Terug naar Ecclesianet.nl

De Heer is waarlijk opgestaan - de betekenis van het lege graf

Dr. H. Klink, Ecclesia nr. 7, maart 2002

Op donderdag 14 maart 2002 promoveerde in Utrecht dr. Harmen Jansen op een proefschrift getiteld: Door Simon gezien.
Aanleiding tot het schrijven van zijn proefschrift is de commotie die in 1989 ontstond, toen de toenmalige theoloog F.O. van Gennep de geruchtmakende uitspraak deed dat de prediking van de lichamelijke opstanding van Jezus ‘onjuist, onoverdraagbaar en aanvechtbaar’ is. Wel beleed hij te geloven in ‘het beslissende van Gods initiatief’ en de ‘continuïteit van de persoon bij God’.
De opmerkingen van Van Gennep leidden tot veel opschudding in de Nederlandse Hervormde Kerk. Hierdoor is dr. Jansen op het spoor gebracht van zijn onderzoek: “Toen Van Gennep zei dat er geen lichamelijke opstanding was, schrok ik daar niet van. Ik dacht toen: Maar dat wisten we toch al.“ Welnu, dit proefschrift is vanuit deze vanzelfsprekendheid geschreven. Dat Jezus niet lichamelijk is opgestaan, staat voor dr. Jansen vast. Hij wil zich in zijn proefschrift alleen kwijten van de taak om als theoloog uit te leggen in welk opzicht er toch sprake is van een - weliswaar niet-lichamelijke - ‘opstanding’ van Christus en welke betekenis deze heeft voor de gemeente en de wereld.

Ik wil niet al te uitvoerig ingaan op dit proefschrift, maar als predikant van de Nederlandse Hervormde Kerk wil ik wel kwijt dat ik het ongehoord acht, dat er in onze kerk predikanten zijn, die vrijuit deze visie mogen verkondigen!

Om het ergerniswekkende en eigenlijk onwetenschappelijke, zelfs achterhaalde van het standpunt van dr. Jansen in het licht te stellen, kan ik niet beter doen dan verwijzen naar een artikel van de internationaal gerenommeerde theoloog Prof. dr. Martin Hengel uit Tübingen en naar een geschrift van zijn collega ter plaatse prof. dr. Peter Stuhlmacher. Het artikel van Hengel is de weergave van een redevoering die hij hield tijdens het vierde symposium dat vanwege de universiteiten van Durham en Tübingen in september 1999 gehouden werd. Deze werd in 2001 opgenomen in de bundel Auferstehung - Ressurection, onder de titel: Das Begräbnis Jesu bei Paulus. Het geschrift van Stuhlmacher kwam uit in 1998 en is getiteld: Was geschah auf Golgotha?

Wat gebeurde op Golgotha? - een bezoek aan Jeruzalem
Om met het laatste boek te beginnen: Stuhlmacher schreef dit boekje na het verschijnen van een studie van dr. Gerd Lüdemann over de opstanding van Jezus. Deze studie werd uitvoerig besproken in het Duitse weekblad Der Spiegel. Ook Lüdemann betoogt dat het een uitgemaakte zaak is dat wij niet meer kunnen geloven in de lichamelijke opstanding van Christus. Hij is de Duitse evenknie van prof. Van Gennep.
Het bewuste artikel maakte veel los. Het kreeg bijval, maar het wekte ook verontwaardiging. Onder andere bij Peter Stuhlmacher. De vanzelfsprekende toon die Lüdemann aansloeg, moet getuige het boekje van Stuhlmacher, deze laatste zeer gestoord hebben. Het moet hem ook geraakt hebben dat via Der Spiegel de gewone man wijs gemaakt werd dat het christelijk geloof zoals dat de eeuwen door gepredikt is, achterhaald is. Uit die verontwaardiging is een boekje geboren dat bestemd is voor de niet-theologisch geschoolde Duitser, waarin Stuhlmacher op tamelijk eenvoudige wijze aangeeft waarom hij als doctor in de theologie zondermeer geloof hecht aan het getuigenis van de Schrift, dat ons voorhoudt: de Heer is waarlijk opgestaan.

Stuhlmacher vertelt in zijn woord vooraf, dat hij er de gewoonte op na houdt om met predikanten en studenten in de theologie zo nu en dan Jeruzalem te bezoeken. Hij doet dit omdat de ervaring hem geleerd heeft dat predikanten en studenten door dit bezoek onder de indruk komen van de feitelijk juiste voorlichting die de evangelisten geven over het gebeuren rondom Jezus’ gevangenneming, veroordeling, dood en….opstanding!
Hij vertelt dat archeologische vondsten van de afgelopen decennia het ons mogelijk maken om precies de weg te traceren die Jezus gegaan is vanaf het verraad in Gethsemané tot aan de kruisiging op Golgotha, ja tot aan de graflegging in het graf van Jozef van Arimathea. Ik citeer: “Alle deelnemers waren zeer onder de indruk van het feit dat de plaatsen waar Jezus tijdens zijn laatste verblijf in de heilige stad was, ook vandaag nog te bezoeken zijn. Het is zo dat recente opgravingen bij de plaats van het tempelcomplex en in de bovenstad van Jeruzalem ons onverwachte vondsten opleveren, zoals de ontdekking van het graf met de doodskist met beenderen van de hogepriester Kajafas, de grafkerk, en de resten van de antieke stadsmuur. Deze maken het ons mogelijk om de plaatsen en wegen na te gaan, die Jezus vanaf Palmzondag tot aan Goede Vrijdag gegaan is.“ Stuhlmacher neemt ons in zijn boek als het ware mee van Bethanië, via de trappen door de Dubbele Poort naar de Koninklijke Zuilengangen op het tempelcomplex. Vandaar ging Jezus naar de opperzaal op de huidige berg Sion, om vervolgens de nacht door te brengen in de tuin Gethsemané. Daar vond de gevangenneming plaats. Via het paleis van Kajafas en het paleis van Pilatus (van beide paleizen zijn de fundamenten opgegraven) ging het door de Tuinpoort naar de rotsheuvel Golgotha, “die onmiddellijk voor de stad lag.“ Stuhlmacher vervolgt: “Daar vond de terechtstelling plaats.“ “Na Jezus’ onverwacht snelle dood heeft Jozef van Arimathea gevraagd om zijn lichaam en dat in zijn eigen rotsgraf bijgezet, dat op een steenworp afstand van Golgotha lag. Die grafkerk in Jeruzalem omvat vandaag de dag dit rotsgraf en de Golgotharots.“
Stuhlmacher verbindt aan zijn bevindingen deze conclusie: “Wie de berichten van de vier evangelisten over Jezus’ lijden en graflegging leest, kan ze in Jeruzalem letterlijk na-gaan en de ontdekking doen, die ook voor het thema van de opstanding van groot belang is: in de bijbelse berichten over Jezus’ lijden hebben we het niet te doen met late christelijke ficties, maar om overleveringen, die tot aan de opgave van plaatsen toe treffend juist zijn.
Onder deze omstandigheden mogen of moeten wij ervan uitgaan, dat ook de verhalen over het graf en de opstanding ons betrouwbare berichten bieden. Het gaat daarom niet aan om met betrekking tot deze verhalen onmiddellijk te vragen wat wij er vandaag nog mee kunnen beginnen. In plaats van ons de teksten op die manier toe te eigenen, moeten wij proberen ons met deze berichten zien te verstaan, en wel als vrouwen en mannen, voor wie ze precies zo neergeschreven zijn als voor vroegere generaties….“

Het graf van Jozef van Arimathea
Van groot belang acht Stuhlmacher hetgeen de evangelisten ons berichten over het graf van Jozef van Arimathea. Het graf is sinds enkele decennia met zekerheid te lokaliseren: het bevindt zich vlak bij de toenmalige stadspoort. Het is van belang te constateren dat het op een steenworp afstand lag van de oude stadsmuur, omdat van dit graf enkele dagen na Goede Vrijdag gezegd werd dat leeg was!!
Er zijn er die dit ontkennen. Zij beweren dat de eerste discipelen zich troostten met de gedachte dat de dood Jezus’ zaak niet ongedaan kon maken. De ervaring van deze ‘ontdekking’ was zo overweldigend dat zij vanaf dat moment gingen verkondigen dat Jezus leeft.
Stuhlmacher stelt: “Deze verklaring kan voor sommige moderne mensen afdoende schijnen, historisch gezien is ze volstrekt onjuist. Ondanks de vernielingen die er aangericht zijn in 135 na Christus door keizer Hadrianus, die de christenen zeer vijandig gezind was, werden onlangs onomstotelijk in de rotsen van de grafkerk de resten gevonden van een graf. Deze vondsten maken de kritiek op de evangelieberichten zeer twijfelachtig. Niet alleen vrouwen, maar ook de discipelen, de latere apostelen, getuigden van het lege graf, een graf dat zó dicht bij de pas blootgelegde stadsmuur van het toenmalige Jeruzalem lag dat iedereen het kon bezoeken, om zich te vergewissen of het leeg was of niet!

De kritiek van Stuhlmacher komt hierop neer dat Lüdemann aan de zeer vroege tradities van het lege graf en aan de archeologische opgravingen op een verbijsterende manier voorbijgaat. En dát terwijl zelfs de Baedeker er melding van maakt!

Martin Hengel en 1 Korinthe 15
Niet alleen voor de evangelisten is het lege graf als ondersteuning van de boodschap van Pasen van belang geweest. Dat geldt ook voor de apostel Paulus. In 1 Korinthiërs 15 spreekt de apostel over het evangelie dat hij ontvangen heeft. Hij moet daarbij het oog gehad hebben op het moment van zijn bekering, die ‘slechts’ tussen 18 maanden en drie jaar na Christus’ opstanding plaatsvond. Dit evangelie heeft hij vanaf dat moment gepredikt. Het is door hem ook aan de Korinthiërs gebracht (50 na Christus). In zijn evangelieverkondiging, zo vertelt Paulus, maakt hij melding van Jezus’ sterven en opstanding, maar ook van de graflegging:

Want voor alle dingen heb ik u overgeleverd wat ik ook ontvangen heb (Paulus sluit zich dus aan bij de vroegste traditie van de christenen, bij wie hij zich aansloot in Damascus H.K.):
Christus is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften
En Hij is begraven
En ten derde dage opgewekt naar de Schriften
En Hij is verschenen aan Cephas, daarna aan de twaalven
Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk….

Paulus maakte door zijn prediking de Korinthiërs dus niet alleen bekend met Jezus’ sterven en opstanding, maar ook met het feit dat Hij begraven is!! Waarom wil hij hen ook dit feit inscherpen? Ook in de 12 artikelen is de belijdenis “gekruisigd, gestorven en begraven….“ opgenomen. Wat is daar de reden van? Waarom hechtte men waarde aan dit gegeven, dat Jezus in de graf van Jozef van Arimathea begraven werd? De catechismus zegt: omdat daarmee aangegeven wordt dat Jezus werkelijk gestorven was (vraag 41 H.C.). Hoe juist ook, dit antwoord kan niet helemaal bevredigen. Er moet meer achter schuil gaan. Het is Martin Hengel, die ons het antwoord geeft. Hij dat doet in een gloedvol betoog, dat, zoals gezegd, vorig jaar gepubliceerd werd. In dit artikel keert Hengel zich op een doorwrochte, wetenschappelijke, maar ook gepassioneerde wijze tegen John Domican Crossan, die in zijn boek The Birth of Christianity zelfs ontkende dat Jezus begraven, laat staan dat Hij opgewekt zou zijn! Daarbij verwijst hij zelfs naar een boek van Hengel over de kruisiging. Hengel keert zich onomwonden tegen de opvattingen van Crossan en noemt diens visie “a-historisch en a-kritisch“ Hengel beroept zich op de boven aangehaalde tekst uit 1 Korinthiërs 15 en stelt de vraag die wij zojuist formuleerden: waarom behoorde het tot het oudste christelijke getuigenis dat Jezus begraven was? Waarom wilde Paulus dit de gemeente “inscherpen“?
Hij antwoord: “zeker niet alleen om de realiteit van Jezus’ dood te onderstrepen.“ Het ‘en begraven’ is ook verbonden met wat er volgt: en is opgestaan. Het getuigenis dat Hij begraven is heeft volgens Hengel “een brugfunctie.“ “De begrafenis van Jezus vormt de noodzakelijke voorwaarde van de uitspraak dat Jezus is opgestaan. Zij heeft dus betrekking op de werkelijkheid van de opstanding.“ Met andere woorden, om de lichamelijkheid van de opstanding te onderstrepen, wordt er in het vroegste christelijke getuigenis beleden dat Jezus begraven werd!
De verwijzing naar Jezus’ begrafenis maakte deel uit van Paulus’ prediking. Hij spreekt in 1 Korinthiërs 15 overeenkomstig die prediking en spreekt over Jezus’ begrafenis als een “onbetwistbaar feit, dat als feit van groot belang is, omdat het de voorwaarde vormt voor het te voorschijn komen uit het graf!“

Door de woorden ‘en begraven’ wordt het aldus Hengel de onderlegde Joden en Grieken bovendien de pas afgesneden en wordt het hun onmogelijk gemaakt om de opstanding te zien als een louter ‘geestelijke’, niet-lichamelijke gebeurtenis. Joden en Grieken konden evenals Bultmann en Van Gennep nog wel aanvaarden dat iemand na zijn sterven in de hemel opgenomen werd en daar verder leefde en hier vereerd werd en inspirerend werkte! Maar dat Hij begraven is …en toen opgestaan uit het dood en graf … dát konden zij niet aanvaarden. Maar juist dat verkondigt Paulus.

Nog meer historische argumenten draagt Hengel aan, die duidelijk maken dat de opstanding in Jezus’ tijd alleen als lichamelijke opstanding verstaan kon worden. Vervolgens komt hij tot zijn belangrijkste conclusie: “Als het in deze vroegste tijd mogelijk geweest was, om het lichaam van de Gekruisigde uit één van de graven in Jeruzalem te laten zien, zou de gehele verkondiging van de discipelen als bedrog ontmaskerd zijn.“ Dan waren zij heel gemakkelijk als ‘valse getuigen’ ontmaskerd.

Hengel stelt: De vijanden van het Evangelie konden zich echter niet verweren door te wijzen op het graf dat het lichaam van Christus herbergde. Zij konden vanaf het begin het lege graf niet ontkennen. Zij konden alleen maar reageren door het gerucht te verspreiden dat het lichaam gestolen was. Want dat het graf leeg was, was een onmiskenbaar feit. Nergens in de overlevering, aldus Hengel, vinden we ook maar één opmerking in die richting dat Jezus’ lichaam nog in het graf was. Hengel besluit met te zeggen dat de zogenaamde ontmythologisering (dat wil zeggen dat het evangelie van mythische bestanddelen gereinigd moet worden) bij de theologen die hij bestrijdt al te vaak uitloopt op eliminering: verwijdering van de heilsfeiten.

Tot slot
Hoe belangrijk het getuigenis van het lege graf is, kan het volgende illustreren. Laatst sprak ik iemand die erg veel belangstelling heeft voor de oosterse godsdiensten: boeddhisme en hindoeïsme. Hij zei wel in de opstanding van Christus te geloven. Waarom niet: ook in het oosterse landen (Tibet) zien sommige mensen werkelijk op bepaalde momenten verschijningen, zo hield hij me voor. Ik zei hem: toch hebben we het niet over hetzelfde. Hij vroeg me waarom niet. Ik antwoordde: “Een vraag die dat helder kan maken: gelooft u ook in het lege graf?“ Nee, zei hij na enig nadenken, dát kan ik niet aanvaarden. Ik wel… zei ik, daar ligt de crux - want het lege graf legt getuigenis af van het feit dat Jezus lichamelijk is opgestaan!

Dat verklaart waarom Martin Hengel en Peter Stuhlmacher en met hen velen meer zoveel waarde hechten aan de archeologische vondsten en op de vroege overlevering onder andere bij Paulus. Dit verklaart waarom zij als hoogleraren het volk en predikanten, die elke zondag in de gemeente preken, willen bereiken. Zij voelen: hierbij is het christelijk geloof, de kerk in het geding!
Het zijn voorwaar niet de minsten onder de geleerden in onze tijd! 1 Wie durft dan nog te stellen: lichamelijke opstanding? Dat geloofden we toch allang niet meer! Wie dit beweert, diens houding is eigenlijk ouderwets, 19e eeuws (Strauss, begin 20e eeuws, Bultmann), onkerkelijk, ja….wellicht nog te zacht uitgedrukt: diens houding is ondermijnt het christelijk geloof, omdat het de hoeksteen ervan wegneemt!

1) Ik voeg hieraan toe dat iemand als de (nota bene Joodse) geleerde en archeoloog David Flusser in zijn boek "De laatste dagen van Jezus" tot beschaming van veel christelijke theologen schrijft:

"We zijn aangekomen bij de berichten over de opstanding. Over deze berichten en over het lege graf is al veel geschreven, omdat deze gebeurtenissen voor het christelijk geloof van groot belang zijn geworden. Weliswaar zijn er veel christelijke onderzoekers, die de historiciteit van deze schilderingen (van de evangeliën) ontkennen. Ik geloof, dat er aan een historische kern van deze berichten niet te twijfelen valt…"

Over het verhaal dat het lichaam gestolen was, zegt hij: "Ik ben ervan overtuigd dat dit verhaal gezien moet worden als een polemisch antwoord op het gerucht van het lege graf en dat het geen enkel verdere onderzoek verdient."