatste ziekte, wilde hij alleen zijn. Dat moet ons temeer opvallen, omdat hij altijd mensen om zich heen had en om zich heen wílde hebben. Zijn biograaf en vriend Possidius, de bisschop van Calama, die óók naar Hippo Regius was gevlucht, geeft het einde van Augustinus aldus weer: "Nu had Augustinus in zijn lange leven, dat hem door God geschonken was tot het welzijn en het geluk van de heilige katholieke Kerk - want hij leefde 76 jaar, waarvan ongeveer 40 als geestelijke of als bisschop - herhaaldelijk in vertrouwelijke gesprekken tot ons gezegd, dat na het ontvangen van de doop ook prijzenswaardige christenen en bisschoppen dit leven niet mochten verlaten zonder een waardige en passende boetedoening. Ook hijzelf heeft boete gedaan tijdens zijn laatste ziekte waaraan hij overleden is. Want hij had verzocht, dat de boetepsalmen van David, die niet zo talrijk zijn, voor hem op grote bladen zouden worden overgeschreven. Deze had hij aan de wand van zijn kamer laten bevestigen, en liggend in zijn bed, kon hij ze in de dagen van zijn ziekte zien. Hij las ze en weende daarbij veel en onophoudelijk. Opdat zijn aandacht door niemand zou worden afgeleid, vroeg hij, ongeveer tien dagen vóór zijn heengaan, aan ons, die bij hem waren, dat niemand bij hem zou komen, behalve op de tijden waarop de dokters kwamen om hem te onderzoeken, of wanneer men hem eten bracht.
Daaraan heeft men zich gehouden en zo is het ook gebeurd. En al die tijd bracht hij door in gebed" (Vita Aug. 31). Hij had dus berouw over zijn zonden, want hij wist, dat hij niet alleen in zijn jeugdjaren zonden had bedreven, maar ook tijdens de jaren, dat hij bisschop was geweest. In het bijzonder kende hij de verzoekingen van het vlees en van de zintuigen waarover hij schreef in het tiende boek van zijn "Belijdenissen" (Confessiones).

Op 28 augustus van het jaar 430 overleed hij, met een helder gezichtsvermogen en nog goed van gehoor. Dezelfde dag nog werd hij begraven.

Een jaar later lag Hippo Regius er eenzaam en verlaten bij, gedeeltelijk platgebrand door de Vandalen. Als door een wonder was Augustinus' bibliotheek gespaard gebleven. Na zijn "Nalezingen" had hij nog diverse werken geschreven. Hij stierf als een arme. Er was geen testament. Het enige, dat hij naliet, was een rijkdom aan geschriften, preken en brieven over uiteenlopende onderwerpen. Hieronder waren er ook, die door hemzelf waren gedicteerd aan stenografen door wie ze daarna waren uitgewerkt, terwijl ze in veel gevallen ook nog door hem waren nagezien en zo nodig verbeterd.
Possidius, die een volledig overzicht gaf van Augustinus' werken, zegt: "Zó omvangrijk is wat hij heeft gedicteerd en uitgegeven, en zó omvangrijk wat hij in de kerk heeft uiteengezet en is aangehoord en nadien verbeterd, dat iemand, die zich daarin wil verdiepen, er nauwelijks in zal slagen dit alles te lezen en te kennen. Deze boeken en preken waren ófwel tegen ketters gericht, ófwel bedoeld als uitleg van de boeken van de Heilige Schrift om het geloof van de leden van de Kerk op te bouwen" (Vita Aug. 18).

Toen Augustinus stierf, had hij, sinds hij in 391 zijn ambtswerk in Hippo Regius begon, geen andere vakantie gehad dan enkele keren een noodgedwongen ziekteverlof.