Terug naar Ecclesianet.nl

De derde vraag

Ds. L.J. Geluk, Rotterdam

Het zijn nog maar weinig weken of de Kerk viert weer het glorierijke Paasfeest, nadat zij in de geest haar Heer en Heiland heeft gevolgd op Zijn gang naar Gethsemané en Golgotha. In vele kerkelijke gemeenten in Nederland wordt op de zondag vóór Pasen, “het wijdluftig sacrament van de Palmzondag“ gevierd. Neen, deze ironische karakteristiek van de openbare geloofsbelijdenis is niet van mij. Ik zou haar niet hebben kunnen bedenken en evenmin durven hanteren. Zij is van ds. H.J. de Groot, de Kohlbruggiaanse dominee die vele jaren de Hervormde Gemeente van Voorst heeft gediend en in de jaren dertig van de vorige eeuw bekend werd onder andere door zijn Schaap en bok in één hok en zijn Onder de bekoring van Kohlbrugge en zijn vrienden.

      Hij verzette zich tegen de nadruk die in zijn dagen soms al werd gelegd op het afleggen van de geloofsbelijdenis, omdat het menselijke jawoord het jawoord van God, Zijn beloften die in de Doop verzegeld werden, in de schaduw dreigt te stellen. Wanneer het er in het leven op aan komt, kunnen wij immers niet op óns jawoord terugvallen, maar wel op Gods jawoord dat Hij in Christus tot ons heeft gesproken.

     De tijd heeft niet stilgestaan. Het aantal belijdenis-catechisanten is sterk afgenomen, nieuwe gebruiken zijn in vele gemeenten ingevoerd. Daarbij behoort bijvoorbeeld dat de predikant die de (jonge) belijder (confirmand) de belijdenis afneemt, na het gegeven jawoord vraagt neer te knielen, waarna hij hem/haar de handen oplegt en woorden ter bevestiging van Gods belofte spreekt. Daar dient het dan wel om te gaan, dat Gods belofte van genade en trouw, reeds in de Heilige Doop geschonken, wordt herhaald en in dit uur bevestigd. Zelf ben ik nooit gewend geweest de belijdenis van het geloof op deze wijze vorm te geven, maar ik acht het mogelijk dit aldus op een verantwoorde wijze te doen, wanneer men voor zichzelf een duidelijk zicht heeft op de bijbelse betekenis van de handoplegging en zich daarvoor kan verantwoorden.

 

Overigens is de openbare geloofsbelijdenis in de kerken van de Reformatie nog geen oud gebruik. Enkele eeuwen lang werd de belijdenis niet in de eredienst afgelegd, maar in een “gesprek“ tussen predikant en zijn catechisant(en), soms in aanwezigheid van een ouderling. Er werden wel vragen gesteld, belijdenisvragen, en beantwoord. Daarop kreeg de catechisant, nu “lidmaat“ geworden, toegang tot het Heilig Avondmaal. Eerst in 1816 is dit veranderd. Toen werd dit gebeuren verlegd naar de kerkdienst, om daar dus in de loop van kleine twee eeuwen uit te groeien tot de plechtigheid zoals die nu wordt gekend.

 

Hoe verleidelijk het ook is om veel meer te vertellen uit de geschiedenis, het gaat me nu om de derde vraag, die in veel eertijds Hervormde gemeenten werd gesteld, en nu, in de meeste gemeenten voor het eerst, gesteld kan worden in het raam van de Protestantse Kerk in Nederland. Met deze derde vraag is namelijk iets aan de hand. Het bijzondere van die derde vraag was dat daarin de naam van de Nederlandse Hervormde Kerk werd genoemd. In de Gereformeerde Kerken was dat niet het geval. Die kenden een viertal vragen, waarin de naam van het kerkverband niet voorkomt. Ook bij andere kerken van Gereformeerde Confessie ontbreekt de naam van het kerkverband. Bij de Evangelisch Luthersen eveneens.

     Hoe is dat zo gekomen? Zolang in de Hervormde Kerk de Algemeene Reglementen van kracht waren (van 1816 tot 1945/1951), was de tekst van de belijdenisvragen kerkordelijk vastgelegd. In het Reglement op het Godsdienstonderwijs, in art. 39, luidde de derde vraag die aan de belijdeniscatechisant werd gesteld: “Belooft gij, tot den bloei van het Godsrijk in het algemeen en van de Nederlandsche Hervormde kerk in het bijzonder, met opvolging van hare verordeningen, naar uw vermogen volijverig mede te werken?“

      Tegen deze vraag is in de loop van de tijd wel veel gemurmureerd, maar zij bleef staan tot 1 mei 1951 de Kerkorde van kracht werd. Daarin was echter geen formulering van de belijdenisvragen meer te vinden! Alleen werd bepaald dat “zij, die door de kerkeraad tot de openbare belijdenis des geloofs zijn toegelaten, [] in een kerkdienst, bij voorkeur op Palmzondag, onder de belijdende leden [worden] opgenomen, met gebruikmaking van een daartoe bestemd formulier uit het dienstboek der Kerk …“. De Palmzondag werd nu uitdrukkelijk genoemd. Dat was in het Reglement niet het geval, maar blijkbaar inmiddels gebruik geworden. Maar dit terzijde.

     In de Kerkorde van 1951 ontbraken dus de belijdenisvragen, ontbrak dus wát de Kerk verwachtte wat de confirmanden in de belijdenisdienst zouden belijden. Niets dus over de inhoud van het te belijden en beleden geloof. Volstaan werd met het noemen van het formulier uit het Dienstboek, waarin de te stellen vragen opgenomen zouden zijn. Maar in 1951 bestond nog geen Dienstboek. Het verscheen eerst in 1955 als een Dienstboek-in-ontwerp. Het had nog geen ‘wetskracht’, het was slechts een ‘voorstel’.

     Als een gevolg van de verdeeldheid van de Hervormde Kerk en haar geestelijke armoede heeft het Dienstboek nooit een officiële status gekregen. Het bleef tot de huidige dag een ‘ontwerp’, met als gevolg dat ook nimmer officiële, kerkelijk vastgestelde belijdenisvragen zijn geformuleerd, hoewel daar direct aan moet worden toegevoegd, dat de vragen van het formulier-in-ontwerp voor de belijdenisdienst in heel veel gemeenten aan de confirmanden werden gesteld, met daarin als derde vraag: “Wilt gij, in de gemeenschap der Nederlandse Hervormde Kerk en onder haar opzicht, getrouw zijn onder de bediening van het Woord en van de sacramenten, volharden in het gebed en in het lezen van de heilige Schrift en naar de u geschonken gaven medewerken aan de opbouw der Gemeente van Christus?“

     Overigens herinnert de formulering van de drie belijdenisvragen uit het Dienstboek-in-ontwerp sterk aan de ‘oude’ tekst, dus die van 1862. Een bijzonderheid is dat de ‘nieuwe’ vragen voor een belangrijk deel teruggaan op een tekst die door gegijzelde Hervormde theologen in het kamp van St. Michielsgestel voor de Kerk van “na de oorlog“ werden geformuleerd

    Wat dus niet veranderd was, was het feit dat de Hervormde Kerk bij haar naam werd genoemd, en dat de confirmanden in het plechtig uur der belijdenis voor Gods aangezicht beloofden in haar gemeenschap te leven, trouw onder de bediening van Woord en sacrament. Omdat geen kerkelijk aanvaard Dienstboek bestond en de Kerkorde geen belijdenisvragen had opgenomen, was overigens iedere gemeente in feite vrij in hetgeen de kerkenraad bij monde van de predikant aan de confirmanden vroeg te belijden. Dat waren - zoals gezegd - in de praktijk heel dikwijls de vragen uit het ontworpen Dienstboek, maar soms werden nog de vragen van Gijsbertus Voetius of totaal andere gesteld. Maar het voert te ver om nu daarop in te gaan.

 

Tegen het noemen van de Hervormde Kerk in de belijdenisvragen is wel bezwaar gemaakt. Toch is haar naam in de derde belijdenisvraag blijven staan zolang de Hervormde Kerk bestond. De achterliggende gedachte kan moeilijk een andere zijn dan: deze Kerk is de historische Kerk van Nederland, uit haar is de Nederlandse staat geboren, zij is in dit land een Godsgeschenk, niet door mensen gesticht, niet op een bepaalde datum opgericht, maar uit het Woord van God geboren, zij is de Kerk van het Nederlandse volk. Wie in één van haar gemeenten het geloof in de drie-enige God belijdt, dient ook uit te spreken dat het zijn/haar begeerte is in haar gemeenschap als belijdend christen te leven.

 

Juist voor het einde van 2004 is het tweede deel van een nieuw Dienstboek verschenen,

waarin naast de klassieke formulieren vele nieuwe zijn opgenomen. Deze klassieke formulieren zijn ook afzonderlijk uitgegeven onder de titel Liturgische formulieren uit de Gereformeerde traditie, terwijl het geheel de naam draagt van: Dienstboek - een proeve.

Ook het formulier met vragen uit 1955 vinden wij daarin, nagenoeg ongewijzigd terug. Met enige spanning keek ik naar de derde vraag. Hoe zou deze nú geformuleerd zijn, nadat door “1862“ en “1955“ de Nederlandse Hervormde Kerk daarin met name was genoemd? Ja, inderdaad, daar staat nu in plaats daarvan de Protestantse Kerk in Nederland! Zodat wij daar nu lezen: “Wilt u, in de gemeenschap van de Protestantse Kerk in Nederland en onder haar opzicht, getrouw zijn onder de bediening van het Woord en de sacramenten…“.

 

Of aan deze “vervangingsformule“ een grondige bezinning van hen die voor deze tekst verantwoordelijk zijn, vooraf is gegaan, is mij niet bekend. Maar ik kan mij indenken, dat niet iedere kerkenraad en predikant die voorheen het formulier en de vragen uit 1955 gebruikten, bereid is de naam van de oude kerk nu eenvoudigweg door de naam van het nieuwe kerkverband te vervangen, omdat zij de verschillen tussen die beide te groot vinden.

Misschien brengen zij een wijziging aan, in deze trant: “Wilt u in de gemeenschap van de Kerk der eeuwen en in verbondenheid met de gemeente alhier, u stellen onder haar herderlijk opzicht en getrouw zijn onder de bediening van het Woord en de sacramenten, volharden in het gebed en het lezen van de Heilige Schrift, en wilt u met de u geschonken gaven meewerken aan de opbouw van de gemeente van Christus?“ Wat ook is veranderd, de vrijheid om belijdenisvragen te formuleren is immers gebleven.