Terug naar Ecclesianet.nl

Bijbels-theologische bezinning op Europa

Dr. H. KLINK, Hoornaar

In de Bijbel speelt het element van volk en volkeren een belangrijke rol. Wie de concordantie openslaat en de vinger legt bij het woord "volk" of "volkeren", die wordt dat in een oogopslag duidelijk. Bij nader inzien blijkt dat het woord volk (in het Hebreeuws 'ara, in het Grieks laos) in het bijzonder gebruikt wordt voor het volk Israël, terwijl met het Hebreeuwse woordje goj (Grieks: ethnos)- een ander volk dan het Israëlitische wordt getypeerd. De meervoudsvorm gojim duidt veelal op "de volkeren" of de "heidenen".

Het eigene van het volk Israël in vergelijking met de volkeren en het hele spectrum van de relatie van dit volk tot de andere volkeren komt al op de eerste bladzijden van de Schrift aan de orde en wel in Genesis 12, waar de roepingsgeschiedenis van Abraham getekend wordt. We bevinden ons dan, in de tijd na de zondvloed, in Mesopotamië.

Het is opvallend dat door de HERE God in deze roepingsgeschiedenis, die het geboorteuur van het volk Israël inluidt, meteen gesproken wordt over het volk dat uit Abraham voort zal komen (het volk Israël) en de wereld der volkeren.

Wie kent niet die tekst: "Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis, naar het land dat Ik u wijzen zal. En Ik zal u tot een groot volk maken en u zegenen en uw naam groot maken; en wees een zegen!" En later heet het: "... in u zullen alle volkeren gezegend worden." Deze belofte wordt in andere bewoordingen herhaald in Genesis 22, waar God aan Abraham belooft: "en in uw nageslacht zullen gezegend worden alle volkeren der aarde...". Op een dergelijke wijze wordt dus de verhouding van wat ooit

het volk Israël zou worden tot de volkeren van het begin af aan bepaald. In dit volk, in het nageslacht van Abraham, zullen de volkeren (ethnoi) zegen ontvangen!

Zo zien we ze naast elkaar: Israël en de volkeren. En zo is als het ware de aanzet gegeven tot een muziekstuk, dat heel veel variaties kent, maar waarvan de in deze verzen aangegeven grondstructuur dezelfde blijft. Geen wonder dat een man als Martin Buber een studie kon schrijven over de thematiek: Das Volk und die Völker - het volk en de volkeren.

Het volk en de volkeren

Das Volk und die Völker - deze thematiek loopt als een rode draad door het gehele Oude Testament. We komen haar tegen in Genesis, in Exodus. We treffen haar aan bij de wetgeving aan Israël zoals die beschreven wordt in Deuteronomium, waarin het eigene van Israëls plaats temidden van de volkeren nog eens extra geaccentueerd wordt. We komen haar tegen in de Psalmen en in het bijzonder bij de profeten Jesaja en Ezechiël, maar ook bij Amos en Habakuk. De thematiek vormt een belangrijk onderdeel van het Nieuwe Testament, maar eveneens van de latere Oud Testa-menüsche boeken met een apocalyptische inslag. Te denken valt aan sommige passages in Ezechiël, maar zeker ook aan Zacharias, alsook aan de apocalyptische literatuur die tot opbloei komt.in de tussentestamen-taire periode. In het laatste geval moeten we denken aan het boek Daniël, waar de volkeren in hun relatie tot het volk Israël, vanuit het perspectief op de gebeurtenissen in het laatst der dagen ter sprake komen.

Ik sprak zo-even over het Nieuwe Testament. Al in eerste hoofdstukken van sommige Evangeliën komt de kwestie van "het volk en de volkeren" aan de orde. Ik denk dan aan Mattheüs 4, waar over de eerste prediking van de Here Jezus Christus te Nazareth verhaald wordt. In het dorp waar Hij opgroeide wijst de Heiland zijn hoorders erop dat in vroeger dagen verschillende heidenen door Zijn Vader gezegend werden, zoals Naaman de Syriër en de weduwe van Sarfath. En dat in tegenstelling tot de Israëlieten. Daarmee werd de toon van Zijn prediking gezet. In veel gevallen borduurt de prediking van Jezus op dit gegeven door. In Zijn gelijkenissen ziet men aanzetten tot een visie op de verhouding van het volk tot de volkeren, die veel hebben bijgedragen aan de haat die de Here Christus allengs ten deel viel. De wijngaard, waarover u de gelijkenis vindt in Mattheüs 20, is het volk Israël, de gunsten die de HERE God het volk verleende, zullen van het volk worden weggenomen en aan anderen (de heidenen) gegeven worden. In Johannes 10 stelt de Heiland dat er nog andere schapen zijn, die ook toegebracht moeten worden. Zij zijn niet van de stal van Israël. De houding van Jezus tegenover de Grieken is, blijkens Johannes 12, erg open: voordat het Evangelie aan de heidenen gebracht zal worden, voordat de volle aar uit de grond zal ontspruiten, moet het zaad eerst sterven. Maar als dat gebeurd is, zal de aar opschieten en zal het werk dat Zijn Vader Hem gegeven heeft om te doen, over de hele wereld vrucht dragen.

Om profetisch het wereldomvattende van Jezus' werk aan te geven, hangt aan het kruishout een opschrift: "Deze is de koning der Joden". Het is geschreven in het Hebreeuws, het Grieks en het Latijn.

En na de opstanding wordt het wereldomvattende uitzicht van Jezus' volbrachte werk duidelijk in de laatste woorden die Hij sprak voor zijn hemelvaart: "Ga dan heen, onderwijst al de volkeren, hen dopende in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, hen lerende te onderhouden alles wat Ik u geboden heb. En zie Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld." (Mattheüs 28:19 en 20)

Op dit punt komen de lijnen die vanuit het Oude Testament via de profeten en de apocalyptiek getrokken kunnen worden, samen. Hier komt Jezus Christus' prediking tot een climax. En hier komt de belofte van God aan Abraham: "wees tot een zegen voor alle volkeren" op een machtige manier tot vervulling.

Welnu, de draden die daar samenkomen worden tot een patroon geweven in de brieven van de apostelen en met name in het laatste bijbelboek, waar de volkeren expliciet ter sprake komen: het boek Openbaring aan Johannes.

Twee opvallende teksten

Via de geschiedenis van Israël en via het Nieuw Testament komt Gods zegen tot alle volkeren! Vanuit dit perspectief wil ik aan twee teksten extra aandacht schenken. Het gaat me om twee teksten uit Deuteronomium. De eerste is uit Deuteronomium 32: 8 en 9, waar we lezen: "Toen de Allerhoogste aan de volken hun erfenis toedeelde, toen Hij de mensenkinderen van elkaar scheidde, heeft Hij de grenzen der volken vastgesteld naar het aantal der zonen van Israël." De tweede tekst vindt u in Deuteronomium 33: 3. We lezen er: "Aan zijn rechterzijde zagen ze vuurvlammen.".

Enkele eenvoudige conclusies kunnen we verbinden aan de eerste tekst. Voor de bijbelschrijver was het zo dat de grenzen der -volken vastgesteld zijn door God. Dat de verscheidene volkeren ertoe gekomen waren om hun eigen, van andere volkeren afgeperkte gebieden te bewonen en als hun land te beschouwen, vormt een gebeuren dat niet buiten de HERE God omging. Grenzen die door natuurlijke gesteldheid of door oorlog tot stand kwamen, het ontstaan van een samenbindend bewustzijn van volkeren, als gevolg van gezamenlijk doorstane crises, etnische overeenkomst en eenheid van taal; dat alles gaat niet buiten het beleid om van Gods voorzienigheid. Zó moeten we Deuteronomium 32: 8 en 9 lezen.

Nu doet zich het merkwaardige voor dat de boven geciteerde teksten in de Griekse vertaling van het O.T., de Septuaginta, een kleine maar toch veelzeggende wijziging ondergaan. In het Grieks staat dat "God de grenzen van de volkeren vastgesteld heeft naar het getal van de engelen Gods!" En bij de wetgeving op de Sinaï zijn er niet zomaar vuurvlammen, aan Gods rechterzijde, maar zijn het engelen, die Hem begeleiden.

Dat de Griekse tekst zo luidt, vindt zijn verklaring in het feit dat in de hellenistische tijd de gedachte aan de engelen als openbaringsbemiddelaars tot bloei is gekomen! Engelen worden gezien als de hoedsters van de volkeren, die iets van Gods openbaring tot uitdrukking brengen, zodat de volkeren niet als in den blinde door de geschiedenis hoeven te gaan. Er is door toedoen van de engelen enig besef van God aanwezig ook onder de volkeren!

Daniël

Een dergelijke opvatting vindt men ook in het bijbelboek Daniël. Daarbij moet opgemerkt worden dat ook het boek Daniël in de hellenistische periode tot stand gekomen is.

Daniël ziet in één van zijn visioenen dat de engel van de Perzen strijd voert tegen de engel van Israël, Michaël. Ook hier vinden we de gedachte dat elk volk zijn eigen engel heeft.

Deze gedachte is in de eerste eeuwen van de christenheid door kerkvaders breed uitgewerkt. En later hield iemand als Newman het erop dat de engelen een soort tussenwezens zijn, die de volkeren leiden en hun een eigen karakteristiek geven. Deze opvatting is dus verankerd in de Schrift. Door de engelen die hun zorg hebben voor de volkeren, en het leven der volkeren en rijken opstuwen, is het dat er beweging zit in de volkerenwereld.

Typerend in Daniël 10 is dat de engel Michaël zijn strijd voert terwille van het volk Israël en overwint. De volkeren mogen dan hun openbaringsmiddelaars hebben, feit blijft dat Israël het volk is, dat het dichtst bij God staat. Vandaar dat Michaël de vorst der Perzen uiteindelijk verslaat. Feit is, om met Deuteronomium te spreken, dat bij de wetgeving engelen God omgaven om Israël toe te rusten met bijzondere gaven, die men bij andere volkeren zo niet vond.

Nu is het opvallend dat de geschiedenis, dat het beleid dat de HERE God, mede door middel van de engelen, ten opzichte van de volkeren tot uitvoer brengt, een toespitsing krijgt als de Messias komt. Daniël ziet in een visioen dat een door God uitgehou-wen steen de volkeren die zich in zelfvergoding tegen God verheffen, verplettert en zelf de hele ruimte van het dal waarin dit gebeurt, inneemt (Daniël 2). Met andere woorden: door allerlei crises en cataracten heen loopt de geschiedenis uit op Zijn koningschap over alle volkeren.

De volkeren in het Nieuwe Testament

In het Nieuwe Testament wordt deze apocalyptische visie nader uitgewerkt. Spreekt Paulus niet over het feit dat alles onder de gehoorzaamheid en heerschappij van Christus gebracht moet worden (2 Kor. 10:5)? En spreekt de brief aan de Colossenzen niet over de machten en krachten en overheden over wie Jezus heeft getriomfeerd; en zegt de schrijver niet dat alle knie zich zal buigen voor Christus (Col. 2:15)? Lezen we niet in Mattheüs dat Jezus zelf op de Olijfberg, met het oog op de toekomst, spreekt over de verwoesting van de stad Jeruzalem en over het Evangelie dat aan alle volkeren gepredikt moet worden (Matth. 24)? En - om nogmaals te verwijzen naar Mattheüs 28 -spreekt Hij niet: "Gaat dan heen en onderwijst alle volkeren, hen dopende in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest"?

Met een zeker triomfantelijkheid beschrijft Lucas, hoe het Evangelie in zeer korte tijd nadien al in Rome gepredikt wordt evenals in heel "de toenmalige wereld" - de oecumene.

Johannes op Patmos ziet het gebeuren dat "de heerlijkheid en de eer van de volkeren" gebracht worden in het hemelse Jeruzalem (Openbaring 21:26).

Een belangrijke vraag is hoe we deze laatste tekst moeten verstaan. Het is wel zeker dat in de tekst bedoeld wordt: de eigenheid, de karakteristiek van de verscheidene volkeren. De eigenheid van de volkeren, die door middel van het onderwijs van de discipelen en door middel van de doop tot Christus zijn gebracht en onder Zijn beademing zijn gaan leven. Zoals het karakter van een mens door het geloof in Christus omgevormd en geadeld wordt, waardoor hij weliswaar zijn karakter en zijn eigenheid houdt, en tóch anders wordt, zo is dat ook met de volken! Daartoe moet het zaad van het Evangelie op de wereldakker uitgestrooid worden. Het is met dit doel voor ogen dat de Here Christus niet zegt: "Ga heen en onderwijst de mensen", maar "onderwijst de volkeren?'

De blijvende betekenis van de geschiedenis van Israël

De volkeren moeten, aldus Mattheüs 28 onderwezen en gedoopt worden. De vraag is waarin onderwezen? Onderwijs, en doop hangen nauw samen. Het onderwijs dat hier bedoeld wordt, is dooponderricht. Onderricht over die God, die zich heeft geopenbaard in de schepping, in de geschiedenis van Israël en vooral in de Openbaring van Jezus Christus. Langs deze weg zullen alle volkeren gezegend worden. Zo worden de volkeren tot Christus gebracht en komen de beloften aan Abraham gedaan, die een eerste uitwerking kregen in Israëls geschiedenis, tot de volkeren. Het kan niet anders of ook de gebeurtenissen uit de geschiedenis van Israël nemen in het onderwijs dat de volkeren krijgen een bijzondere plaats in. Zij vormden immers een voorbereiding op Zijn komst.

Israëls geschiedenis is dan ook elementair en paradigmatisch, dat wil zeggen: Israëls geschiedenis staat model voor de volkeren. De volkeren worden, naar een woord van Paulus, mede geënt op Israëls geschiedenis. De zegen die Abraham ontving, worden zij op deze wijze mede deelachtig. Door Christus komt deze zegening tot volle bloei en waaiert ze uit over volkeren, die tot dan toe onder de heerschappij van de engelen stonden.

Zo komt de belofte van het Oude Testament die een aanvankelijke vervulling vond in Israël in de volkerenwereld nog méér tot zijn recht en nog méér tot bloei. Wanneer de volkeren gedoopt worden, komen hun karakteristieke eigenschappen pas echt tot vervulling en tot hun recht. Van deze dingen zingen de psalmisten in hun koningspsalmen en profeteert Jesaja.

Nederland, een gedoopte natie

In de afgelopen zomer hield ik voor de Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge een referaat over het thema De vrijmaking van kerk en staat in de Nederlanden. In een van de onderdelen van dit referaat knoopte ik nauw aan bij Simon Schama, die in zijn boek Embarrasment of richess met betrekking tot de Nederlanden een fraaie illustratie geeft van wat ik hier bedoel.

Tijdens de 80-jarige oorlog, die zoals bekend, leidde tot het onstaan van de Nederlanden als een eigen natie, zagen de Nederlanders de gebeurtenissen die zich voordeden veelal in Oud-Testamentisch licht. Op verschillende manieren werden er parallellen getrokken tussen het oude Israël en de lage. landen aan de zee. Dit valt nog af te lezen van oude huizengevels, gravures en prenten enz. Ons volkslied is er een treffend voorbeeld van. Willem van Oranje wordt gezien in termen van het Oude Testament. Hij wordt getypeerd als een Mozes, als een David. De oversteek over de wateren die door veel zuidelijke Nederlanders naar het veilige noorden werd ondernomen, wordt op de preekstoel vergeleken met de tocht van de Israëlieten door de Dode Zee. De Staten worden door Cats aangesproken als: "Gij mannen van Israël".

Het zijn voorbeelden die er niet om liegen en die duidelijk maken dat de enting in het Christelijke geloof met zich meebracht dat men het eigen leven en dat van het volk zag in het licht van het Oude Testament. Zo werd men gedoopt in de belofte die aan Abraham gedaan was - terwijl men een eigen identiteit bezat en verwierf.

Nu wordt tegen dit alles meer dan eens relativerend ingebracht dat men ook in andere landen de parallel van de eigen geschiedenis met die van Israël trok. Er schuilt veel wat waar is in deze opmerking. Schama, die deze tegenwerping kent, merkt daaromtrent op: "nergens was de parallel met het oude Israël zo evident als in de Nederlanden." Ik ben van mening dat Schama gelijk heeft. Zoals Israël ooit uit de wirwar van volkeren, als een klein volk ontstond, en door God geplant werd temidden van de grote volkeren, zo ontstond Nederland uit een religie-oorlog. Als uit het niets geboren: een nieuwe natie ontstond. En het kenmerkende is, dat de protestanten - relatief klein in aantal - het ferment van dit land gingen uitmaken, zodat ons land een protestantse natie genoemd kan worden. Een land dat niet los stond van de andere landen. Dat zich mee bewoog op de' golven van de gebeurtenissen in West Europa. Dat zelf grote invloed uitoefende, doordat het zelf als klein land heel sterk werd en een geweldige bloeiperiode meemaakte. Het drukte, juist vanwege zijn geloofskracht, een stempel op de geschiedenis van Europa en de volkeren!

Zo is Nederland ontstaan. Het werd wel "het tweede Israël" genoemd. Zo kreeg ook hier het zendingsbevel uit Mattheüs 28 handen en voeten!

* Dit artikel vormt het eerste deel van een lezing die gehouden werd op het "Europa-Congres" dat georganiseerd werd door de drie kleine christelijke partijen, op 9 april 1999.