Terug naar Ecclesianet.nl

Bewaar het pand U toevertrouwd

Man en vrouw in een revolutionaire tijd

Drs. Alice Bakker-Osinga, Dordrecht

Na in 1974 lid te zijn geworden van de CHU (Christelijk Historische Unie), omdat ik mij ergerde aan de polarisering onder de ex-gereformeerde, socialistische politicus den Uyl, werd ik in 1978 benoemd als vormingsconsulente voor de CHU in de Kamerkring Dordrecht. Met de al vanaf zijn jonge jaren in de CHU actieve Kamerkringvoorzitter Leo de Snayer uit Vlaardingen belegden wij een viertal vormingsavonden. Op een van deze bijeenkomsten maakte ik voor het eerst kennis met dr. W. Aalders. Zijn voordracht, gehouden in Alblasserdam, maakte diepe indruk op mij. ‘Alles viel op zijn plaats’. Als domineesdochter had ik al heel lang bespeurd dat het met kerk en geloof bergafwaarts ging. Dr. Aalders benadrukte de waarde van de staat als historische, legitieme, stabiele rechtsorde en keerde zich tegen de toenemende vervlechting van overheid en samenleving in onze hoog geïndustrialiseerde en ingewikkelde maatschappij. De staat dreigt speelbal te worden van de politieke partijen in plaats van het algemeen belang voor te staan en gezag uit te stralen.Volgens de cultuurfilosoof en theoloog Aalders gaat het om de eer van God in politiek en maatschappij en niet in de eerste plaats om de wil van het volk, van menselijke mondigheid, vrijheid en glorie.

Het Getuigenis
Aalders verwees in zijn lezing naar het Getuigenis van 1971. Ik zocht dat geschrift later op en las daarin hoe Aalders met een aantal vooraanstaande theologen zich toen al afzette tegen de identificatie van de bijbelse boodschap met linkse, marxistische politieke idealen, die in navolging van de theologie van Karl Barth en anderen, na de schok van de Tweede Wereldoorlog in zwang kwamen.
Als lid van de Stichtingsraad van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA vroeg ik naar een christelijke staatsleer. Over de concrete politieke invulling van de vier kernbegrippen van het Program van Uitgangspunten - gerechtigheid, solidariteit, rentmeesterschap en gespreide verantwoordelijkheid - bleken in de dagelijkse praktijk nog zeer uiteenlopende visies te bestaan. Vanuit reformatorische hoek waren het de professoren Klapwijk en Dengerink die veel stof tot nadenken gaven.
Na de uiteindelijke tot standkoming van het CDA op 11 oktober 1980 had vooral de voormalige KVP (Katholieke Volkspartij) geen zin de door de ‘Bergrede van Aantjes’ in 1978 bijna mislukte fusie weer op te rakelen. Men was blij dat dr. Aalders als Hervormd predikant van gereformeerde huize samen met baron Van Verschuer en de CHU een ‘doorbraak’ mogelijk gemaakt hadden door in het Grondslagrapport van 1978 de Bijbel, of nog beter de Heilige Schrift als basis voor het politiek handelen te stellen. Zo werden uiteenlopende standpunten over geloof en politiek met elkaar verzoend. Ook de vanuit de CHU komende visie op de overheid als ‘dienares van God’ werd geaccepteerd door Katholieken en Gereformeerden. Vanaf 1980 wilde men nu gezamenlijk als CDA voortvarend de toekomst tegemoet gaan.

Nu, anno 2006, blijkt pas hoe jammer het is dat Aalders’ stem daarna in het CDA niet meer is gehoord. Aantjes voert nog steeds het hoogste, kritische woord op partijbijeenkomsten en elders. Maar door de vele boeken die dr. Aalders geschreven heeft, breekt wellicht in onze tijd van grote politieke en morele verwarring de periode aan voor eerherstel van een man met grote talenten. Het WI- rapport ‘Publieke Gerechtigheid’ van de huidige directeur van het Wetenschappelijk Instituut, de socioloog Ab Klink, is enkele jaren later verschenen. Het beantwoordde deels aan de wens van Aalders. Die werd nog een enkele keer gevraagd een artikel voor het CDA-blad te schrijven. Maar toen hij te kritisch was over de lijn van Aantjes en Goudzwaard, werd hij terzijde geschoven. We moesten het toen met een enkele ethicus doen. Het tijdperk van de theologen in de partij scheen voorbij.

Het Gezin
In 1978 veroorzaakte de brochure van het CDA-Vrouwenberaad (avant la lettre) Het Gezin, Samenleven in verantwoordelijkheid veel opschudding in de pers en ook wel een beetje in het CDA-in-oprichting. Een krant noemde het rapport zelfs “buskruit onder het CDA“. Het onderscheid tussen huwelijk en andere duurzame relatievormen wilde men niet meer maken. Er werd aangedrongen op gelijke rechten en plichten. De definitie ‘gezin’ werd opgerekt van ‘Man, vrouw en kind(eren)’ naar allerlei (duurzame) relaties. Vanwege zijn grote kennis van zaken op het gebied van religie en cultuur trad ik in overleg met dr. Aalders. Als vrouw actief in de vrouwenbeweging en als vormingswerker met studentenervaring in het in 1966 communistische Polen, verbaasde ik mij over de mijns inziens marxistische benadering van het gezin. Ik ontving van dominee Aalders een aantal artikelen over ‘man en vrouw’, die voor het CHU-tijdschrift De Nederlander bestemd waren, alsook persoonlijke, vertrouwelijke notities.

Hoezeer zijn deze mij tot zegen geweest in de verwarrende tijd van toen! Te meer daar enkele jaren later de uit de Anti-Revolutionaire hoek afkomstige minister van justitie Job de Ruyter en de staatssecretaris voor Emancipatie Jeltien Kraaijeveld- Wouters ook in de christelijke bejaardenhuizen van de Alblasserwaard en Hoekse Waard de verordening wilden opdringen dat ongehuwde paren samen moesten kunnen wonen. Anders was er sprake van discriminatie. Snel daarna verscheen op de partijraad in 1983 de homo-resolutie. Hiermee doorbrak het CDA partijbestuur de band met het verleden en leek mee te gaan met de in de mode zijnde ‘bevrijdingstheologie’. In een krant stelde ik dat het CDA zo “alle banden met het verleden radicaal wilde doorsnijden. Normen en waarden die eeuwenlang hebben gegolden, worden nu opeens als verouderd bestempeld. Het CDA zal meegaan met de bevrijdingstheologie, wat zal leiden tot een eindeloze betutteling door de overheid van haar onderdanen.“ (Reformatorisch Dagblad 3 november 1983).

Als gevolg van dit standpunt werd ik meteen ontslagen als vormingsconsulente voor het CDA in de Kamerkring Dordrecht. Ik kwam te gepassioneerd op voor huwelijk en gezin. Van een vormingsconsulente werd “meer terughoudendheid“ verwacht. Veel gewone CDA leden waren het echter met mijn argumentatie en stellingname eens. Het kader dacht ‘progressief’ en drukte door. In plaats van het verzet van de CDA basis serieus te nemen, werd toen al de tweespalt op ethisch terrein gecontinueerd waar we in 2006 nog middenin zitten. Moslims en orthodoxe(re) christenen hebben nog steeds moeite met een te grote seksuele vrijheid en met het homohuwelijk. Desondanks werd in 2001 het vrijwel eerste homohuwelijk ter wereld vol trots in Amsterdam gesloten door burgemeester Cohen. Deze was als staatssecretaris kort daarvoor door de paarse kamermeerderheid overreed (of moet men zeggen: hem was opgedragen?) om het homohuwelijk in te voeren. Dezelfde burgemeester stuurde vijf jaar later een brief naar de nieuwe landen van de Europese Unie, in Centraal- en Oost-Europa, waarin hij gayparades en homobeleid onder aandacht van de regering bracht.

Had het CDA begin jaren tachtig van de vorige eeuw de wijdere blik gehad van dr. Aalders, dan was ons in Nederland wellicht veel maatschappelijke onvrede en onrust bespaard gebleven. Het parool Bewaar het pand u toevertrouwd is meer dan ooit van toepassing. Als er vaders zijn, die hun kinderen geen of nauwelijks sturing geven voordat ze de wijde wereld intrekken, als er sprake is van seksuele uitspattingen, die op steeds jongere leeftijd plaatsvinden en van onverschilligheid van mensen tot elkaar en het loslaten van de huwelijkstrouw, dan is het niet verwonderlijk dat de samenleving verloedert.

De erfenis van Aalders, neergelegd onder meer in zijn boek Man en vrouw in een revolutionaire tijd en het dunne boekje Het Huwelijk. Grootheid en verval (Echo Amersfoort 1979), zijn juweeltjes en voorbeelden van gevoelige, erudiete omgang met mensen, mannen en vrouwen. Als vader van vier dochters en erg aangemoedigd door zijn lieve vrouw om zich schrijvend te stellen aan Gods arbeid, heeft pastor Aalders ons aangemoedigd om de moeizame weg door deze tijd trouw aan het geloof te gaan en heeft hij onze blik op de eeuwigheid gericht.
Moge het zo zijn, dat ook via het blad Ecclesia steeds weer nieuwe generaties putten uit deze waarlijk christelijke bron.