Terug naar Ecclesianet.nl

De verhouding van Kerk en Staat in de laat-antieke wereld

Elke boekenliefhebber kent ze: boeken in klein formaat,
met niet al te veel pagina’s, die in kort bestek zoveel
informatie bieden en zo fraai geschreven zijn, dat je ze
zou kunnen typeren als juweeltjes. Zo’n boekje is dat
van Richard Klein dat onlangs in Duitsland is uitgekomen.
Het behandelt de verhouding van Kerk en Staat in
de laat antieke wereld, d.w.z. in de jaren 300 tot 450
na Chr. Dat is de tijd van keizer Constantijn (280-337)
en zijn zonen, ook de tijd van de grote kerkvaders
Athanasius, Ambrosius, Augustinus en Hiëronymus.
Prof. Klein (1934 - 2006) gaat in zijn boek (dat in
feite vier lezingen bevat) in op een centrale vraag: hoe
is het mogelijk dat het christendom in minder dan een
eeuw van een vervolgde minderheid zó belangrijk kon
worden dat het de enige door de Staat erkende godsdienst
was? De vraag die de auteur opwerpt, is intrigerend.
Zij heeft al heel wat pennen in beweging
gebracht. Tal van factoren zijn door de meest uiteenlopende
auteurs als verklaring voor deze vraag aangedragen.
Duidelijk is in ieder geval dat een factor van
beslissende betekenis is geweest: de begunstiging van
de Kerk door de keizer.
Klein houdt het erop dat Constantijns bekering na de
overwinning op zijn rivaal Maxentius (bij de Milvische
brug in Rome – 312 na Chr.) oprecht geweest is. Hij
neemt zo afstand van de Zwitserse historicus Jacob
Burckhardt die in 1853 zijn beroemd geworden boek
over Constantijn de Grote uitgaf, een fraai maar eenzijdig
boek, waarin hij de keizer afschildert als een
hypocriet, machtsbelust en meedogenloos heerser.
Klein volgt daarin het spoor van illustere voorgangers
– ook Norman H. Baynes, J. Maurice en recentelijk
Michael Grant nemen afstand van Burckhardt: de keizer
begunstigde de Kerk uit overtuiging, ook al heeft
hij zich pas op zijn sterfbed laten dopen – hetgeen
veel meer voorkwam in die dagen.
Maar er was meer. Constantijn zag ook de grote
voordelen die een nauwe aansluiting van de Staat aan
de Kerk met zich mee bracht. Die voordelen hielden
verband met de rechtsspraak en met de zorg voor de
armen, die vooral de wijken en straten van de grote
steden (Rome, Alexandrië, Antiochië en Constantinopel)
bevolkten. Om te begrijpen waar het hier om
gaat, is het nodig iets te weten over de Kerk in het
voor-Constantijnse tijdperk, toen zij nog een minderheid
vormde en in de vaak vijandige heidense omgeving
in het beste geval ‘op eigen benen’ moest staan
en in het slechtste geval vervolgd werd.
In de eeuwen vóór Constantijn had zich in de Kerk een
eigen rechtsspraak ontwikkeld. Christenen gingen bij
voorkeur niet naar een wereldlijk gerechtshof. In de
brieven van Paulus lezen we al dat hij hen aanraadt
om onder elkáár recht te spreken. Dit is een gangbare
praktijk geworden. Onderlinge conflicten legde men
voor aan de bisschop. Op deze wijze werd er binnen
de ‘omtuining’ van de Kerk een eigen rechtsspraak ontwikkeld.
Bisschoppen en andere geestelijken kregen
met de meest uiteenlopende zaken te maken en moesten
als scheidsrechter optreden. De manier waarop zij
dat deden was vaak bewonderenswaardig. Daardoor
bouwden ze een reputatie op van onkreukbaarheid,
onomkoopbaarheid en rechtvaardigheid. Ze waren
niet corrupt, maar recht door zee en eerlijk. Dit dwong
groot respect af, ook bij de heidenen, die altijd moesten
rekenen met oneerlijke praktijken als zij hun recht
wilden halen. Constantijn heeft dat ingezien en er
gebruik van gemaakt om zijn rijk te reformeren. Hij
vergrootte het gezag van de bisschoppen door hun
rechtsspraak te erkennen en door de processen voor
de kerkelijke rechtbank te stimuleren, ook bij niet-christenen.
Zo kon het gebeuren dat de rechtspraak op den
duur vooral behartigd werd door geestelijken, die
meer en meer náást hun geestelijk ambt een burgerlijke
functie kregen. Dit is voor de laat-Romeinse samenleving
van grote betekenis geweest. De kerstening van
de samenleving betekende op die manier een hervorming
van het recht. Natuurlijk bleef de keizer degene
die uiteindelijk het recht bepaalde, maar het was voor
de Kerk van grote betekenis dat zij bij de ‘gewone’
rechtspraak betrokken werd. Het legde op de bisschoppen
een nog grotere verantwoordelijkheid. Deze werd
door menigeen op een goede wijze behartigd. We
hoeven maar te denken aan Ambrosius van Milaan.
Ook op het gebied van de caritas (de christelijke
barmhartigheid) dwong de Kerk groot respect af. Nu
was het zó dat ook de keizers zich op dit gebied niet
onbetuigd hadden gelaten. Van Julius Caesar en keizer
Augustus is bekend dat zij in tijden van nood op
grote schaal graan (vaak afkomstig uit Alexandrië) lieten
uitdelen. Zij hebben daarmee een voorbeeld
gesteld dat door meerdere keizers in latere tijd werd
gevolgd. Zo deelde men in Rome in een bepaald jaar
duizenden broden per dag uit om de armen aan
voedsel te helpen. Toch waren er nadelen aan dit systeem
verbonden: allereerst gebeurde de voedseluitdeling
onsystematisch. Daar kwam bij dat men sterk
afhankelijk was van het karakter en de mentaliteit van
een keizer. Bovendien kwamen deze uitdelingen niet
álle armen ten goede. De nood bleef vaak schrijnend.
Een echte oplossing voor de talloze bedelaars,
weduwen en wezen was er dus niet. En toch is die er
gekomen en dat dankzij de christelijke gemeenten.
Vanaf het eerste begin hebben zij zich toegelegd op de
hulp aan armen, op herbergzaamheid en zorg voor
weduwen en wezen. De eerste aanzetten ertoe zijn al
te vinden in het Nieuwe Testament. Christus’ voorbeeld
stond de christenen daarbij voor ogen. Hij was het
immers die veel menselijke noden lenigde, zieken
genas, bezetenen bevrijdde, enz. En had Paulus niet in
Efeze de kracht ontvangen om veel zieken te genezen
(Hand. 19)? We kennen ook Dorkas, van wie weduwen
na haar dood de tunica’s en mantels toonden, die
zij voor hen had gemaakt (Hand. 8). Veel geld werd er
door de christelijke gemeenten gespendeerd aan de
zorg voor weduwen en wezen, maar ook aan het loskopen
van krijgsgevangenen uit de handen van barbaren
en aan de verzorging van gevangenen. Daarbij
dachten ze niet alleen aan de gelovigen, maar ook aan
heidenen. Zo groeide er een heel systeem van armenverzorging,
dat in de wereld van toen volstrekt onbekend
was. Het werd binnen de christelijke Kerk een
regel dat een vierde deel van alle inkomsten gebruikt
werd tot ondersteuning van behoeftigen. In Rome stonden
duizenden weduwen en wezen en anderen ingeschreven
voor de dagelijkse diaconale zorg!
Keizer Constantijn heeft het grote voordeel van deze
‘professionele’ armenzorg ingezien en twee dingen
gedaan. Allereerst heeft hij de Kerk geholpen om deze
hulp nog verder uit te bouwen, door de eigen hulp
aan armen (liberalitas) te koppelen aan de christelijke
hulp (caritas), zodat deze hulp op grotere schaal en
met nog meer toewijding kon worden geboden dan
eerst het geval was.
Daarnaast zorgde hij ervoor dat men de Kerk
schenkingen kon doen, waarop geen belastingplicht
rustte. Ook liet hij de inventaris van heidense tempels
die op zijn last gesloten werden en de opbrengst van
de verkoop van goederen die bij de tempels hoorden,
ten goede komen aan de Kerk. Veelal verrezen op de
plaatsen waar tempels hadden gestaan kerkgebouwen,
zoals tot op de dag van vandaag te zien valt op
het Forum Romanum in Rome en andere plaatsen, bijv.
in ons eigen land in Elst in de Betuwe.
Hierdoor werd gestimuleerd dat particulieren ‘vorstelijke’
bedragen en grond aan de Kerk schonken. Nu
kwam het ook al vóór de ‘wending van Constantijn’
voor dat rijke mensen veel geld schonken aan de christelijke
gemeente. Veel adellijke families, zelfs leden van
de keizerlijke familie (keizerin Helena) deden grote
schenkingen aan de Kerk. Dit opende de mogelijkheid
om op grote schaal herbergen en hospitalen te bouwen,
waar pelgrims onderdak konden vinden en waar
zieken verzorgd konden worden. De hospitalen stonden
voor iedereen open en voedsel werd aan alle
behoeftigen verschaft! Deze gebouwen werden meestal
gebouwd in de onmiddellijke omgeving van de bisschoppelijke
residentie. Bisschoppen (letterlijk: opzieners)
hadden de eindverantwoordelijkheid voor deze
hospitalen en onderkomens voor pelgrims en armen.
Deze hospitalen waren een uniek verschijnsel. Vóór
die tijd bestonden ze niet. Ze komen direct uit de christelijke
gemeente voort. En ze zijn gebleven tot op de
dag van vandaag. Ze werden overgenomen door de
islam, toen deze na het jaar 632 zich in het Nabije
Oosten razendsnel verbreidde en de christelijke
gemeenten wegvaagde of tot een geringe minderheid
maakte. Heel lange tijd was het zelfs zo dat het in die
islamitische cultuur christenen waren die aan het hoofd
van die hospitalen stonden!
Zo veranderde het aanzien van Rome. Overal verrezen
kerken en charitatieve onderkomens. Dit was
ook het geval in Antiochië en in Jeruzalem waar
ondermeer keizerin Helena zich toelegde op de zorg
voor misdeelden. Dit alles was een uniek verschijnsel,
dat direct of indirect gesteund werd door de keizer!
Klein wijst er in een van de hoofdstukken op dat
deze kerkelijke hospitalen (soms in de vorm van kloosters)
in de steden gebleven zijn, vooral in het Westen,
waar de zelfstandigheid van de Kerk groter was dan
in het Oost-Romeinse rijk. Vooral in Frankrijk trof men
ze aan. Tot in onze tijd kunnen ze bewonderd worden.
Wie het oud-middeleeuwse hospitaal in Beaune
bezocht heeft, kan er zich een indruk van vormen met
hoeveel toewijding en gevoel voor hygiëne, maar
vooral met hoeveel geloof en troost men de zieken
heeft geholpen en begeleid.
Al lezend in het boek van Richard Klein komt men tot
de conclusie dat de Kerk immens veel goeds heeft
gedaan in de laatste eeuw van het Romeinse Rijk,
waardoor (aldus Klein) het zieltogende Rijk nog een
tijd heeft kunnen voortbestaan. Dit is wel een andere
conclusie dan die van de bekende historicus Edward
Gibbon in zijn boek Decline and Fall of the Roman
Empire (1788) die (evenals sommige heidenen toen)
het verval van het Romeinse Rijk toeschreef aan de
invloed van de christenen. Het tegendeel is waar. De
christenen zorgden ervoor dat de Staat nog een tijdlang
kon bestaan. En toen Rome viel, waren het uitgerekend
de christenen (ondermeer Gregorius de Grote
540-604)) die door hun groot geloof en hun grote
moed er zorg voor hebben gedragen dat de verworvenheden
van de Romeinse Staat, maar vooral van het
christelijk geloof ook door konden dringen in het heel
nieuwe Europa dat toen begon te ontstaan.


N.a.v. Richard Klein, Zum Verhältnis von Staat und Kirche in der
Spätantike, Mohr Siebeck, Tübingen, 2008. ISBN 978-3-16-
149819-0. 176 S. € 19,00.