Terug naar Ecclesianet.nl

De dood van onze zoon

Voor het blad 'Confessioneel' van de Confessionele Vereniging schreef ds. M.J. Aarents te Ommen voor de rubriek 'Dit houdt mij bezig'. Deze rubriek behelst een serie artikelen waarin schrijvers openhartig vertellen van hun vreugden en/of zorgen over Nederland, over de hervormde kerk en over geloven in deze tijd. Ds. Aarents' bijdrage geven we graag door aan de lezers van 'Ecclesia'. Ds. Aarents is immers lid van het bestuur van de Stichting Vrienden van dr. H. F. Kohlbrugge geweest en ook mederedacteur van Ecclesia.

Ds. M.J. Aarents, eccclesia nr. 23, november 2002

In de toelichting (…) staat dat het de bedoeling is openhartig te vertellen ook over geloven in deze tijd. Welnu, zo mag het dan zijn in de volgende regels. Het mag er over gaan hoe je het in het geloof tracht te verwerken als een kind je door de dood ontvalt. Want dat is mijn vrouw en mij overkomen, nu een klein jaar geleden. Het valt mij zwaar erover te schrijven.
Misschien echter kan ik er anderen mee helpen. En die laatste overweging gaf voor mij de doorslag. Zo zou onze overleden zoon het zelf ook hebben gewild.

Als een kind je door de dood ontvalt wordt je gehele leven er door getekend en veranderd. Mijn vrouw en ik zeggen het dikwijls tegen elkaar: "Het zal nooit meer worden wat het was."
Dat zullen we moeten aanvaarden. We moeten niet trachten ons daar tegen te verzetten. Soms gebeurt dat laatste. We horen het wel eens van ouders, die de naam van hun overleden kind niet meer over hun lippen kunnen krijgen. Door te zwijgen menen ze de dood van hun kind te moeten verwerken. Maar juist door dat zwijgen blijft het schokkende van de dood van hun kind angstaanjagend groot aanwezig. Spreek erover met elkaar en ook met de overige kinderen, indien ze je gegeven zijn. Want zo kan het overleden kind in ons gezin zijn plaats blijven innemen; een plaats van geheel eigen aard weliswaar, maar toch: zijn plaats.
Wanneer mijn vrouw en ik mensen ontmoeten met wie wij nog niet eerder in aanraking zijn geweest en zij ons vragen of wij kinderen hebben, antwoorden wij: 'Ja, wij hebben twee zoons, waarvan één ons door de dood is voorgegaan.'

Spreek erover. Maar laat dat dan een spreken zijn waaraan een grondslag is gegeven. Ik schrijf deze regels voor 'Confessioneel'. Dat betekent niet anders dan dat ik mij in mijn denken en dus ook in mijn schrijven over mijn denken laat leiden door de confessie van onze kerk: de belijdenis van ons geloof. En dat wil niet anders zeggen dan dat wij in ons verdriet ons oor te luisteren leggen naar wat de Here God ons in Zijn heilig Woord wil zeggen.

Wij laten ons troosten
In de overlijdensannonce, die wij samen met onze andere zoon en diens gezin lieten verschijnen, zeggen wij: 'De smart van de scheiding is groot, maar wij laten ons door Gods rijke beloften troosten'. Van die rijke beloften vormen de Kruisdood en Opstanding uit de doden van onze Here en Heiland Jezus Christus het middelpunt. Ook voor onze overleden zoon heeft de Heiland het verlossingswerk volbracht. Daardoor mogen wij de zekerheid hebben dat hij eenmaal de Heiland, de Eerstgeborene uit de doden, in Diens opstanding mag volgen en dat hij reeds nu, opgenomen tot Christus, de volkomen zaligheid mag bezitten.
Dat weten van het geloof schenkt troost. Het gaat daarbij niet om vage vermoedens van onze kant, waarvan we maar moeten afwachten of ze werkelijkheid zijn, maar het gaat om heilsfeiten die zijn geschied. Het kruis heeft op Golgotha gestaan en het graf in de hof van Jozef van Arimathea is leeg bevonden. Die feiten geven ons nu troost: kracht om de smart van het nu van hem in het aardse leven gescheiden te zijn, te dragen. Neen, de smart wordt niet weggenomen, maar de troost schenkt kracht om met de smart in het leven voort te gaan. Door het geloof worden wij niet onkundig gelaten wat betreft hen die ontslapen, opdat wij niet bedroefd zijn zoals de andere mensen, die geen hoop hebben (1 Thess. 4: 13). Wel bedroefd door de scheiding, die de dood in het aardse leven met zich meebrengt, maar niet hopeloos bedroefd. Zo geven Gods beloften ons troost en wijzen zij ons de richting aan, die wij in onze droefheid mogen gaan.

Moeilijke vragen
Natuurlijk zijn er ook vragen. Waarom moest onze zoon reeds op zesenveertig jarige leeftijd sterven? Waarom moeten zijn nog jonge vrouw en hun tienjarig dochtertje nu zonder hem verder? Waarom moest die ziekte van hart en bloed, waarvan wij meenden dat zij overwonnen was, na jaren plotseling in alle hevigheid terugkomen en onze zoon noodlottig worden?
Waarom leef ik, zijn vader, vijfenzeventig jaren oud en ook een zware hartoperatie achter de rug hebbend, nu nog na een menselijkerwijs gesproken voltooid leven en moest hij, van wie nog zoveel verwacht mocht worden, heengaan? Zonder het weten van het geloof zijn dit vragen die opstandig kunnen maken. Maar ook hier mogen wij ons door Gods beloften laten leiden. Gods woord leert ons wie wij zijn en ook wat wij zijn.

Wij maken deel uit van de schepping. Maar van die schepping geldt dat zij in al haar delen zucht en in barensnood is (Rom. 8: 22). Als ons leven volmaakt zou zijn, zou het gekenmerkt zijn door een voortdurende ademhaling. Maar het is onvolmaakt, het is in nood en daardoor is het zuchten, dat ook bestaat uit onze onbegrepen ziekten en onbeantwoorde vragen. Maar - en dat kunnen wij alleen door het geloof weten - deze nood is barensnood: hij leidt heen naar de geboorte van een nieuw leven. Het leven van het bevrijd worden van dienstbaarheid aan de vergankelijkheid tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen Gods (Rom. 8: 21). Zo wordt ons dus ook, als wij ons oor maar te luisteren leggen, in ons vragen de weg gewezen. Opdat wij niet in een zinloze opstandigheid zullen vastlopen, maar doorzicht zullen ontvangen in het leven van onze overleden zoon, die in geloof in zijn Here en Heiland is heengegaan. Uitzicht op de heerlijke toekomst van onze eigen levens, die nu nog door zoveel verdriet worden getekend, maar op weg mogen zijn naar die plaats waar de dood niet meer zal zijn en God Zelf alle tranen van onze ogen zal afwissen (Openb. 21: 4).
Dat is het wat mij en natuurlijk ook mijn vrouw, nu bezighoudt na wat ons is overkomen. Ik hoop dat ik heb laten zien dat wij ons ook in het jaar 2002 door ons geloof kunnen laten troosten omdat ook dit jaar een jaar des Heren is. Een jaar van Hem, Die tot ons heil alles heeft volbracht.