Terug naar Ecclesianet.nl

Jezus Christus, de Opperherder

Zo zult gij, wanneer de Opperherder verschijnen zal, de onverwelkelijke
kroon der ere ontvangen.
1 Petrus 5: 4 (naar de door Kohlbrugge
gebruikte Bijbelvertaling van Luther)
De apostel Petrus noemt onze Here Jezus de Opperherder, dat is zulk een
Herder, onder Wiens onmiddellijk bevel al de andere herders staan. Dat
is een wonderheerlijke naam! Men proeft uit deze naam, dat hierin een
waardigheid, een heerlijkheid en macht gelegen is, die alles te boven
gaat. Men proeft er daarom ook uit, dat er onder de hemel geen waardigheid,
geen naam kan en mag bestaan behalve deze naam, waaronder
de herders in hun ambt zich behoren te schikken of waarvoor zij
behoren te vrezen.
In deze naam ligt opgesloten, dat allen die de Here gezonden heeft,
en die wettig door de Gemeente geroepen zijn om Gods Woord te prediken,
de heilige Sacramenten te bedienen of de Kerk te regeren en de
tucht te handhaven, onderling gelijk zijn en niemand boven zich mogen
erkennen dan deze Opperherder, en dat allen die zich macht aanmatigen
over de herders, tegen de Opperherder in verzet komen. Men proeft
uit deze naam dat het een levende naam is, dat deze Opperherder leeft,
en dat de herders zich van Hem alleen afhankelijk moeten weten: dat zij
dienen te begrijpen dat ze slechts van Hem bevelen hebben te geven en
voor alles wat tot hun ambt en tot de vervulling ervan behoort, Hem verantwoording
schuldig zijn.
Een opperherder is de enige die opzicht heeft, de enige die macht bezit
over de gehele kudde of over al de schapen van een geheel land en
koninkrijk. (…) Hij onze Here Jezus heet de Opperherder: Zijn schapen
maken zijn macht en heerlijkheid uit, daarvan zijn de andere herders
slechts dienaars. Ter wille van de schapen heeft hij hen geroepen, ter wille
van de schapen geeft Hij hun deze roeping en middelen om rond te
komen. De schapen hebben zij te weiden als Zijn eigendom, als Zijn
schapen en volgens Zijn uitdrukkelijk bevel. Zij hebben dan ook alleen
Hem te eren en mogen er niet naar vragen wat andere herders stellen of
willen, als deze niet willen wat de Opperherder wil. (…)
Wij weten uit het Evangelie, wat deze Opperherder doet om een
enkel schaap dat van de kudde afgedwaald en verloren is, weer terecht
te brengen. Daaruit kunnen wij afleiden wat de herders van Hem, de
Opperherder, te wachten hebben, die naar hun schapen niet omzien,
maar er slechts op uit zijn zich met hun wol te verrijken.
Maar wij kunnen er ook uit afleiden met welk een
liefde de Opperherder die herders omvat, die trouw
volgens Zijn voorschrift de schapen weiden en, alleen
maar zoekend wat voor de schapen goed is, voor hen
het leven laten; die er zich ook volstrekt niets van aantrekken,
wat voor kwaad sommige herders hun aandoen,
omdat zij de Opperherder alleen eren en vrezen
en Zijn Woord bewaren.


Uit: Das Amt der Presbyter, 2. Auflage, Elberfeld 1870, S. 64, 65.
Vertaling: ds. D. van Heyst.