Terug naar Ecclesianet.nl

Groens “Ongeloof en Revolutie” (II, slot)

J.G. Barnhoorn, Nunspeet

Groens Ongeloof en Revolutie is in de loop der jaren niet minder dan acht keer uitgegeven, zes herdrukken
niet meegere kend. Dit wijst op een grote mate van actualiteit. Een actualiteit echter, die zich pas vrij laat
na Groens overlijden heeft doorgezet. Tot aan het einde van de negentiende eeuw is zijn lezingencyclus
weinig in trek geweest is. Pas na de eeuwwisseling werd de editie van 1868 – de tweede door Groen zelf
bezorgde uitgave – door een aantal nieuwe edities gevolgd, waarna het tot 1940 heeft geduurd, voordat
er opnieuw een uitgave, een herdruk van de editie uit 1903, van de persen rolde. Vooral in tijden van grote
politieke spanning, waarin men gedwongen werd zich op zijn identiteit te bezinnen – wij denken hierbij
vooral aan de Tweede Wereldoor log – is Groens werk zich als een bron van bezieling gebleken.
Opmerkelijk is het grote aantal studies, die in de loop der jaren aan Ongeloof en Revolutie zijn gewijd. In het
voorwoord bij de uitgave van 1904 vergelijkt de gereformeerde dogmaticus Herman Bavinck het boek met
de staf van Mozes, die de staven van de Egyptische tovenaars verslond – een beeld, door hem ontleend
aan Groen zelf, die het in zijn boek gebruikt om Von Hallers Restauration der Staatswissenschaft1 te
kenschetsen.
Groens boeken laten zich overigens vrij moeilijk lezen. De lapidaire zinsbouw, de veelheid van gedachten, waarmee hij ons overstelpt, en het feit, dat hij bij zijn lezers een brede algemene ontwikkeling veronder stelt, vergen veel van de lezer.
Opmerkelijk is de kritiek, die Isaäc da Costa op de door Groen gebezigde stijl geleverd heeft. In een brief
van 4 oktober 1850 houdt hij zijn vriend voor: “Tracht toch in den rijkdom uwer denkbeelden en redenen u te
matigen en te wederhouden, meer dan u al te zeer uit te storten. Fas est et ab hoste doceri2. Men heeft u dien
overvloed van wijze en welsprekende redenen meer dan eens tot een verwijt gemaakt!” Groen zou, aldus
Da Costa, er goed aan doen “de breede uiteenzetting van beginselen” alleen voor “enkele groote gelegenheden”
te reserve ren. In andere gevallen verdient een meer aforistische wijze van spreken de voorkeur!
Nooit mag van hem gezegd worden wat men van “den anders (als parlementslid evenzeer en als schrijver)
voortreffelij ken” Sir James Mac Intosh zeide: “Even those who listened to Sir James with pleasure
and admiration, could not but acknowledge that he rather lectured than debated”3.
Groen is zich zijn tekortkomingen in dezen terdege bewust geweest. Hij heeft zich gerealiseerd, dat hij “de
kunst voor het volk te schrijven niet verstond”. Toch moet gezegd worden, dat hij, langs indirecte weg, veel
voor “de gewone man” betekend heeft. Wij denken hierbij vooral aan zijn befaamde Handboek der
Geschiede nis van het Vaderland, dat zich de jaren door voor tal van onderwijzers een kostbaar vademecum
heeft betoond, met behulp waarvan zij een grote schare kinderen met de geschiedenis van ons land vertrouwd
gemaakt hebben4.

T a n e n d g e z a g
Vele tientallen jaren lang heeft het gedachtegoed van Groen, zoals hij dit vooral in Ongeloof en Revolutie
heeft ontvouwd, in antirevolutionaire kringen een onbetwist gezag genoten. Niet ten onrechte oordeelt
C. Gerretson: “Ontzag lijk is de invloed van Groens beginselen op de ontwikke ling van de zelfstandige
krachten, binnen de soevereine kringen, vooral van kerk en school, ge weest”. Halverwege de vorige eeuw
echter keerde het tij, toen Groens geschiedbeschouwing op enkele vitale punten onder vuur genomen
werd5. Hoewel de kritiek, door deze en gene geuit, niet onweersproken is gebleven – wij denken met
name aan de respectabe le poging, die de vrijgemaakte hoogleraar Kamphuis heeft ondernomen om
de verschillende aanklachten te ontzenu wen6 – is de belangstel ling voor Groen sindsdien gestadig afgenomen.
In 1973, zeven jaar voordat de antirevolutionaire partij in het CDA opging, oordeelde H.W.J. Mulder:
“Groen’s denkbeelden vinden nog slechts bij een haast te verwaarlozen minderheid gehoor. Ook de
partijen in ons land, die nog de oude historische namen voeren van Groen’s staatkun dige richting, hebben
met zijn gedachten we reld weinig of niets meer gemeen”7. Drie jaar later liet I.A. Diepenhorst zich in
dezelfde geest uit: “zo min als in 1876 zit heden aan Groeniaanse denkbeelden het tij geheel mee”8. Een
constatering overigens, aan het slot van zijn betoog min of meer gerelativeerd door de opmerking, dat
Groen een eeuw na zijn dood nog steeds als gezaghebbend schrijver wordt aangehaald, en dit, zo
voegde Diepenhorst hieraan toe, volkomen verdiend, daar Groen “de betekenis van beginselen eerder dan
anderen begreep, van de revolutie wezenlijke merktekens onderken de, en de problema tiek der verhouding
tussen Openbaring en historie niet heeft geschuwd”9. Een alleszins positief oordeel, waarin Diepenhorst niet alleen staat. Het blijft Groens “onsterfelijke verdienste”, zegt A.J. van Dijk, dat hij als geen andere historicus vóór hem “de tendens van het van
God zich emancipe rend mondig heids streven, de ontkerstenende en daarom ontbindende werking van de
eeuw van Rede, Ver lich ting en Revolutie tot aan de wortel blootgelegd en met onweer spreekbare feiten
gedocumen teerd” heeft10.
Draagt het oordeel van Diepenhorst over de belangstelling voor Groen nog een ambivalent karakter, de
zienswijze van G. Puchinger, bijna twintig jaar later vertolkt in zijn bijdrage aan de bundel Groen van Prinsterer
en de geschiede nis, is veel minder positief. Hij vraagt zich af, of het wel aangaat te stellen, dat men
aan de Vrije Universi teit, in Utrecht, Kampen en Apeldoorn, waar geestverwan ten van Groen “het vendel
zwaaien”, wel “door hem aanwijs baar geïnspireerd” is. “Er is eerder”, zo stelt hij, “zekere gêne jegens hem
betoond”, waardoor men hem, vooral na de Tweede Wereldoorlog, kritisch is gaan analyseren. En ziet men
Groen nog staan, dan kwalifi ceert men hem in navolging van Geyl11 als “de droge Groen”. En “slechts
weinigen zijn hem zo persoon lijk genaderd, dat men met Gerretson in hem de hitte van “een ziel van vuur”
heeft ervaren, en zich aan hem gewarmd heeft”12.
Puchinger verwijst in dit verband naar wat Gerretson in een brief van 21 september 1936 aan Geyl
geschreven heeft: “Oh Gij lichtvaardige – de deftige drooge Groen? Een ziel van vuur, zooals onze staatkundige
historie, in de XIX eeuw, geen tweede aan te wijzen heeft. Maar een hartstocht, die beheerscht
wordt door een ijzeren zelfdwang. Maar Ge moet hem kennen uit zijn parlemen taire debatten; dat vlijmscherpe
sarcasme in de hoofelijkste vormen; om de tegenstan ders dol te maken; en dat werden ze ook; en
dan sloten ze het debat. Maar om Groen te waarderen, Heer Historicus, moet men langer met hem hebben
omgegaan dan een couple of days”13. Een sprekend citaat. Maar Puchinger had ‘dichter bij huis’,
d.w.z. dichter bij de tijd van Groen, kunnen blijven door het woord te geven aan Allard Pierson, die in
zijn befaamde boek Oudere Tijdgenooten het vuur, dat Groen bezielde, zo mogelijk nog beter doet uitkomen:
“Hij hield zich altijd in, en hij moest zich inhouden, want het gloeide in zijn binnenste of het kookte; hij
had een intensiteit van liefde en van haat, die bij minder terughouding de vlammen had doen uitslaan. Er
was een teederheid in zijn wezen, die haar voorwerp als moederlijk omvleugelde; er was een hevigheid in
zijn najagen gelijk in zijn aanvallen, die overleg noch volharding buiten sloot, veeleer daarin voedsel vond.
Het teedere en het hevige ontsproten beide aan een hartstochtelijkheid, die men in Groen niet miskennen
mag, al was zij bedekt door rustige manieren, gemis aan lenigheid en volslagen afwezigheid van alle
stemverheffing”14.
Al met al constateren wij, dat Groen van Prinsterer, reeds tijdens zijn leven een “roepende in de woestijn,
die ook door geestverwanten werd misverstaan, ook vandaag de dag, anderhalve eeuw na zijn heengaan,
slechts in kleine kring nog als een autoriteit geldt. In de “Verantwoording”, voorafgaande aan de opstellenbundel
Vonken van heilig vuur, wordt gesproken van “een brede kring van onder meer historici, journalisten, theologen en politici die, al denken zij niet op alle punten gelijk, gemeen hebben dat zij zich geïnspireerd weten door het gedachtegoed van Groen van Prinsterer”
15. Maar is dit niet een al te rooskleurige voorstelling van zaken? Is er werkelijk reden om te veronderstellen,
dat er zoveel ten goede veranderd is, sinds freule Wttewaal van Stoetwegen zich met haar radicale uitspraak over de reikwijdte van Groens denkbeelden tot tolk van velen maakte?
Groen leeft nog steeds voort, maar in de politieke arena, waarin hij destijds, door een klein aantal geestverwanten
gesteund, jaren achtereen tegen de geest der eeuw gestreden heeft, zijn het vandaag de dag slechts twee kleine fracties, die zich nog door hem laten gezeggen. Er is m.i. geen enkele reden om de juistheid van het oordeel, door Mulder in 1973 en door Puchinger in 1994 uitgesproken, in twijfel te trekken.
In een wereld, geregeerd door de massa en door de media, een wereld, waarin beginselen hebben afgedaan en waarin iemands “uitstraling” het glansrijk wint van de boodschap, door hem uitgedragen, mag de persoon van Groen zich hooguit van een plaats in
een museum voor wassenbeelden en zijn gedachtegoed zich van bijzetting in een rariteitenkabinet verzekerd
weten. Groen, die nooit populair heeft willen zijn, is anno 2009 minder populair dan ooit.

A c t u a l i t e i t
Toch doet dit niets af van zijn actualiteit. Gerretson zegt: “Groens actualiteit ligt juist hierin dat hij niet “van
onze tijd” is ... anders gezegd: dat zijn politiek van alle tijden is16; dat hij ons in de praktische vraagstukken
het wezenlijke en het toevallige leert onderscheiden; ons daardoor het betrekkelijke gewicht van de
politieke eisen en leuzen van onze eigen tijd doet inzien, en ons daarmee het beste wapen verschaft
tegen de doodsvijand van alle echte staatsmanskunst:
het opportunisme, dat niet verder ziet, dan de neus van de kiezers lang is”17. En in dezelfde lijn ligt het
gevoelen van Van Deursen: “als ik probeer de vraag te beantwoorden waarin voor mij vooral Groens betekenis
ligt, dan geloof ik dat dit het moet zijn: Groen lijkt het telkens te hebben over onze eigen tijd”18. Van
harte stemmen wij daarom in met Mulder, wanneer hij oordeelt: “Hernieuwde kennismaking met Groen’s
gedach ten wereld kan in een tijd, die godsdienstig en staatkundig in menig opzicht is vastgelopen, niet dan
verfrissend en bevrijdend werken. Groen wist zich een man van de toekomst, meer dan van zijn eigen tijd,
die hem niet begreep, vervuld als deze was van een grenzeloos cultuur-optimisme. Misschien dat in de verwarring
van onze dagen het ogenblik nadert voor een beter begrijpen. Het Nederlandse volk zou er wel bij varen”19.


(n.a.v. Ongeloof en Revolutie door G. Groen van Prinsterer
(1847), bewerkt en ingeleid door Arie Kuiper en
Roel Kuiper”. ISBN: 978-90-72801-19-7.
Prijs: € 15,90).
N o t e n
1 Carl Ludwig von Haller (1768 - 1854) was een Zwitsers
staatsrechtgeleerde, die vooral door zijn boet Restauratie van
de staatswetenschap bekend geworden is.
2 “Men dient zich door zijn vijanden te laten onderrichten”.
3 “Zelfs zij, die met genoegen en bewondering naar Sir James
luisterden, moesten erkennen, dat hij meer doceerde dan
debatteerde”.
4 Groen heeft overigens niet alleen door zijn publicaties, maar
ook op andere manieren laten zien, dat hij “de gewone
man” een warm hart toedroeg. Vooral in het geding met
de Afgescheidenen komt dit heel duidelijk tot uiting. Terwijl
Thorbecke, zelf van eenvoudige komaf, de maatregelen tegen
de veelszins onbemiddelde vervolgden verdededigde, sprong
Groen, aristocraat in hart en nieren, voor hen in de bres. En
terwijl Thorbecke de vrijheid van onderwijs, door hemzelf in de
grondwet van 1848 vastgelegd, in de praktijk bij herhaling boycotte,
werd zij door Groen steeds met hand en tand verdedigd.
5 Vgl. de dissertatie van H. Smitskamp, Groen van Prinsterer
als Historicus (1940) en de bundel Groens “Ongeloof en
Revolutie” (1949), een reeks artikelen van de hand van
H. Smitskamp, H.J. Smit, A.A. van Schelven, J.C.H. de Pater,
H. Dooyeweerd, A.M. Donner en Z.W. Sneller.
6 J. Kamphuis, De hedendaagse kritiek op de causali teit
bij Groen van Prinsterer als historicus, een uitstekend
gedocumen teerde rectorale oratie (1975).
7 H.J.W. Mulder, Groen van Prinsterer, staatsman en profeet,
blz. 108vv.
8 I.A. Diepenhorst, Groen van Prinsterer en de “Revolutie”, in:
Een staatsman ter navolging. Groen van Prinsterer herdacht
(1876 - 1976), blz. 173.
9 Idem, blz. 180.
10 A.J. van Dijk, “Groens Ongeloof en Revolutie”, in:
Een staatsman ter navolging, blz. 189.
11 De historicus P.C.A. Geyl (1887 - 1966) was van 1919 tot
1936 hoogleraar in Londen. Van 1936 tot 1958 doceerde hij
in Utrecht, terwijl hij tevens – tot 1946 – aan de Economische
Hogeschool te Rotterdam verbonden was.
12 G. Puchinger, “Groen van Prinsterer: de figuur”, in:
G. Harinck en R. Kuiper (red.), Groen van Prinsterer en de
geschiedenis. Historische Opstellen, blz. 29.
13 G. Groen van Prinsterer, Schriftelijke Nalatenschap, deel VIII:
Bescheiden, deel I (1821 - 1842), blz. 319.
14 Allard Pierson, Oudere Tijdgenooten, blz. 119.
15 D.J.H. van Dijk en C.G. van der Staaij (red.), Vonken van
heilig vuur. Groen van Prinsterer tweehonderd jaar, blz. 7.
16 Cursivering van Gerretson zelf.
17 Gerretson, Verzamelde Werken, deel I, blz. 138.
18 Van Deursen, “Omgaan met Groen”, in: Vonken van heilig
vuur blz. 54.
19 Mulder, a.w., blz.6.