Terug naar Ecclesianet.nl

Authenticiteit

Ds. J.G. BARNHOORN, Nunspeet

AUTHENTICITEIT

In het vorige nummer van "Ecclesia" hebben wij, in het kader van een bespreking van,, het boek "Dr. Jan Hendrik Gerretsen. Het geluid vaia een sterke stem" (Ds. C.F.J. Antonides), de opmerking gemaakt, dat ons in het denken van Gerretsen een sterke behoefte aan authenticiteit opvalt, hetgeen met name uitkomt in zijn gedachten over de rechtvaardigmaking.

Gerretsen had, zo merkten wij toen op, grote bezwaren tegen de zgn. forensische rechtvaardigingsleer. Hij achtte het gevaar, dat de leer van het "door het geloof alleen" de mensen zorgeloos en goddeloos maakt" (Heid. Cat., zondag 24, 64), althans maken kan, allesbehalve denkbeeldig, daar er in het algemeen gesproken bij hen, die "Christus door een waarachtig geloof ingeplant" heten te zijn, op de keper beschouwd toch maar bitter weinig te bespeuren valt van de "vruchten der dankbaarheid", die men bij hen zou mogen verwachten.

Dit was voor Gerretsen met zijn intense behoefte aan authenticiteit te enen male onaanvaardbaar, hetgeen trouwens, zo merkten wij in dit verband nog op, met héél de ethische theologie het geval is, - een gegeven, dat deze richting in onze ogen slechts des te sympathieker maakt. Het geloof is er om be-lééfd, om met het leven be-aamd te worden. Of zoals men tegenwoordig zegt: het moet handen en voeten krijgen!

Gelijkschakeling
Op deze opmerking terugkomend, zouden wij nu de vraag onder ogen willen zien, hoe het er in dit opzicht onder ons voorstaat. Wordt ook onze tijd gekenmerkt door een streven naar authenticiteit, of moeten wij, integendeel, constateren, dat de neergang van onze cultuur, zoals wij deze allerwegen waarnemen, niet in de laatste plaats hierin tot uiting komt, dat de authenticiteit aanzienlijk lager genoteerd staat dan in vroeger dagen het geval was, ja, dat wij in dezen zelfs van een

teloorgang kunnen spreken? Een vraag, die naar onze stellige overtuiging met reden gesteld mag worden, daar een cultuur mede bepaald wordt door de mate, waarin authentieke waarden gehonoreerd worden en zelfs de toon aangeven.

Nu is één van de meest in het oog lopende aspecten van het beeld, dat onze maatschappij vertoont, datgene, wat wij haar kleurloosheid zouden willen noemen. In toenemende mate vindt er heden ten dage een gelijkschakeling plaats, waardoor onderlinge verschillen, die men jarenlang als hoogst belangrijk heeft ervaren, steeds meer gecamoufleerd en zelfs onder de tafel gewerkt worden. Men komt dit verschijnsel allereerst op het terrein van de politiek tegen. De tijd van de grote tegenstellingen, belichaamd in mensen, die voor een principe stonden, lijkt definitief voorbij te zijn.

Met uitzondering van de verkiezingstijd, waarin men met alle (on)mogelijke middelen de gunst van de kiezer tracht te winnen, is er op het ogenblik van een echte confrontatie tussen ideeën nauwelijks sprake meer. Zo lijkt de strijd voor een doorwerking van authentiek-christelijke beginselen nagenoeg tot het verleden te behoren, zoals er b.v. ook van het oorspronkelijke socialisme nauwelijks meer iets overgebleven schijnt te zijn. De worsteling op het principiële vlak heeft plaats gemaakt voor een ordinair gevecht om de macht, terwijl de scandaleuze praktijken van politici, die vooral de laatste jaren aan het licht zijn gekomen, niet weinig hebben bijgedragen tot de overtuiging, dat het politieke bedrijf - tot voor kort, althans op het kerkelijk erf, door velen nog als een heilige zaak gezien - het maken van "vuile handen" niet maar onvermijdelijk maakt, maar er zelfs geheel mee verweven is.

Oecumene
Deze teloorgang van de authenticiteit doet zich ook op godsdienstig terrein gelden. Onder de bedrieglijke vlag van wat zich als oecumenische bevlogenheid voordoet heeft in de jaren, die achter ons liggen, de oppervlakkigheid - symptomatisch voor de tijd, waarin wij leven - ongekende triomfen gevierd. Hebben in het verleden godsdienstige - in feite niet zelden persoonlijke (!) - tegenstellingen al te vaak tot afscheiding geleid, in onze dagen beleven wij een geheel tegenovergestelde ontwikkeling: een proces van nivellering, waardoor datgene, wat in de loop der jaren gegroeid heet te zijn - en er groeft wat op de akker van hetgeen men oecumene noemt - bepalend wordt geacht voor wat men er aan opvattingen op na behoort te houden.

Een duidelijk voorbeeld hiervan zien wij in de reacties op de kerkelijke inzegening van het huwelijk van Prins Maurits en zijn bruid op zaterdag, 29 mei j.1. in de Grote Kerk te Apeldoorn. De richtlijnen, door de Rooms-Katholieke Kerk voor de inzegening van het zog. oecumenische huwelijk opgesteld - richtlijnen, die aan duidelijkheid niets te wensen overlaten - werden bij deze gelegenheid, met een beroep op de (onwettige) praktijk, zoals deze de laatste tientallen jaren her en der is gevolgd, bewust overtreden, hetgeen in de pers allerwegen werd toegejuicht. Voor Ds. ter Linden, die het als zijn taak ziet, aan jonge mensen "de verhalen en rituelen van het geloof' door te geven,

was de commotie, als gevolg van een en ander ontstaan, aanleiding tot de ontboezeming (in het dagblad "Trouw" van dinsdag, 2 juni j.1.): "In een volgend leven word ik buitenkerkelijk, daar kan ik mij nu al op verheugen", - een uitspraak, die bepaald niet van een verheven ambtsopvatting getuigt.

Ontdogmatisering
Nu is het opmerkelijk, dat velen ter verdediging van de gang van zaken in de bewuste trouwdienst hebben betoogd, dat het dogma in feite heeft afgedaan, althans dat het momenteel bij lange na niet meer de betekenis heeft, die het in het verleden gehad heeft. Zo spreekt de godsdienstsocioloog Meerten ter Borg van "de ontdogmatisering in de kerken, die doorwerkt tot aan de evangelischen toe", - een uitdrukking, nader door hem toegelicht met de woorden: "We gaan over de hele linie in de kerken van een dogmatisch, bijbels georië
nteerd geloof naar meer een gevoels- en bele-vingsgeloof. Je merkt ook in andere sectoren van de samenleving zoals de sportwereld dat gevoel tegenwoordig een belangrijk thema is ... Het hart wordt belangrijker dan wat eeuwenlang door theologen in dogma's is vastgelegd. De beleving van het geloof wordt van primair belang en in dat kader vindt men het prachtig'dat ook prinses Juliana van de hostie snoept", aldus het dagblad "Trouw" d.d. 4 juni j.1. in een artikel van de kerkredactie onder de kop: "Er gaapt een kloof tussen kerkleiding en kerkvolk".

Al met al een stellige uitspraak, .waarop echter wel een en ander valt af te dingen. Het \aanstootgevende taalgebruik in de laatste zinsnede nog buiten beschouwing gelaten - een taalgebruik, dat tegenwoordig helaas al te goed in de markt ligt - zouden wij in de eerste plaats een vraagteken willen plaatsen bij hetgeen hier over "de ontdogmatisering in de kerken" wordt opgemerkt. Ter Borg noemt het een verschijnsel, dat "doorwerkt tot aan de evangelischen toe". Een stelling, die naar onze mening bepaald geen gedegen kennis van de kaart van kerkelijk Nederland verraadt, daar de opkomst van "de evangelischen", die men toch bepaald geen teveel aan dogmatische bezinning kan toedichten, juist een symptoom van de overigens terecht gesignaleerde ontdogmatisering is.

In de tweede plaats valt ons in deze uitspraak op, dat hier "een dogmatisch, bijbels georiënteerd geloof' en "een gevoels- en belevingsgeloof' tegenover elkaar gesteld worden, hetgeen vergezeld gaat van de opmerking, dat "het hart belangrijker wordt dan wat eeuwenlang door theologen in dogma's is vastgelegd". Een hoogst merkwaardige constatering! Alsof "een dogmatisch, bijbels georiënteerd geloof" - en dat in tegenstelling tot een geloof, dat het zonder een oriëntatie aan de Bijbel meent te kunnen stellen (!) - ten koste van het hart zou gaan! Hoe zou men zich - in Gods naam! - een dogmatiek zonder een pastorale inslag kunnen voorstellen, als een dorre, droge opsomming van feiten, slechts op de bevrediging van intellectuele behoeften gericht?

Oppervlakkigheid
Nu valt het uiteraard niet te loochenen, dat er de laatste jaren op het terrein van de geloofsbeleving ingrijpende verschuivingen hebben plaatsgevonden.

Ongetwijfeld wordt er tegenwoordig een grote, om niet te zeggen extreme, nadruk op de functie van het gevoel gelegd. En het gevoel hééft zijn rechten. Wie zou trouwens durven ontkennen, dat in het verleden de dogmatische reflectie in de kerk wel wat al te veel aandacht heeft gekregen? Brengen wij ons slechts de Middeleeuwse Scholastiek met haar onvoorstelbare haarkloverijen te binnen of de tijd, waarin Calvinisten en Lutheranen zich met name inzake de interpretatie van het Heilig Avondmaal zó mijlenver van elkander gescheiden wisten, dat onderling contact nagenoeg ondenkbaar was. En wat b.v. te denken van de beide Doopsgezinde broeders, die, als slachtoffers van Alva's schrikbewind tot de vuurdood veroordeeld, hun laatste maaltijd niet in elkanders bijzijn wilden gebruiken, omdat zij, als vertegenwoordigers van twee verschillende stromingen binnen Menno's kerkverband, zelfs in het aangezicht van de dood geen contact met elkaar meenden te mogen hebben? En zouden wij, om niet nog meer voorbeelden te noemen, Gomarus' verzekering, dat hij met Arminius' gevoelen inzake de predestinatie niet voor zijn hemelse Rechter zou durven verschijnen, vandaag de dag nog wel voor onze rekening durven nemen? Kortom: met dankbaarheid constateren (ook) wij, dat de dogmatische scherpslijperij van weleer momenteel vrijwel afgedaan heeft.

Onlosmakelijk verbonden
Maar hiermee is niet alles gezegd. En in elk geval is de tegenstelling, door Ter Borg geconstrueerd, een door en door valse tegenstelling. Men mag de dogmatische reflectie en de geloofsbeleving niet tegen elkaar uitspelen, althans niet tegenover elkaar plaatsen op de manier, waarop dit bij hem gebeurt. Integendeel zelfs: het éé
n kan eenvoudigweg niet zonder het ander. In beginsel is bij de dogmatische bezinning te allen tijde het hart betrokken, ja, als het goed is, vraagt het hart -dat overigens, naar het bekende woord van Pascal zijn redenen heeft, die de rede niet kent - om de doordenking van het dogma, waarin immers, naar het bekende woord van Gunning, het loflied ruist, - een loflied, dat - hoe kan het anders? - bedoeld is om door de mens gehoord en bezongen te worden.

In dit verband zouden wij de vraag willen stellen, of het "succes" (overigens een volstrekt onbijbels woord!) van de vele bewegingen, die, met een angstwekkend tekort aan dogmatische reflectie in hun bagage, zo uitzonderlijk veel nadruk op het gevoel leggen - men heeft slechts, van het ene ogenblik op het andere, "het hart aan Jezus te geven" - niet mede te danken is aan de oppervlakkigheid, die de geest van de tijd eigen is. Onze tijd schijnt behoefte aan "ruim denkende" mensen te hebben. Nu heeft de ervaring ons echter geleerd, dat "ruim denken" niet zelden een minimum aan denken of zelfs een uitschakeling van het denkvermogen inhoudt, zoals achter het verlangen naar een korte preek - "kort, maar krachtig", zoals dan men pleegt te zeggen - veelal een geestelijke luiheid ten grondslag ligt, die op de keper beschouwd de preek als zodanig overbodig acht, hetgeen overigens alleszins verklaarbaar is in een maatschappij, waarin de T.V.-cultuur met haar vele soapserie's - helaas ook bij een groot aantal kerkgangers in trek - aan deze gesteldheid ruimschoots tegemoet komt.

Een eerlijk gesprek
Tegenover deze trend wensen wij een geheel andere opstelling te bepleiten. Ervan overtuigd, dat bezinning en beleving niet van elkaar losgemaakt mogen worden, zouden wij - ons er overigens terdege van bewust, hiermee tegen de geest van de tijd in te gaan - een pleidooi voor een eerlijke gedachtenwisseling willen voeren, zoals deze blijkens de ervaringen, door ondergetekende opgedaan, ook vele van onze gesprekspartners voor ogen staat.

Enkele jaren geleden vroeg mij de gastenpater van een Benedictijner klooster, hoe het toch mogelijk was, dat predikanten, wanneer zij in zijn abdij logeerden, aan de viering van de eucharistie deelnamen, terwijl dit blijkens de in het klooster geldende richtlijnen alleen was toegestaan aan hen, die met het aan de eucharistieviering ten grondslag liggende gedachten-goed konden instemmen. Het was zonder meer duidelijk: een authentiek Protestantse wijze van handelen -géén deelname aan de eucharistieviering - werd door deze geestelijke kennelijk méér op prijs gesteld dan een in feite onwaarachtig doen-alsof, zoals de heersende mode pleegt voor te schrijven. .

Geheel in dezelfde lijn ligt de verklaring, die medio juni van dit jaar n.a.v. de gang van zaken in de geruchtmakende Apeldoornse trouwdienst door de bisschoppenconferentie is uitgegeven: "Terecht hebben de Nederlandse Hervormde Kerk en het aartsbisdom Utrecht getracht te voorkomen dat een vermenging zou ontstaan van het avondmaal en de eucharistie", - een verklaring, die geheel spoort met de opmerking van Antoine Bodar, dat de oecumene "meer met helderheid is gediend dan met verdoezeling. Helderheid neemt in voorzichtigheid tijd, verdoezeling loopt in vermetelheid op tijd vooruit ...", aldus "Trouw" d.d. 13 juni j.1.

Judaïsme
Eenzelfde opstelling als inzake de verhouding Rome -Reformatie constateren wij met betrekking tot de verhouding tussen de verschillende godsdiensten, en wel met name waar het de relatie tussen Joden en Christenen betreft. Het is opvallend, dat men aan Joodse zijde grosso modo de mening is toegedaan, dat het gesprek met de kerken alleen bij volstrekte eerlijkheid gebaat is. Men heeft niet het minste respect voor christenen, die de verschillen tussen Jodendom en Christendom zoveel mogelijk bagatelliseren. Iemand van christelijken huize, die (historisch!) in een bijeenkomst ter gelegenheid van de overdracht van een gerestaureerde Joodse begraafplaats de God van Awraham, Jitschak en Ja'akov ten tonele voert, terwijl de rabbijn, bij deze plechtigheid aanwezig, van de God van Abraham, Isaak en Jakob gewaagt, gedraagt zich in Joodse ogen zonder meer lachwekkend. Een "Israëliet, in wie geen bedrog is", gaat het gesprek met imitatie-Joden dan ook zeer beslist uit de weg. En zo heeft ook de kerk slechts behoefte aan vertegenwoordigers, die voor het christelijk getuigenis staan. Wanneer een Nico ter Linden, na de verschijning van het eerste deel van "Het verhaal gaat" van Joodse zijde aangevallen, omdat hij van een samenhang tussen Oud en Nieuw Testament blijkt uit te gaan, zich haast te verzekeren, dat dit helemaal zijn bedoeling niet isgeweest, dan gooit hij zijn christelijke identiteit zonder meer te grabbel. Vandaar ook een kritische opmerking als in "Elsevier" van 11 april j.1. naar aanleiding van de verschijning van het tweede deel van Ter Lindens verhalencyclus, dat de auteur "tot in het irritante probeert om dit keer vooral de joodse gemeenschap niet voor het hoofd te stoten" (pag. 118).

Uniciteit
Het moge duidelijk zijn, dat wij met nadruk wensen te pleiten voor een gesprek, waarin van christelijke zijde de uniciteit van Jezus als de ons door de Vader gezonden Messias - "Ik ben de weg en de waarheid en het leven" (Johannes 14 : 6) - niet verzwegen, maar -integendeel - in ronde woorden beleden wordt. Het Nieuwe Testament laat geen ruimte voor de opvatting, dat er mensen zouden zijn, voor wie Jezus niet als Middelaar naar deze wereld is gezonden. Ondanks de Holocaust - het gruwelijkste kwaad, waaraan de mensheid zich sedert Golgotha heeft schuldig gemaakt - geldt nog steeds het woord van Jezus: "Een ieder dan, die Mij belijden zal voor de mensen, hem zal ook Ik belijden voor mijn Vader, die in de hemelen is; maar al wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal ook Ik verloochenen voor mijn Vader, die in de hemelen is" (Mattheü
s 10, 32v.)

Islam
Zien wij het dus als onze roeping, in het gesprek met Israë
l een duidelijke koers te varen, dit geldt uiteraard niet minder voor de dialoog met de Islam. Nu is het in bepaalde kringen, mede ten gevolge van de immigratie uit onderscheidene Moslimlanden, reeds jarenlang gebruikelijk, het Christendom en de Islam onder één noemer te brengen. Niet zelden wordt op het kerkelijk erf verkondigd, dat Moslims en Christenen in feite in 'dezelfde God geloven. Een gevoelen, dat, waar ter wereld dan ook, in elk geval niet in Islamitische landen gedeeld wordt. Wie ook maar enigszins op de hoogte is van het lot, dat in een land als Pakistan -waar men reeds op het al of niet betrouwbare getuigenis van een drietal mensen wegens Godslastering ter dood veroordeeld kan worden - een tot het christendom bekeerde Moslim wacht, weet wel beter. En wat te denken van de afschuwelijke daden van terreur, waaraan Moslims zich in de laatste decennia, veelal met een beroep op de Koran (!), met name in Israël schuldig gemaakt hebben?

Dit bepaalt ons bij het onderscheid - een onderscheid van fundamentele betekenis - tussen Christendom en Islam, zoals dit reeds in de ontstaansgeschiedenis van beide godsdiensten valt aan te wijzen. Worden wij in de persoon van Mohammed geconfronteerd met iemand, die zijn plaatsgenoten, en wel met de name de Joden onder hen, toen hij deze niet voor zijn denkbeelden vermocht te winnen, meedogenloos liet vervolgen, - de ontstaansgeschiedenis der kerk brengt ons in kennis met een mens, die zich voor de zonden der mensheid aan een kruis heeft laten slaan. En om ons tot de geschreven bronnen van beide godsdiensten, Bijbel en Koran, te bepalen: moeten wij - nog geheel afgezien van de vraag, in hoeverre het fundamentalisme onder Moslims als authentiek-Islamitisch te beschouwen is - niet stellen, dat een plichtenleer als de Islam als zodanig volkomen haaks op het evangelie staat?

Zo brengt een en ander ons tot de conclusie, dat zowel met betrekking tot het gesprek tussen Rome en de Reformatie als waar het de dialoog tussen vertegenwoordigers van de verschillende wereldgodsdiensten betreft een eerlijke gedachtenwisseling de enige legitieme wijze is, waarop men met elkaar dient om te gaan. Pas wanneer men ten volle bereid is, de ander te ontmoeten, zoals deze werkelijk is - b.v. als gesprekspartners in een "Raad voor Religies en Levensbeschouwingen", zoals door Dr. H.M. Vroom in zijn boek "Religie als ziel van cultuur" wordt bepleit -bestaat de mogelijkheid, dat de ontmoeting vruchten afwerpt, die de onderlinge verhouding alleen maar ten goede kunnen komen.