Terug naar Ecclesianet.nl

Augustinus en het gewone leven

Ds. IJ. WISSE, Rijnsburg

Wanneer wij aan een kerkvader denken, halen wij ons onwillekeurig iemand voor de geest, die vaak in hogere sferen verkeerde, diep nadacht over allerlei bijbelse, geestelijke vraagstukken en ons dat schriftelijk heeft nagelaten. Dat is bepaald ook waar. Zeer zeker geldt dat met name ook van Augustinus, die leefde van 354 tot 430 en bisschop was van de Noord-Afrikaan se stad Hippo Regius.

Wij hebben van hem geschriften, die voor eenvoudige gelovigen vaak moeilijk te lezen zijn. Maar wij vergissen ons, wanneer wij menen, dat met name Augustinus zich enkel met zwaarwichtige dingen bezighield en daarom geen aandacht voor het gewone leven had. Want het tegendeel is het geval: ook het alledaagse ontging hem niet. Hiervoor nu ga ik enkele dingen naar voren brengen.

Vóór zijn doop heeft de kerkvader met een stel vrienden en familieleden, onder wie zijn moeder en zijn zoon, enige tijd doorgebracht op een landgoed, hem ter beschikking gesteld door een vriend. Dat landgoed was buiten Milaan gelegen, in Noord-Italië dus. Op een nacht hoorde Augustinus toen, terwijl hij nog niet in slaap was gevallen - twee jonge leerlingen, Licentius en Trygetius, lagen te bed in hetzelfde vertrek - aldoor het geluid van water. Het kwam hem uitermate merkwaardig voor, dat dit water het éne moment luid en het ander moment zachtjes buiten over de kiezelstenen stroomde. En dan schrijft hij later: "Ik begon me af te vragen hoe dat zo kwam, maar ik moet bekennen, dat ik er geen idee van had. Op dit ogenblik sloeg Licentius met een stok, die hij naast zijn bed had staan, naar muizen, die het hem lastig maakten, om ze weg te jagen. Ik merkte dus, dat ook hij niet sliep en zei tegen hem: 'Hoor je, Licentius, dat die waterstroom een ongelijkmatig geluid maakt?"1 (De ordine I, 111,6). Daarop ontstaat er midden in de nacht een diepzinnig gesprek tussen die drie - ook Trygetius wordt er in betrokken. En dat enkel naar aanleiding van het geluid van het water, dat Augustinus' aandacht had getrokken, en van het slaan van Licentius naar de muizen, die te voorschijn waren gekomen!

Wat de latere kerkvader ook zelf heeft beschreven, speelde zich een paar uren daarna af, toen het dag was geworden. Licentius en Trygetius waren opgestaan, en dan geef ik het maar letterlijk weer: "Opeens hoorde ik Licentius vrolijk en luidruchtig het psalmvers zingen: "O God der heerscharen, herstel ons, doe Uw aanschijn lichten, opdat wij verlost worden" (Ps. 80 : 8). De dag tevoren was hij naar het toilet gegaan om zijn behoefte te doen. Daar had hij dit psalmvers ook al gezongen, alleen nogal wat luider en telkens van voren af aan. Dat werd mijn moeder toen toch wat te bar: zo'n lied op zo'n plek!". En zij had hem op het ongepaste ervan gewezen. Maar hij had schertsend geantwoord: "Denkt u soms, dat, als de een of andere vijand mij hier had opgesloten, God niet naar mijn stem had willen horen?" (De ordine I.VIII,22). Augustinus vond ook dit voorval dus het vermelden waard.

Ik vertelde al, dat Augustinus vóór zijn doop met anderen zich ophield in een buitenverblijf ergens bij Milaan, in een landelijke omgeving. Zij vormden daar een opgewekt gezelschap, dat zijn tijd goed besteedde. Een deel van de dag was aan studie en gesprekken gewijd. Augustinus spoorde echter zijn leerlingen ook aan om niet steeds over de boeken gebogen te zitten. Nee, zij moesten tevens zich af en toe bezighouden met landarbeid. Maar wanneer dan dit werk was afgelopen, zetten zij zich bij mooi weer neer onder de schaduw van een grote boom voor het voeren van diepgaande, filosofische discussies. Bij ongunstig weer gingen zij naar het badhuis van de villa, met dezelfde bedoeling. Dat was in de oudheid een normale gewoonte: filosofische debatten vonden soms plaats in badvertrekken. Men zat dan licht gekleed, heerlijk in een warme vochtige lucht, op zachte rust-bedden.

Zo vertelt ons ook Augustinus. Over zo'n ontmoeting schrijft hij: "Op de derde dag van onze bespreking verdwenen 's morgens de wolken, die ons telkens weer dwongen in het badhuis samen te komen, en zo kregen wij 's middags het prachtigste weer. Daarom besloten wij af te dalen naar een klein weiland in de nabijheid" (De beata vita 1X23). Meermalen duurden de gesprekken tot zonsondergang. Dan ging men naar binnen waar de lamp al brandde en de avondmaaltijd klaarstond.

Dus ook het weer bracht Augustinus zijdelings ter sprake. Trouwens als Afrikaan wist hij daar genoeg van af. Hij zag terdege het verschil in klimaat in Afrika en Italië. De vraag kon opkomen: "Waarom willen de mensen in Italië altijd een droge winter hebben, terwijl ons arme Getulië juist altijd verlangt naar regen?" (De ordine Ü,V,15). Met Getülië is dat deel van Noord-Afrika bedoeld, dat ver, zuidwestelijk van Augustinus' geboortestreek lag.

Ook het boerenleven, zo nauw betrokken bij het klimaat, ontging hem niet. Toen hij eenmaal bisschop was, zat hij vanwege reizen, die hij moest ondernemen, nogal eens in het zadel. Grote afstanden moest hij vaak afleggen. En dan zag hij hoe slecht de oogst er soms bijstond. Elders ieder jaar regen en ieder jaar koren, maar dan dat arme Getulië! (Enarr. in Ps. 148,10). Kwam hij in beboste streken, dan viel zijn oog op de bladeren van de bomen, en wel op die van de olijfboom en van de laurierboom, bomen, die altijd groen waren.

Tijdens zijn reizen door het platteland van Noord-Afrika nam hij haast alles waar. Ook hoe het toeging op een dorsvloer, als er gedorst werd, gewoon op een open plek buiten. Van alle kanten neemt de wind het kaf op en blaast het een heg, een doornstruik in, of waarheen ook maar. En tegelijk maakt hij er een toepassing van in zijn preek! (Sermo 252,5).

Dat Augustinus allerlei waarnam, blijkt verder uit het volgende. Hij had iets afwijkends ontdekt aan de bouwconstructie van het badhuis, waar hij en zijn vrienden samenkwamen voor een gesprek: drie deuren had de muur, maar de middelste deur was niet op gelijke afstand van de twee buitenste aangebracht. Dat stoorde hem eigenlijk. Daarentegen had de architect, kennelijk om praktische redenen, vanwege de lichtval, er voor gezorgd, dat de drie vensters in die muur wèl even ver van elkaar verwijderd waren (De ordine n,XI,34).

Uit zijn jeugdjaren bewaarde hij nog altijd de herinnering aan gestolen peren. Augustinus was als jongen geneigd om zijn kameraden in alles te volgen. Op een keer hadden zij iets uitgehaald ten koste van een buurman, gewoon omdat zij elkaar ophitsten. Hij schrijft daarover: "In de buurt van onze wijngaard stond een perenboom, met vruchten beladen, die noch door hun uiterlijk, noch door hun smaak aanlokkelijk waren. Om die boom leeg te schudden en te plunderen gingen wij, slechte jongelui, in het holst van de nacht op pad, nadat wij ons spel op straat uit een verfoeilijke gewoonte tot dan toe hadden gerekt, en wij namen daar vandaan geweldige vrachten van die peren mee, niet om ze op te eten, maar om ze zomaar voor de varkens te gooien na er misschien wel wat van te hebben gegeten. Het ging ons er enkel maar om iets te doen waar wij plezier in hadden, omdat het niet mocht" (Confess. II,IV,9).

Augustinus weet ons ook te vertellen, dat hij op zekere dag als kind hevige buikkrampen kreeg en zelfs bang was, dat hij zou gaan sterven, maar door Gods goedheid was hersteld (Confess. I,XI,17).

Nu het over zijn gezondheid ging, hierover nog iets meer. Hij mankeerde nogal eens wat. Het is in 386, hij is dan 32: "Juist in die zomer kreeg ik het aan mijn longen, zodat ik moeilijk kon ademhalen, en pijn in mijn borst voelde. Daardoor was het mij onmogelijk geworden met heldere stem en lang achter elkaar te spreken" (Confess. IX,II,4). Hij klaagde soms ook over hevige kiespijn (Confess. IX,IV,12;Sol. I,XII,21). Wanneer Augustinus 43 jaar is, lijdt hij aan aambeien, die hem veel pijn en last bezorgen. In verband hiermee schrijft hij aan een vriend: "Naar de geest gaat het mij goed, voorzover het de Here behaagt en Hij mij kracht wil geven; maar naar het lichaam lig ik te bed. Want ik kan niet lopen, niet staan en niet zitten door de pijn en de zwelling van inscheu-ringen" (Ep. 38,1). Dertien jaar later dwingt een hevige koortsaanval hem een tijdlang zijn gemeente te verlaten en verblijft hij voor een rustkuur op een landgoed buiten Hippo (Ep. 122). In 413 schrijft hij, dat hij de last van het ambt haast niet meer kan dragen, "omdat bij de zwakte, die mij eigen is en waarvan allen, die mij wat meer van nabij kennen, op de hoogte zijn, ook nog de ouderdom is gekomen, die de algemene zwakte van het mensdom is" (Ep. 151,13). Dan is hij 59.

Toen Augustinus 22 was, kreeg hij een zware psychische schok vanwege de dood van een vriend. "Het verdriet hierover hulde mijn hart in duisternis, en waar ik maar keek, was de dood. En mijn vaderstad was mij een kwelling en mijn ouderlijk huis een vreemde

ellende, en alles wat ik met hem had gedeeld, was zonder hem in een grote marteling veranderd. Mijn ogen zochten hem overal, maar vonden hem niet. Ik had een afkeer van alles, omdat hij er niet was, en niets meer mij kon zeggen: "Straks komt hij", zoals tijdens zijn leven, wanneer hij afwezig-was" (Confess. IV,IV,9). En dan vertrekt Augustinus naar Carthago, omdat hij het in Thagaste niet langer kan uithouden.

Met het bovenstaande heb ik duidelijk willen maken, dat de kerkvader Augustinus zonder meer ook in het gewone leven stond en dus wel degelijk op de hoogte was van allerlei wederwaardigheden, die zich in het menselijk bestaan voordoen.

Ik besluit dit artikel met wat Possidius, vriend en collega van Augustinus en tevens zijn levensbeschrijver, óók heeft meegedeeld over de kerkvader. Augustinus was heel gastvrij. Aan tafel, tijdens de maaltijd, mocht worden gesproken over belangrijke onderwerpen, over personen, maar niet over afwezigen. Om de gasten hieraan te herinneren had hij in de eettafel een vers laten aanbrengen tegen de afschuwelijke gewoonte van kwaadspreken: "Alwie afwezigen belastert of kleineert - die wete, dat hij van deze tafel wordt geweerd" (Vita Aug.22). Ook dat heeft te maken met het gewone leven!