Terug naar Ecclesianet.nl

Augustinus over naastenliefde en eigenliefde

Ds I.J. Wisse, Rijnsburg

Wij kennen ongetwijfeld allen het dubbele gebod van de liefde: "Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het grote en eerste gebod. Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf" (Matth. 22:37-39}. Ook de kerkvader Augustinus heeft hier aandacht aan geschonken - hoe kan het ook anders? Wat nu het gebod van de naastenliefde betreft, vraagt hij zich af wat het betekent, dat wij de naaste zullen liefhebben als onszelf. Verscheidene keren stelt hij dit onderwerp aan de orde. Als wij namelijk de naaste als onszelf moeten liefhebben - wannéér en hóé hebben wij onszelf lief? Het lijkt zo simpel. Want: "Niemand haat zichzelf. Hierover bestaat geen verschil van mening met enige andere levens- of wereldbeschouwing. Maar evenmin haat iemand zijn eigen lichaam. Het is immers waar wat de apostel zegt: "Niemand haat ooit zijn eigen vlees" (Ef. 5:29)" (De christelijke leer I, XXIV, 24). En toch rijst hier de vraag hoe het met de eigenliefde gesteld is, hoe wij die moeten zien.

Uitvoerig gaat Augustinus daar op in in zijn preek over "De christelijke levenswijze". Hij zegt dan tegen zijn

gemeenteleden: "Geef er eens aandacht aan hoe u uzelf liefhebt! Als ik u nu vraag of u uzelf liefhebt, zult u vast en zeker antwoorden, dat dat zonder meer het geval is. "Wie toch haat zichzelf?". Dat zult u zeggen: "Wie haat zichzelf?". Maar als u uzelf liefhebt, dan hebt u de zonde niet lief. Want als u de zonde lief hebt - nee, dat zeg ik niet, maar luister naar de psalm: "Wie de zonde liefheeft, haat zijn eigen ziel" (Ps. 11:5, volgens de Septuaginta, de Griekse vertaling van het Oude Testament) - dus als u de zonde liefhebt, luister dan naar de waarheid, naar een waarheid, die niet vleit, maar die onomwonden zegt: "U haat dan uzelf'. En, zo bedoelt Augustinus: hoe ziet dan zo'n naastenliefde er uit? "Wanneer u immers uzelf zó liefhebt, dat u uzelf te gronde richt, dan zult u zeker ook hèm te gronde richten, die u liefhebt als uzelf" (IV, 4). "U zult tegen mij zeggen: "Ik heb mijn naaste echt lief als mijzelf". Ja, ik hoor het, ik hoor het! Samen met hem, die u liefhebt als uzelf, wilt u zich gaan bedrinken: "Laten wij vandaag onszelf maar eens tegoed doen door te gaan drinken zoveel als wij kunnen!". Kijk, omdat u uzelf op deze manier liefhebt, trekt u uw naaste naar uzelf toe en roept u hem naar datgene waar u zelf van houdt. Het is onvermijdelijk, dat u dan hem, die u liefhebt als uzelf, meesleept in de richting van datgene waar u zelf erg op bent gesteld" (V, 5).

Nu gaat deze toepassing van de kerkvader wel heel ver. Maar wat hij wil zeggen is duidelijk: als het goed is, moet de mens ook zichzelf liefhebben, zichzelf lieftiebben op de juiste wijze. Zeker geldt dat van iemand, die wil horen bij de christelijke gemeente. In een preek, gehouden in Carthago, zegt hij:"U vraagt:"Hoe moet ik mijzelf dan liefhebben?". Wilt u horen hoe u uzelf moet liefhebben? U hebt uzelf lief, wanneer u God liefhebt met geheel uw wezen. (...) U werpt natuurlijk tegen: "Wanneer heb ik dan mijzelf niet liefgehad?". Ja, u had uzelf niet lief, toen u God niet liefhad, die u heeft gemaakt" (Preek 34, 8). In "De Stad van God" brengt Augustinus het zó onder woorden: "Het is ongepast, dat iemand tegenover zichzelf niet doet wat hij tegenover zijn naaste doet. Hij hoort God toch zeggen:"Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf" (Lev. 19:18; Matth. 22:39). Hij hoort ook nog:"Erbarm u over uw zfel door God te behagen" (Jez. Sir. 30:23)". Maar als hij de daad van de barmhartigheid niet aan zijn eigen ziel bewijst, zit hij wel volstrekt fout (XXI, XXVII, 2). "Opdat namelijk de mens zichzelf zou weten lief te hebben, is er voor hem een einddoel vastgesteld waarop hij alles moet richten om gelukzalig te worden. Want wie zichzelf liefheeft, wil niet anders dan gelukzalig zijn" (X, 3,2).

Volgens Augustinus is dus onze liefde tot de naaste pas gaaf, wanneer wij ook bedacht zijn op eigenliefde: zorg voor onze ziel. "Wie zijn naaste op de goede manier liefheeft, moet dat zó doen, dat hij daarbij zelf met geheel zijn hart, met geheel zijn ziel, met geheel zijn verstand God liefheeft" (De christelijke leer I, XXII, 21). Het gaat er derhalve om, dat wij bij onze naastenliefde onszelf niet uit het oog verliezen: ons aangewezen zijn op Gods heil. Dat is de zuivere eigenliefde.

Die eigenliefde moet de mens intussen leren. Dat zal duidelijk zijn. Zijn eigenliefde is niet zomaar op orde. De mens moet die leren vanuit het dubbele gebod: "Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand" en "Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf". 'Terwijl de liefde tot God op de eerste plaats komt en de wijze waarop Hij bemind moet worden, helder omschreven is, zodat al het overige daarin samenkomt, lijkt er over de liefde tot onszelf niets gezegd te zijn. Maar in de woorden: "Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf" ontbreekt ook de liefde voor onszelf niet" (De christelijke leer I, XXVI, 27). Naastenliefde, zoals de Heilige Schrift die bedoelt, aldus Augustinus, roept tegelijk op tot eigenliefde, tot de ware eigenliefde.