Terug naar Ecclesianet.nl

Augustinus en zijn opvolging

Ds. IJ. WISSE, Rijnsburga

Het was in 426. Augusfinus had voor de 2ó-ste september van dat jaar zijn kerkvolk bij elkaar geroepen, omdat hij iets belangrijks te zeggen had. De dag tevoren had hij zijn gemeenteleden hiervan op de hoogte gesteld. Hij was oud geworden, bijna 72. Zijn ambtswerk werd hem te veel. En dat deed hem besluiten tijdig maatregels te nemen. Hij wilde bepaalde taken afstoten en overdragen aan een ander. Bovendien dacht hij vooruit: wie zou hem straks moeten opvolgen? Welnu, met het oog op deze dingen had hij een bijzondere gemeentevergadering belegd.

Van deze gemeenfevergadering hebben wij een nauwkeurig verslag gekregen, door stenografen opgesteld. Wij moeten namelijk bedenken, dat er ook in die tijd al een soort kortschrift bestond met afkortingen, die werden gebruikt om iets, dat gedicteerd of gesproken werd, snel op te nemen. Naderhand werkten de stenografen dat uit in gewoon schrift. Wanneer Augustinus preekte, bevonden zich ook onder de kerkgangers nogal eens zulke stenografen. Trouwens niet alleen wanneer hij preekte. Veel plaatselijke gemeenten hadden zelfs hun eigen snelschrijvers. Vandaar dat wij nog de beschikking hebben over zoveel preken uit de oudheid. Deze snelschrijvers gingen heel nauwkeurig tewerk. Weinig ontging hun: ze schreven alles op, zodat wij meestal een goed verslag krijgen van waf er tijdens samenkomsten was gezegd èn van wat er gebeurde. Dat geldt ook van die bijzondere gemeentevergadering uit 426, in de Vredeskerk van Hippo Regius, waar, Augustinus bisschop was. Zelfs het aantal acclamaties (blijken van goedkeuring met applaus) was genoteerd. Ik geef nu nagenoeg hef hele verslag weer, waardoor wij ons er enige voorstelling van kunnen maken hoe het daar toen toeging (Ep. 213). In aanwezigheid van zijn twee medebisschoppen, samen met zeven priesters, begon Augustinus na enkele inleidende woorden zo: "Wij allen zijn in dit leven sterfelijk, en geen enkel mens weet precies wanneer de laatste dag van zijn leven daar zal zijn. En toch hopen wij, wanneer wij nog kind zijn, op onze tienerfijd; wanneer wij tiener zijn, hopen op onze jongelingsleeffijd; als jongeling hopen wij volwassen fe worden; als volwassene hopen wij op de middelbare leeftijd; en op middelbare leeftijd hopen wij op de ouderdom. Of dit zal gebeuren, is onzeker, maar in elk geval is er iefs om naar uit te kijken. Maar eenmaal oud geworden hebben wij geen volgend levensstadium meer vóór ons: het is zelfs onzeker hoe lang de ouderdom voor een mens zal duren. Dit alleen is zeker: dat er geen ander levensstadium meer volgt op de ouderdom. Omdat God hef zo wilde, kwam ik in de kracht van

mijn leven naar deze stad. Toen was ik nog een jongeman, en nu ben ik oud geworden. Ik weet, dat na het overlijden van hun bisschoppen de kerken nogal eens door eerzuchtige en twistzieke figuren in verwarring worden gebracht, en ik moet er, voorzover ik er iefs aan kan doen, voor zorgen, dat onze stad niet dat overkomt wat ik tot mijn verdriet dikwijls elders heb meegemaakt. (...) Om nu te voorkomen, dat men over mij zou klagen, breng jk mijn wil, die naar ik geloof ook Gods wil is, ter kennis van u allen: als mijn opvolger wens ik de priester Eraclius, hier aanwezig". Drie-en-twinfig maal riep het volk: "God zij dank! Lof zij Christus!". Daarna zestien maal: "Christus, hoor ons! Leve Augusfinus!". Dan acht-maal: "U bent ons een vader, u bent onze bisschop!". Toen het weer stil was geworden, zei bisschop Augusfinus: "Het is nief nodig, dat ik iefs zeg tot zijn lof. Ik bewonder zijn wijsheid, ik houd rekening met zijn bescheidenheid. U kent hem; dat is genoeg. En ik zeg, dat ik weet, dat wat ik wil, ook u wilt. En had ik het eerder niet geweten, dan had ik het vandaag kunnen nagaan. Dit is mijn wens, dit smeek ik van de Here, onze God, met vurige gebeden (...), dat hij, die bij mijn leven mijn vreugde was, mij mag opvolgen, wanneer ik sterf. U ziet, dat de stenografen van de kerk optekenen waf wij zeggen, optekenen wat u te kennen geeft. Noch waf ik zeg, noch wat u met uw toejuichingen kenbaar maakt valt ter aarde. Om het nog duidelijker te zeggen: wij maken nu meteen een kerkrechtelijke akte op, want ik wil dit, voorzover dat met mensen gaaf, zien vastgelegd". Hierop riepen zij zes-en-dertig maal: "God zij dank! Lof zij Christus!". En dertien maal: "Christus, hoor ons! Leve Augustinus!". Dan acht maal: "U bent ons een vader, u bent onze bisschop!", en twintig maal: " Hij is het waard en rechtvaardig!", en vijf maal: "Hij heeff het verdiend en is het zeer waard!", en nog eens zes maal: "Hij is hef waard en rechtvaardig!". Toen het weer stil was geworden, zei bisschop Augusfinus: 'Ik wil dus, zoals ik zei, dat mijn wens en uw wens, voorzover daf met mensen gaat, in een kerkrechtelijke akte wordt vastgelegd. Maar wat de verborgen wil van de Almachtige betreft, laten wij allen bidden, dat God zal bevestigen wat Hij in ons werkt". Toen begonnen zij te roepen, zestien maal: "Wij zeggen u dank voor uw beslissing!", en twaalf maal: "Wij vinden het goed! Wij vinden het goed!", en zes maal: "U bent ons een vader, u, Eraclius, wordt onze bisschop!" (...) Toen het weer stil was geworden, zei bisschop Augustinus: "Hij zal priester blijven, zoals hij nu is, om, wanneer God het wil, dan bisschop te worden. Maar nu wil ik uitdrukkelijk, met hulp van Christus' barmhartigheid, iets doen wat ik tot nog toe niet gedaan heb. U weet wat ik vóór enige jaren heb willen doen, maar wat u mij onmogelijk hebt gemaakt. U en ik hadden samen besloten, dat met het oog op het schriftelijk werk, dat mijn broeders en vaders, mijn medebisschoppen, op de twee algemene kerkvergaderingen van Numidië en Carthago mij hadden toevertrouwd, gedurende vijf dagen van de week niemand mij zou lastig vallen. Daarvan is toen een akte opgemaakt, aldus werd met uw goedkeuring besloten. Uw besluit en uw instemming zullen nu worden voorgelezen. Korte tijd hebt u zich er aan gehouden en sindsdien hebt u het ernstig geschonden. U laat mij geen tijd om te doen. wat ik wil. Zowel 's morgens als 's middags moet ik mij bezighouden met menselijke beslommeringen. En nu smeek ik u dringend om Christus' wil, dat u mij toestaat aan deze jongeman, de priester Eraclius, die ik heden in Christus' naam aanwijs als mijn opvolger als bisschop, mijn zware bezigheden over te dragen". "Wij zeggen u dank voor uw beslissing!" werd er toen geroepen, zes-en-twintig maal. Toen het weer stil was geworden, zei bisschop Augustinus: "Ik ben dankbaar voor uw liefde en welwillendheid, ja, ook de Here, onze God, breng ik hiervoor dank. Dus, broeders en zusters, met alles waarmee u tot nog toe naar mij kwam, moet u voortaan naar hem. Wanneer hij mijn advies nodig heeft, zal ik hem dat niet weigeren. Geen sprake van, dat ik hem wat dat betreft in de steek zou laten! Dus alles wat tot nog toe bij mij werd gebracht, moet voortaan naar hem. En wanneer hij niet weet wat hij doen moet, dan kan hij mij raadplegen of mijn hulp vragen, want hij weet, dat ik hem als een vader wil zijn. Zo zal het u aan niets ontbreken en zal ik eindelijk eens, wanneer God mij nog een kleine tijd van leven geeft, dat leven, hoe kort ook, kunnen besteden niet aan luieren en de kantjes er aflopen,

maar aan de bestudering van de Heilige Schrift, voorzover Hij het mij toestaat en schenkt. Dit zal ook Eraclius ten goede komen en door hem ook u.(...) Ik zie, dat ik met u over dat, waarvoor ik u heb uitgenodigd, alles heb behandeld wat ik moest. Tenslotte vraag ik u, of u, voorzover u kunt schrijven, zo goed wilt zijn de akte van wat hier verhandeld is, te ondertekenen. Hierop is uw antwoord nodig. Laat mij uw antwoord horen! Laat merken, dat u hiermee instemt!". Door de aanwezigen werd toen geroepen, vijf-en-twintig maal: "Wij vinden het goed! Wij vinden het goed!". En acht-en-twintig maal klonk het: "Het is gepast en rechtvaardig!"; en veertien maal nog eens: "Wij vinden het goed! Wij vinden het goed!; en vijf-en-twintig maal: "Allang was hij het waard! Allang verdiende hij het!"; en dertien maal: "Wij zeggen u dank voor uw beslissing!"; en tenslotte achttien maal: "Christus, hoor ons! Behoed Eraclius!".

Toen het weer stil was geworden, zei bisschop Augustinus: "Het raakt nu tijd, dat wij overgaan tot de eigenlijke dienst van God bij het altaar. Ik draag u, geliefden, vooral op, dat u in dit uur van ons gebed al uw eigen zaken en beslommeringen opzij zet en voor onze kerk hier, en voor mij en voor de priester Eraclius tot de Here zult bidden".

Aldus het verslag over de in Hippo Regius gehouden gemeentevergadering, die in het teken stond van de opvolging van Augustinus.

Wij hebben gemerkt, dat tijdens deze samenkomst Augustinus' toespraak herhaaldelijk werd onderbroken door het enthousiaste geroep van zijn hoorders. En het moet voor hem een hele geruststelling zijn geweest, dat nu in elk geval zijn opvolging was geregeld. Eindelijk dan, op 72-jarige leeftijd, na dertig jaar lang het bisschopsambt te hebben bekleed, kreeg hij het recht om wat uit te rusten. Dat werd echter geen niets-doen. Hij nam zich voor om zich in de Heilige Schrift te verdiepen, nog meer en nog intenser dan hij tot nog toe had gedaan. En dat wilde hij niet voor zijn eigen belang, maar voor het belang van de gehele Kerk. Maar eigenlijk is het er niet van gekomen. Want nóg weer gingen andere dingen zijn aandacht vragen. Ook na september 426 heeft de bisschop nog veel werk verricht. De rust, waarnaar hij verlangde, heeft hij nooit gekend, althans niet op aarde.